Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De mythes rond woonwagenbewoners

Home

HARO HIELKEMA

De twee woonwagenbewoners kunnen praten wat ze willen: weg moeten ze, Beek en Donk uit! Ze hebben hun trekhonden uitgespannen, hun wagens op de openbare weg gezet en tussen hun handel overnacht. Dat is strijdig met de politieverordening van de Brabantse gemeente en dus moeten ze weg. “Het is aan eigenaars of geleiders van wagenwoningen verboden op publieke wegen hunne trekdieren uit te spannen, den wagen te laten staan en te overnachten”, staat in de APV.

Het is september 1888. Het duo weigert te vertrekken en de boete die ze krijgen, is het begin van een slepende kwestie. De rechtbank veroordeelt ze, het hof geeft hun gelijk: gemeenten mogen wel wagens weren, maar geen personen. Ook de Hoge Raad kiest de kant van de woonwagenbewoners, maar de vreugde is van korte duur. IJlings passen gemeenten hun politieverordeningen aan.

Dan zijn er particulieren die woonwagenbewoners op hun terrein toelaten, maar ook daar wordt snel iets op gevonden: zo legt Groningen in 1892 vast dat het verblijf van woonwagens ook op privé-terrein verboden is. De openbare orde en de volksgezondheid (bedelarij, besmettelijke ziekten) rechtvaardigt alles, is het verhaal.

Voor historica Annemarie Cottaar staan Beek en Donk en Groningen model voor veel gemeenten, die altijd hebben gepoogd woonwagenbewoners buiten de grenzen te houden. Ruim 100 jaar al. Als de dóód waren ze voor 'die lieden'. De burgemeester van Beek en Donk zei het zo: “De toenemende bedelarij en het daardoor onrustbarend toenemen van diefstal en zedeloosheid moet ons er op bedacht doen zijn zooveel mogelijk het gebruik van woonwagens tegen te gaan.”

Angst voor hun armenkas dreef de gemeentebesturen. De Armenwet van 1870 had hun opgedragen alle armlastigen in de gemeente te steunen. Eerder lag die plicht van 'onderstand' bij de geboorteplaats van de behoeftige: rondtrekkend volk was voor gemeenten toen minder bedreigend. De vrees dat ze door de 'vagabonderenden' zouden worden overspoeld, was volgens Annemarie Cottaar onterecht, want woonwagenbewoners wisten toen redelijk in hun onderhoud te voorzien. Ze kent heel wat mythes en onwaarheden over deze groep. Over hun 'buitenlandse' afkomst en hun 'zwerversbloed', hun 'ongewone' levenswijze en hun 'parasitaire' gedrag.

Mythes weerlegd

Cottaar weerlegt de mythes in haar proefschrift 'Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners', waarop zij gisteren aan de Vrije universiteit promoveerde. De gemeenten hebben een voedingsbodem geschapen waarop woonwagenbewoners binnen een eeuw zijn uitgegroeid tot een minderheidsgroep - terwijl ze geen groep wàren. Tot zwervers, bedelaars, dieven en excentriekelingen. Tot zondebokken.

Omstreeks 1870 verscheen de eerste 'verplaatsbare woning', iets later dan in Frankrijk en Engeland. Het plattelands-wegennet liet op zich wachten en juist daar was behoefte aan stoelenmatters, scharenslijpers, borstelmakers, pantoffelverkopers en andere venters. Tot diep in de vorige eeuw hadden de dorpen geen winkels en ook in de steden prefereerden veel mensen venters: die waren goedkoper en vaak minder hooghartig dan winkeliers.

Nòg leeft de gedachte dat woonwagenbewoners afstammen van buitenlandse zwerversgeslachten; door dat 'zwerversbloed' zullen ze nooit aan een burgerhuis wennen. De Drentse volksschrijver Harm Tiessing 'ontdekte' ze als afstammelingen van Westfaalse scharenslijpers. Hij vond dat in de Duitse deelstaat èn onder de woonwagenbewoners in Oost-Nederland zoveel mensen Hendriks en Wolters heten. Onzin, bewijst Cottaar: onder de 'gewone' bevolking komen die namen zeker zo vaak voor.

Een ander 'bakerpraatje' wil dat de voorouders van woonwagenbewoners afgedankte huursoldaten zijn, die na de Tachtigjarige Oorlog waren achtergebleven en tot bedelaar en crimineel waren geworden. Twee jaar geleden diste oud-PvdA-Kamerlid David van Ooijen dit verhaal nog op in een dissertatie.

Ook het 'sprookje van Kaatsheuvel' - daar belande zwervers zouden het in huizen niet hebben uitgehouden en trokken er weer in woonwagens op uit - helpt Cottaar uit de wereld: armoede bracht boertjes en landarbeiders van de arme Brabantse zandgronden ertoe in de winter bij te klussen door wol te spinnen, te weven, manden en matten te vlechten, zwavelstokken te maken en schoenen en muilen te fabriceren. Ze brachten die in een steeds wijdere omgeving aan de man, waarvoor ze zich op den duur een woonwagen aanschaften.

Nog meer een fabeltje: er loopt een lijn naar zigeunergroepen of zelf naar Aramese nomaden van 4000 vC. Stamboomonderzoek van woonwagenfamilies in Overijssel en Den Haag leerde Cottaar dat economische motieven ten grondslag liggen aan hun ambulante levenswijze en dat nog geen vijfde afstamt van mensen met een zwervend verleden. En ze zijn net zo buitenlands als de doorsnee-Nederlander: als je lang genoeg spit, kom je vanzelf een Franse hugenoot of Duitse voorouder tegen.

De eerste wagens waren hondekarren waarin de handel werd vervoerd. Later gingen die ook als slaapruimte dienst doen. Veel stelden ze niet voor; pas in de Woonwagenwet van 1918 werden er eisen gesteld aan het voertuig. Ambtenaar Veenstra, chef van de onderafdeling 3d van het ministerie van justitie, sprak toen al van het 'woonwagenkwaad' dat 'afdoende' moest worden bestreden, “zóó dat we er op den duur afkomen”.

De vraag 'Wie zal dat betalen?' speelde een grote rol. Cottaar ontdekt echter dat woonwagenbewoners tot de tweede wereldoorlog maar sporadisch de armenkas aanspraken.

De gemeentebesturen voerden de opdracht om voor standplaatsen en andere voorzieningen te zorgen, met grote tegenzin uit - of, volgens Cottaar, werkten tegen. 'Afhouden en ontmoedigen' was het motto van de gemeenten, die zich goed konden vinden in de opvatting van de Nederlandse Vereeniging voor armenzorg en weldadigheid, dat woonwagenbewoners “spotten met alle eischen, die ten aanzien van onderwijs en vooral orde en zedelijkheid voor het opgroeiend geslacht mogen en moeten worden gesteld, welke plaag toch inderdaad, zij het ook niet te abrupt, geheel behoort te verdwijnen”.

Nieuwe wet

Na de tweede wereldoorlog werden concentreren en controleren de nieuwe termen in de verborgen agenda van de bestuurders. De Duitse bezetter had laten zien hoe succesvol verzamelkampen werkten om het aantal woonwagens in te krimpen en op die leest werd de nieuwe politiek geschoeid. Woonwagenbewoners werden ingedeeld in de categorie 'afwijkend', waarop een fors beschavingsoffensief werd gericht.

De nieuwe Woonwagenwet van 1968, die het woonwagenbewoners in feite verbood te trekken, was, meent Cottaar, de nekslag voor de 'mensen van de reis'. De wet was bedoeld om hun positie te verbeteren, ze verkapt van hun zwerfgedrag af te helpen en in huizen te krijgen, maar bereikte het tegendeel. Ze konden hun beroepen niet langer uitoefenen en zagen geen kans andere bronnen van inkomsten te vinden.

Zo zijn ze daar gekomen waar de gemeenten altijd bang voor waren: bij de armenkas, de bedelstaf, de sociale dienst. De angst bleek een 'self-fulfilling prophecy' geworden, stelt Cottaar. Woonwagenbewoners werden daarmee een sociale categorie zoals zigeuners, Turken en Marokkanen: 'een minderheid in eigen land'.

Deel dit artikel