Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De nar aan het kruis: Hoe Jezus de wereld op zijn kop zette

Home

Gerard de Haas en theoloog en lid van de Protestantse kerk in Nederland.

Kruisigingsscène uit het theaterstuk 'Mistero Buffo' van Dario Fo. De Italiaan liet zich inspireren door middeleeuwse passiespelen en de commedia dell'arte, het volkstoneel uit de zestiende tot de achttiende eeuw. De foto's bij dit artikel zijn gemaakt in 2010, bij de opvoering van 'Mystère Bouffe' door de Comédie Française, geregisseerd door Muriel Mayette. © Hollandse Hoogte
Opinie

GERARD DE HAAS De executie van Jezus was een bizarre rituele moord, betoogt Gerard de Haas. Het slachtoffer had alle trekken van een nar die de wereld op zijn kop zet.

Wie waren verantwoordelijk voor de kruisiging van Jezus? De Romeinse overheid niet, want prefect Pontius Pilatus trekt zijn handen ervan af. De Joodse leiders evenmin; zij dringen wel hevig aan op de executie, maar ze vinden geen gehoor.

Een eeuw wetenschappelijke discussie leidt uiteindelijk tot maar één conclusie: de executie was een initiatief van de Romeinse soldaten zelf. Ze voerden een bizarre rituele moord uit, een wijze van ombrengen die vaker werd toegepast op personen die rex mimus, koningsclown, waren. Was Jezus ook zo'n nar?

De extreem wrede doodstraf van de kruisiging was voorbehouden aan slaven en aan hen die niet over het Romeinse burgerschap beschikten en een gevaar vormden voor het Romeinse rijk. Dat was ook de aanklacht van de Joodse Hoge Raad, het Sanhedrin. Jezus zou oproepen tot verzet tegen de Romeinse bezetter.

Wanneer Pontius Pilatus deze aanklacht serieus genomen had, zou hij zeker tot deze kruisiging besloten hebben. Want hij stond bekend als hard en onbuigzaam. Maar tot driemaal toe verklaart hij, na Jezus gehoord te hebben: "Ik vind niets waaraan deze man schuldig is."

In 1906 publiceert de Duitse geleerde Paul Wendland 'Die Dornenkrönung Christi'. Hij beschrijft het ritueel van de 'Saturnaliakoning'. De Saturnalia waren het Romeinse carnaval, dat in Rome eind december en elders in het Romeinse rijk bij het aanbreken van het voorjaar gevierd werd. Wendland beschrijft het geval van een Alexandrijn uit de eerste eeuw van onze jaartelling, Karabas. Romeinse soldaten roepen hem tijdens het carnaval uit tot koning, bekleden hem met een koninklijke mantel, geven hem een riet als scepter in de hand en zetten een papyruskroon op zijn hoofd. Daarna bespotten zij hem, slaan hem met het riet en kruisigen hem.

Er is nog zo'n narrenexecutie tijdens carnaval gedocumenteerd. De Belgische archeoloog en filoloog Franz Cumont ontdekte dat in het jaar 303 Dasius, een in Bulgarije gelegerde christelijke Romeinse soldaat, tot carnavalskoning was gekozen. Een fatale eretitel: hij moest aan het eind van de carnavalsfrivoliteiten sterven.

Een Romeinse mimus
De 'Pauly-Wissowa', de immense, gezaghebbende encyclopedie van de Oudheid, doet in zijn laatste editie (uit 1983) een interessante mededeling over een Romeinse mimus die in de eerste eeuw van onze jaartelling een nieuwe godsdienst had gesticht in Rome. Hij verzamelde een groep aanhangers om zich heen, die standhield - ook na de kruisiging van de mimus.

Opmerkelijk genoeg laat de Pauly-Wissowa erop volgen dat 'het te ver gaat hier een verband te leggen met de kruisiging van Jezus'.

Argumenten voert de Pauly-Wissowa daar niet voor aan; dat laat het standaardwerk vaker na als het over de mimus gaat.

De overeenkomsten van de vernederingsscène van Karabas in Alexandrië met de bespotting van Jezus in Jeruzalem zijn onmiskenbaar. "De soldaten leidden hem weg. Zij trokken hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op. Daarna brachten ze hem hulde met de woorden: 'Gegroet, koning van de Joden!' Ze sloegen hem met een riet tegen het hoofd en bespuwden hem" (Marcus 15).

Wendland wijst op een opstand van Egyptische Joden in 115, waar ook iemand door Romeinse soldaten wordt uitgeroepen tot Jodenkoning en voor een stadhouder geleid.

Dat deze slachtoffers mimus zijn, clown, heeft de christelijke theologie belemmerd om serieus te bestuderen of deze gevallen verband houden met de kruisiging van Christus.

Indo-Europese armoedebeweging
Het is aan de Zweedse oriëntalist Geo Widengren te danken dat we daar nu anders over kunnen denken. Hij schreef in Acta Orientalia Suecana, de Handelingen van de Vereniging van Zweedse oriëntalisten van 1953, over de Indo-Europese armoedebeweging.

Die ontstond in India en verspreidde zich via het Midden-Oosten over Europa. Haar aanhangers beleden het ideaal van het zwervend op zoek gaan naar God. In het Sanskriet heette dat paryvray, in het Grieks peripatein.

De armoedebeweging vormde de familia herlechini, de 'familie van de harlekijn', een bont gezelschap van potsenmakers, clowns, jongleurs, harlekijns, narren, goochelaars en thaumatapoioi, wonderdoeners. Zij vereenzelvigden zich met de onderste lagen van de samenleving. Daar waren ze zeer populair, door hun spotternijen gericht tegen de heersende klasse. In wezen was het een protest tegen de teloorgang van de egalitaire Oud-Europese cultuur, veroorzaakt door de hiërarchische Indo-Europese cultuur.

De vraag die Wendland en Widengren oproepen, is of de Romeinse soldaten Jezus alleen maar als een rex mimus, een koningsclown, behandelden of dat Jezus dat ook zélf was.

Er pleit veel voor het laatste.

Wanneer in de Bijbel Jezus wonderen verricht, valt nadrukkelijk het woord peripatein, rondwandelen. Herodes, de Joodse vazalkoning naar wie Pilatus Jezus toestuurt, beschouwt hem als een thaumatapoios: "Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen" (Lucas 23).

Geen bezittingen
Een van de voorschriften van de armoedebeweging was dat de leden geen bezit mochten hebben, laat staan over huis en haard konden beschikken. 's Nachts sliep men onder de blote hemel en bij slecht weer in een veestal of schuur. Ook Jezus zegt dat de vossen hun holen hebben, maar dat hij nog niet eens een plaats heeft om zijn hoofd neer te leggen.

Pikant gegeven is ook dat de aanhangers van de armoedebeweging met opzet de hoon en spot op zich laadden door er zo aanstootgevend mogelijk bij te lopen. De jongleurs en zijn collega's van de harlekijnsfamilie liepen in lompen en de mima, de vrouwelijke clown, kleedde zich als meretrix oftewel hoer. Dit alles onder het motto 'wat dwaas is bij de mens, is wijs bij God'. Ook Jezus zegt dat de hoeren en tollenaars - ongetwijfeld de meest verachte vrouwen en mannen in Israël - ons zullen voorgaan in het paradijs. Het is ook opvallend dat in de Joodse lectuur Maria, de moeder van Jezus, als hoer wordt aangeduid en dat in de christelijke lectuur dat lot Maria Magdalena beschoren is. In werkelijkheid was het ideaal van de armoedebeweging het ascetische 'geestelijke huwelijk' tussen man en vrouw.

In de armoedebeweging is het 'omkeringsmotief' overal aanwezig. De domme clown, de stupidus, is in werkelijkheid veel wijzer dan het publiek. En de mima, de vrouwelijke clown die zich hoerig kleedt en gedraagt, is een vrome vrouw. Ook in het Romeinse carnaval, de Saturnalia, zit dit motief: de rollen van slaaf en heer werden daarin omgekeerd. Zo bedienden de heren tijdens de maaltijd hun slaven.

In de bijbelse evangeliën zien we dit thema overal terug. Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden, aldus Jezus. Want de eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. Jezus wast de voeten van zijn leerlingen, want als hun Heer schaamt hij er zich niet voor de minste te zijn. Wanneer hij zijn intocht doet in Jeruzalem, komt hij uit Betanië, de armenwijk. Hij zit op een ezel, een carnavaleske persiflage op het koninklijke en keizerlijke paard. De menigte zingt. Sommigen spreiden hun mantels uit op de weg en anderen takken en bladeren. Het tafereel van mensen in hosannastemming lijkt op een carnavalsoptocht, met Jezus de koningsclown als hoofdpersoon.

'Weest schouwspelers van God en wandel in liefde'
Mijn zoektocht naar de betekenis van de mimus begon in de kerstvakantie van 1973. Op Eerste Kerstdag had ik in een preek van de kansel een intrigerende oproep gehoord, geformuleerd door Paulus: "Weest schouwspelers van God en wandel in liefde."

Schouwspelers, dacht ik, dat is toch een germanisme? De dominee bedoelt waarschijnlijk 'acteurs'. Ik zocht thuis de passage op in mijn Griekse Nieuwe Testament en stuitte op mimètès, acteur, en peripatein, wandelen.

Meteen herinnerde ik me het essay van Widengren dat ik als theologiestudent gelezen had en waarvan ik toen al had aangevoeld dat het niet alleen over de Indo-Europese armoedebeweging ging, maar ook over die van Jezus. Die intuïtie zag ik hier, in Paulus' brief aan de Efeziërs, bevestigd.

Na de vakantie dook ik in de universiteitsbibliotheek in de Oudheidsencyclopedie Pauly-Wissowa; uit de halve wand aan edities en supplementen greep ik een willekeurig deel en stuitte op de mimus. Mimètès was de acteur van het nette toneel, maar met een verwijzing naar de mimos van het volkstoneel (de Griekse mimos is dezelfde als de Romeinse mimus). En dáár werd Jezus wel degelijk genoemd.

Lees verder na de advertentie

 
Provocatie met humor, dat was het handelsmerk van Jezus

© Hollandse Hoogte

Naderhand ontdekte ik in andere delen van de Pauly-Wissowa de vermaning om bij mimus vooral níet te denken aan Jezus. Kennelijk heerste in de redactie tweespalt. Ironisch genoeg was de vermaning om de associatie met Jezus toch vooral te vermijden zo indringend geformuleerd dat die gedachte zich juist aan me opdrong. Het meest hinderde me dat er niet bijstond waarom die gedachte verboden was. Ik vermoedde een taboe: de redacteuren probeerden angstvallig zaken die het christendom raakten buiten hun normale wetenschappelijke werk te houden.

Widengren was daarin nog consequenter: hij noemde in zijn beschrijving van de armoedebeweging Jezus helemaal niet.

Wel trok hij een lijn naar Franciscus van Assisi, de middeleeuwse heilige die heel concreet het leven van Jezus naleefde, en naar de Commedia dell'Arte, volgens Widengren de ware voortzetting van de tradities van de familia herlechini. Had Franciscus zelf niet gezegd: enim sumus ioculatores Dei, we zijn immers de jokers, de grappenmakers van God? Een mooie illustratie daarvan is de anekdote over een groep franciscaner broeders die aanklopt bij een dominicanerklooster. Daar worden ze binnengelaten omdat de monniken denken dat ze met circusartiesten te maken hebben. Zij verheugen zich op een vrolijke avond. Totdat ze ontdekken wie de gasten werkelijk zijn. De franciscaner broeders worden meteen de deur uitgezet.

'De ezel van Alexamenos'
De gekruisigde nar in Rome over wie de Pauly-Wissowa rept, werpt ook een nieuw licht op 'de ezel van Alexamenos'. Dat is een vroeg tweede-eeuwse grafitto op de muur van een opleidingsinstituut in Rome. Deze cartoon laat een gekruisigde figuur met een ezelskop zien met daarnaast een jongen die ernaar wijst. Opschrift: 'Alexamenos aanbidt zijn god'.

De eerste officiëel erkende crucifix is pas in de vijfde eeuw te zien, op een sarcofaag. Daarvoor was de opgestane triomferende Heer het beeldmerk van het christendom.

Maar als we weten dat de mimus maar twee maskers mocht dragen, dat van het varken en dat van de ezel (de acteurs van het grote, 'nette' theater mochten allerlei maskers dragen), dan zou dit grafitto inderdaad op Jezus kunnen duiden.

Volgens de Amerikaanse theoloog Harvey Cox kon het wel eens artistieke zelfspot wezen van Romeinse 'catacombenchristenen' met een "dieper gevoel voor de komische absurditeit van hun positie dan wij denken. Als een ellendige troep slaven, verstotenen en ontheemden moeten ze zo nu en dan beseft hebben hoe bespottelijk hun beweringen waren. Christus zelf moet voor hen zoiets als een heilige dwaas geweest zijn." Dat besef verdween, aldus Cox, toen de kerk zelf machtig en arrogant werd. Vanaf die tijd bood ze 'nauwelijks ruimte voor een karikatuur van zichzelf of voor ironie'.

Maar natuurlijk kan het graffito ook over een andere mimus gaan, want kennelijk gebeurde het vaker dat een mimus als godsdienststichter gekruisigd werd.

Jezus had in de Israëlitische streek Galilea een grote groep volgelingen, maar ook in Samaria en Judea was hij populair, niet in de laatste plaats door de genezingen die hij verrichtte. Hij moet een geweldig charisma hebben gehad. Dat hij inspeelde op de vrijheidsdrang van zijn onderdrukte volksgenoten, droeg bij aan zijn populariteit. Als een echte mimus kon hij geweldig overdrijven in zijn kritiek op machthebbers en rijken. Hij maakte ze belachelijk door groteske vergelijkingen. Vooral de geestelijke elite van Farizeeën en schriftgeleerden moest het ontgelden: witgepleisterde graven waren het, addergebroed, huichelaars.

Het is ondenkbaar dat alle Farizeeën en schriftgeleerden zulke verwerpelijke lieden waren, maar Jezus schoor ze allemaal over één kam. Omdat ze onder bescherming van de Romeinse bezettingsmacht als godsdienstige leiders de praktijk van alledag bepaalden, ging Jezus' grove en platte commentaar er bij het volk in als koek.

Genezing van de slaaf was provocatief
Diens sterke wapen was de provocatie met humor - zie de carnavaleske intocht in Jeruzalem. Ook de genezing van de slaaf van een Romeinse officier was provocatief. Want Jezus had bij niemand in Israël (ook niet onder de vrome en wetsgetrouwe Farizeeën) een groter geloof aangetroffen dan bij deze centurio.

En dan was er de etnische provocatie van de barmhartige Samaritaan die in tegenstelling tot de Levieten het goede voorbeeld gaf. Samaritanen telden niet mee, dat waren ongelovige, afgedwaalde en verwerpelijke mensen.

Ten slotte lokte Jezus religieus protest uit door tegen alle conventies in op sabbat aren te gaan plukken en de spijswetten te veronachtzamen: "Niet wat de mond ingaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitgaat."

De apotheose van de passiegeschiedenis, de kruisiging, wordt ingeleid door een ideologische provocatie. Jezus noemt God zijn 'hemelse vader'. Dat is de naam die Grieken en Romeinen aan hun hoofdgod gaven. Zeus Pater, deus en Jupiter gaan terug op het Indo-Europese Dyeus Pater, hemelse vader. Zoals God zich aan Abraham heeft geopenbaard als de vader van Israël, zo openbaarde God zich in Jezus als de hemelse vader van de hele wereld. Dat was voor de Joodse leiders onverteerbaar.

Pasen
Want de berg Sion was het centrum van Gods aanwezigheid in de wereld. Er was maar één hoofdstad en dat was Jeruzalem. Jezus daarentegen identificeerde zich met de profeet Jona die Gods heilshandelen naar de stad Nineve - ver buiten Israël - verplaatste. Jezus verwierp daarmee de nationalistische godsdienst van Israël. Als gekruisigde nar gaf hij de aanzet tot de universele wereldgodsdienst die het christendom sinds Pasen is geworden.

Dario Fo's omkering: lachen om de macht
De Italiaanse theatermaker Dario Fo (1926) bracht in 1969 zijn 'Mistero Buffo' op de planken. Daarin vertelt een nar verhalen over Jezus, gezien door de ogen van het volk. Fo's aanpak vertoonde marxistische trekken: hij vermengde middeleeuwse fenomenen uit de Commedia dell'arte en de actualiteit tot een soms hilarische weergave van de strijd tegen uitbuiting. In de passiegeschiedenis las Fo een omkering van de gevestigde orde.

Mistero Buffo is een cabaretesk theaterstuk dat machthebbers aan de kaak stelt. De lach was volgens Fo hét middel om hen te tarten; ook geestelijken kunnen humor niet uitstaan. Fo voert een nar op, naast een volkse Christus, maar inhoudelijk lijken ze soms wel in elkaar over te lopen.

Mistero Buffo werd in de jaren zeventig een veelgeprezen theaterstuk, ook in Nederland en Vlaanderen. In 1997 ontving Dario Fo de Nobelprijs voor literatuur, een erkenning die hij vooral dankte aan Mistero Buffo.

Plat lachen om de dood
De paaslach (risus paschalis) maakte van de veertiende tot de negentiende eeuw deel uit van de Paasliturgie, vooral in Duitsland. De opstanding van Jezus uit de dood was een overwinning op de sterfelijkheid, goed nieuws dat de kerk met Pasen verkondigde en reden tot lachen was. Deze vrolijkheid (en het uitlachen van de dood) werd door de priester gewekt door het vertellen van komische verhalen, niet zelden met een scrabeus karakter. In 1518 klaagde een toehoorder dat zijn pastoor er geen talent voor had. "Hij maakt geen grappen met obscene woorden, en hij beeldt niet - zoals een goede komediant dat zou doen, iemand imiterend die zichzelf bevredigt - de dingen uit die echtgenoten gewoonlijk in het geheim houden in hun kamer en die je beter zonder getuigen kan doen."

Protestanten voelden niets voor dit gebruik, dat trouwens ook in de rooms-katholieke kerk uiteindelijk verboden werd.

 
Waarom verbood die encyclopedie om bij ‘nar’ aan Jezus te denken?

Deel dit artikel