Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De mens is als een oud huis

Home

Arjan Visser

Adriaan van Dis, (Bergen, 1946) was journalist en televisie-presentator bij de VPRO voordat hij voltijds romanschrijver werd. Hij debuteerde in 1984 met 'Nathan Sid'. Voor de roman 'Indische Duinen', uit 1994, ontving hij de Gouden Uil en de Trouw Publieksprijs. Dit jaar verscheen 'Dubbelliefde', een roman over seks en politiek.

1 GIJ ZULT GEEN ANDERE GODEN VOOR MIJN AANGEZICHT HEBBEN

,,Mijn vader en moeder hebben in een jappenkamp gezeten. De oorlog heeft hen losgemaakt van het Hollands protestantisme en ze zijn beiden aangeraakt door een theosofische, antroposofische gedachte - het verschil daartussen is mij altijd zeer vaag gebleven. Mijn zusjes en ik zijn opgevoed met de idee dat in alle godsdiensten iets waardevols zit. Ik nam elke zondag deel aan een theosofische gespreksgroep waar wij praatten over God, zoals pubers dat doen. We filosofeerden over het hoe en het waarom van ons bestaan. Soms kwam er een mevrouw - vaak gestoken in hooggebreide kousen - een praatje houden. Die vertelde dan dat het heelal een kerstboom was, de ballen planeten, de wirwar van takken het melkwoud en de piek de verbeelding van de Hoogste Macht.''

,,Van mijn negende tot mijn achttiende heb ik op de Vrijzinnige Christelijke Jeugdcentrale gezeten. Vooral 'kamp' heb ik erg leuk gevonden. Kamp was altijd leuker dan thuis. Ik hield van de liedjes - 'Ik voel de winden Gods vandaag, vandaag hij-ijs ik het zeil' - maar ik was vooral bij de VCJC vanwege het toneel. Ik heb alle kerst- en paasspelen gespeeld. Ik ben begonnen als herder en heb het uiteindelijk - in 'Ben ik het Heer?' van Theo Vesseur - tot zoekende Adam, in maillot, geschopt. Met godsdienst had dit alles niets te maken. Ik kan niet in God geloven, maar dat wil niet zeggen dat ik gelovigen belachelijk maak. Ik ben er zelfs een beetje bang voor omdat ik weet dat ik zelf ook een religieuze kern in mij draag. Dat is een kant van mijn persoonlijkheid die, in deze cynische wereld, nauwelijks serieus genomen wordt. Ik ben de eerste om mijn genezende handen te bespotten en tegelijkertijd wéét ik dat zoiets bestaat. Ik heb gezien hoe leden van de Kung!, een Koi-San volk uit de Afrikaanse Kalahari-woestijn, na tien uur dansen veranderden in het dier dat zij al die tijd hadden uitgebeeld. Hoe moet ik dat vertellen zonder uitgelachen te worden? Wij zijn het contact met de natuur volledig kwijtgeraakt, maar ik weet zeker dat ik mijzelf, als ik wil, in eenzelfde soort toestand kan brengen. Door concentratie kan men buiten zichzelf treden. Zeg, zoals de bewoners in de Himalaya-gebergte Umni, Umni, Padni Hum - 'Gij kleinood in de lotusbloem'. Zeg het duizendmaal en je raakt in trance. We willen tenslotte aan onszelf ontstijgen. De één slikt pillen, de ander luistert naar Bach. En ik doe het door te schrijven.''

2 GIJ ZULT U GEEN GESNEDEN BEELD MAKEN NOCH ENIGE GESTALTE VAN WAT BOVEN IN DE HEMEL, NOCH VAN WAT BENEDEN OP DE AARDE, NOCH VAN WAT IN DE WATEREN ONDER DE AARDE IS

,,Ik vind het juist prachtig dat je God aanbidt in schoonheid; in het kweken van een mooie roos - zoals Rilke deed - in het maken van een imposant beeld of in het bakken van een voortreffelijke appeltaart. In vakmanschap kun je veel devotie kwijt doordat je iets creëert wat groter is dan de homp vlees, botten en schimmels die wij mens noemen.''

3 GIJ ZULT DE NAAM VAN DE HERE, UW GOD, NIET IJDEL GEBRUIKEN

,,Maar, natuurlijk vloek ik! Als iemand mij in het verkeer onheus behandelt, mag ik graag een sappige vloek laten horen en ik weet zeker dat - de door ons verzonnen - God daar geen enkel bezwaar tegen heeft. Waar ik echt des duivels over word, is de zalvende taal van de Evangelische Omroep. Een man als Binnendijk, heet hij zo? Henk? Dat is voor mij een godslasteraar. Met zo'n soort geloof wil ik niets van doen hebben. Geef mij dan maar een zorgvuldig sprekende radio-dominee: 'Ik werd op een parkeerplaats aangesproken door een man die bij mij kerkte en vroeg of het mogelijk was dat de mens . . .', en dan volgt er een of andere uiteenzetting van een bevindelijk probleem. Ik vind het zo aardig dat deze mensen in een ouderwetse wereld leven die kennelijk wordt bevolkt door lieden die elkaar nog op parkeerplaatsen aanspreken over zaken des geloofs. Ik ben bijzonder gesteld op de tale Kanaüns. Wie met de Bijbel is opgevoed, beschikt doorgaans over een enorme schat aan prachtige zinswendingen. Ik hou van mensen die mooi praten. Niet deftig, nee, gewoon: goed geformuleerde, fraai lopende zinnen.''

4 GEDENK DE SABBATDAG, DAT GIJ DIE HEILIGT, ZES DAGEN ZULT GIJ ARBEIDEN EN AL UW WERK DOEN; MAAR DE ZEVENDE DAG IS DE SABBAT VAN DE HERE UW GOD, DAN ZULT GIJ GEEN WERK DOEN

,,Ik voel in mijzelf een grote luiheid. Maar ik mag niet lui zijn en daarom werk ik zo hard. Het liefst op zondag, als anderen niet werken. Tijdens vrije weekenden, als alle Hollanders zich buiten vermaken, zit ik binnen te werken. Ik ben ook zeer productief tijdens de kerstdagen - dat waren vroeger dagen van ruzie en ellende dus sinds mijn achttiende doe ik maar net alsof Kerstmis niet bestaat.''

5 EER UW VADER EN UW MOEDER

,,Ik zal nooit het moment vergeten waarop ik Bordewijks 'Karakter' onder ogen kreeg. Ik was zestien jaar en ik las dat Jacob Willem Katadreuffe zijn vader haatte. Dat staat er niet met zoveel woorden, maar toch . . . voor mij betekende het de legalisering van mijn eigen gevoelens. Je gaat acuut je vader haten, je tegen hem verzetten. En het boek leverde ook een zeker begrip voor mijn vader op want ook hij wilde mij, net als de vader van Katadreuffe, de keel dichtknijpen en 'een procent asem laten' opdat ik een man zou worden. Hij sloeg mij hard en vaak. Hij leerde mij lezen en schrijven. Zestien uur per dag hield hij zich met mij bezig. Als kind dacht ik dat ik slaag verdiende; ik was geen slachtoffertje, maar iemand die met zijn handen in de zij stond af te wachten tot hoever hij kon gaan. Ik was tien toen hij doodging en zag zijn vertrek als de hoogste vorm van verraad. Ik miste zijn dwingende aanwezigheid, maar ging ook zijn dwaasheid doorzien. Op mijn achttiende voelde ik alleen die haat nog. Ik dacht: sterf twintig keer de moord, klootzak. Daarom gebruik ik sindsdien mijn moeders naam en niet die van mijn vader. Tot die tijd heette ik Ad Mulder. Ik heb door mijn achtergrond ook geen kinderen. Nooit aangedurfd. Veel te bang dat ik mijn kinderen óók zou slaan, want die drift - genetisch of als voorbeeld - zit ook in mij. Het heeft mij veel moeite gekost om over die slechte start heen te komen, maar het is mij, met allerlei hulp, wel gelukt. Ik weet nu - oud en wijs geworden - dat ik ook van hem heb gehouden. Maar eren? Nee. Hij heeft mij ook niet geëerd. Ik moet hier nog bij opmerken dat mijn vader op jonge leeftijd zijn vader is verloren en mijn moeder heel jong haar moeder is kwijtgeraakt. Zij komen voort uit onvolledige gezinnen en hebben al vroeg ervaren hoe hard het is om kind te zijn.

Mijn moeder is nu negentig. Zij is een overlever. Ze moet voort. Mijn moeder gelooft in reïncarnatie. Daarom kan ze alles wat zij in haar leven heeft meegemaakt aan: twee kerels dood, twee dochters dood. . . Ze denkt: dit is de taak die ik moet volbrengen want als ik het nu niet doe, moet ik het de volgende keer overdoen. Ik vind dat wel een mooie levenshouding. Nu mijn moeder zo oud is, kan ik haar eren. Ik vind het leuk dat ik een moeder heb met wie ik nog van gedachten kan wisselen en met wie ik woordenwisselingen heb over de politiek. Zij is buitengewoon goed bij de tijd, volgt de Nederlandse literatuur op de voet en haalt alles op charmante wijze door elkaar. Ze leest mijn werk met veel interesse. Ik geloof dat zij 'Nathan Sid' wel een lief boekje vond. Over 'Dubbelliefde' zegt ze, heel dapper, dat er prachtige stukken in staan, maar dat niet alles haar bevalt. Ik weet niet of ik mijn boeken aan mijn vader had durven geven. Als hij was blijven leven, zou ik waarschijnlijk geen schrijver zijn geworden. Misschien had ik mij nooit van hem kunnen losrukken. Nu krijgt alles een plaats. Nu praat ik met hem. Maar hij is niet dezelfde vader meer. Ik heb hem, al schrijvende, veranderd. Als hij hier binnen zou wandelen, zou ik hem niet herkennen.''

6 GIJ ZULT NIET DOODSLAAN

,,Ja, mooi gezegd. Ik heb een paar weken in Mozambique rondgezworven toen daar een oorlog woedde en ik ben die beelden nog steeds niet kwijt. Kinderen van tien die met een AK 47 door het land trekken en zo overtuigd zijn geraakt van hun eigen inferioriteit - ze hebben bloed gedronken, de hutjes van hun eigen ouders in de fik gestoken - dat ze denken dat er eigenlijk niets anders op zit dan slecht te zijn en killers te worden. Ik kan nu makkelijk zeggen dat ik niet zal doden, maar ik ben nog nooit in zo'n situatie terechtgekomen. In Burundi is doden meer een dagelijkse bezigheid dan hier.''

,,Maar ik geloof niet dat ik een talentvolle moordenaar ben. Ik heb eens een halfuur lang, met tranen in de ogen, geprobeerd de kop van een vis af te snijden. En ik kon het niet. Natuurlijk, ik heb wel eens iemand dood gewenst - ik zou mij onmiddellijk moeten laten opnemen als dat níet het geval was. Ik ben wel eens gepasseerd door iemand die zó dolzinnig reed, dat ik dacht: ik zou niet erg vinden als ik jou twee bomen verder als rode prak nog tegen de bast zou zien. Even een slechte gedachte. Verder gaat het niet. O wacht, ik heb eens één keer een vriendin nuchter geslagen toen zij dronken op het balkon zat en niet naar binnen wou. Een klap in haar gezicht. Maar dat was een medische klap. Dat telt niet.''

7 GIJ ZULT NIET ECHTBREKEN

,,Ik vind het zo onbegrijpelijk dat ik nog steeds alleen ben want ik ben zo'n gezellige man. Ik vind het enig om bloemen te kopen, cadeautjes mee te nemen en voor iemand te zorgen - maar op één of andere merkwaardige manier is het mij niet gelukt. Ik had graag een vrouw gehad - ik kan ook een man beminnen, maar ik ben meer biseksueel in theorie dan in praktijk - een paar kinderen en een hond, maar ik heb voor andere zaken gekozen. Ik kan het verleden de schuld geven en zeggen dat ik met veel wantrouwen ben opgevoed, maar dat is natuurlijk niet het enige. Het zit ook in mijzelf, in het heden. Te bang geweest voor binding, te bang voor wat er allemaal van mij werd verwacht. En ik heb mijzelf er niet geschikt, niet waardig genoeg voor gevonden. Tja, zo is 't gelopen. Treurig, vind ik ook. Maar dit is het eerlijkste antwoord dat ik kan geven.''

8 GIJ ZULT NIET STELEN

,,Ik heb als kind veel gestolen. Voornamelijk om de vijanden van mij af te houden. Ze moesten mij altijd hebben. Ik was een sproetig jongetje met een grote mond - misschien heb ik het wel uitgelokt. Van mijn schoolgeld, een kwartje per week, kocht ik dropveters waarmee ik de twee jongens Janssen, die mij iedere dag belaagden, kon pacificeren. En op een dag heb ik vijf gulden uit mijn moeders portemonnee gepikt waarvoor ik vijftig rollen drop kocht die ik op het schoolplein uitdeelde met de mededeling dat mijn oom directeur van de Faam-fabriek was. Een nogal doorzichtig verhaal dat ervoor heeft gezorgd dat ik mij nóg schuldiger ging voelen. Ik had niet alleen gestolen, maar ik had ook een zwak toneelstuk opgevoerd. Behagen en tegelijkertijd door de mand vallen; dat is dubbel beschamend. Maar ik móest iets doen, want vechten kon ik niet. Later ging ik toneelspelen en schrijven voor de schoolkrant. Ik kwam, zoals Ter Braak zo mooi heeft beschreven, van 'het koninkrijk van de spieren in het koninkrijk van de geest'. Daar was ik zelf de baas.''

9 GIJ ZULT GEEN VALSE GETUIGENISSEN SPREKEN TEGEN UW NAASTE

,,Ik ben opgevoed met sterke verhalen. Gefantaseerde, toegedekte, geleende verhalen. Aan de ellenlange rijsttafels vertelden ooms en tantes - die helemaal geen ooms en tantes waren - steevast over olijke avonturen, beleefd in het jappenkamp waardoor je ging denken: nou, tegen zo'n vakantiekolonie kan de Vrijzinnige Christelijke Jeugdcentrale beslist niet op! En die verhalen veranderden voortdurend. Ik heb ooit mijn moeder een paar uur lang geïnterviewd. Gewoon, voor mezelf: materiaal. En ik heb gemerkt hoe zij plekken door elkaar haalt, drie jaar ineenschuift tot een enkel jaar; aan geheugenbedrog lijdt. Het geheugen is een korstje. Als iets te veel pijn doet, komt er een roofje overheen. Soms moest ik iets lospeuteren. Dan belde ik haar op en zei: 'Wat betekende dat woord? Weet je dat nog?' 'Ach nee', antwoordde mijn moeder, 'het is allemaal zo lang geleden.' 'Doe je ogen eens dicht', zei ik, 'en denk eens aan die plek, aan die persoon.' En dan nam ik haar mee naar het verleden, tot de eerste, afstotende herinnering weer bovenkwam. Soms is het toegedekte verhaal een waar verhaal geworden. Dan geloof je in je eigen leugens. Zo is een zeer geboeide lezeres sibbenkunde gaan plegen op mijn familie en kwam erachter dan dat mijn vaders overgrootvader met een inlandse vrouw getrouwd is geweest. Dat verklaart die lichtgele 'familie-kleur'. Niks, Italiaans bloed - zoals mijn vader altijd zei. Zou hij meegepraat hebben met die leugen? Of was hij zelf al slachtoffer van een leugen? Dat zijn dingen die mij interesseren en die misschien ook wel de kern van het schrijven in zich hebben want ik merkte zelf - toen ik per ongeluk journalist werd - dat een zin al een stuk beter liep als ik mij niet helemaal aan de waarheid hoefde te houden. De grammatica van de fantasie loopt beter dan die van de strikte feiten.''

10 GIJ ZULT NIET BEGEREN UWS NAASTEN HUIS; GIJ ZULT NIET BEGEREN UWS NAASTEN VROUW, NOCH ZIJN DIENSTKNECHT, NOCH ZIJN DIENSTMAAGD, NOCH ZIJN RUND, NOCH ZIJN EZEL, NOCH IETS DAT VAN UW NAASTE IS

,,Ik heb van één eigenschap nooit last en dat is jaloezie. Misschien ben ik er wel zo bang voor dat ik in het andere uiterste ben doorgeschoten: ik ben iemand die geweldig bewondert. Maar wie ondervindt daar nu hinder van? Ik wil wel graag navolgen; als mijn interviewer mooie sokken draagt, wil ik onmiddellijk weten waar ik die dingen kan kopen. Ik ben een materialist, ook al probeer ik het niet te zijn. Ik heb een ingewikkelde verhouding met materie: ik vergaar het en doe er net zo gemakkelijk weer afstand van. Ik ben negentien keer verhuisd. Ik heb huizen gekocht, opgeknapt en - vaak met veel verlies - weer verkocht. Een grote, zorgvuldig opgebouwde Reve-verzameling heb ik om onbegrijpelijke redenen voor weinig van de hand gedaan. Voordat iets de kans krijgt volledig, heel of klaar te zijn, breek ik het weer af. Daar heb je het weer: ik heb grote problemen met hechten. O zeker, jaren van therapie en analyse hebben mij geholpen maar een mens is net een oud huis: je blijft eraan werken. Je lapt de boel op, maar na een paar jaar begint alles alweer te bladderen en te scheuren. Het zal toch nooit zo zijn in het leven dat je kunt zeggen: nu ben ik helemaal klaar. Ik ben elke dag bezig, geloof het of niet, mezelf te corrigeren. Het enige wat ik nog begeer is een goed pensioen. Ik ben als de dood om arm oud te worden. Het eerste woord dat ik als kind hoorde was pensioen. Pensioen, pensioen, pensioen. Mijn vader had geen pensioen, mijn moeder moest vijf jaar vechten voor het pensioen van haar eerste man. Ik heb alles gedaan om het pensioen te bereiken en toch ben ik bang voor het ongewisse. Ik heb allerlei obstakels in mijn leven opgeruimd om vrede te vinden met mijn bestaan en daar wil ik nu van gaan genieten. Getroffen worden door een kleine beroerte helpt bijzonder, moet ik zeggen. Alle nobele dingen - ik zat in een groot aantal goede-doelenclubs - heb ik opgezegd. Wat overblijft is schrijven, lezen, vriendschap en liefde. En deze vier zijn mij genoeg.''

Deel dit artikel