Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De Masoreten wisten meer dan wij

Home

K.A.D. SMELIK

Getallen en de Bijbel, een thema dat een opvallende aantrekkingskracht uitoefent op exegeten. Er zijn vele manieren om voor die verleiding te bezwijken. Maar wie er aan toegeeft, moet zich wel aan de regels houden.

Zo bestaat in de joodse bijbeluitleg de methode van de gematria. Om deze te begrijpen, moet men weten dat de letters van het Hebreeuwse alfabet ook als cijfers kunnen dienen. De alef is tevens een 1, de bet een 2. Dat wil zeggen dat men woorden ook als getallen kan lezen en met die getalswaarde kan goochelen.

Naast gematria kan men gaan vorsen naar de bijzondere betekenis die aan in de bijbel voorkomende getallen moet worden gehecht. Soms is deze betekenis er door de bijbelschrijver zelf aan gegeven; als er bijvoorbeeld in de bijbel sprake is van het getal twaalf, kan dat een verwijzing naar de twaalf stammen van Israël zijn.

Men kan ook getallen ontdekken door woorden in een bijbeltekst te tellen. Zo is er een wetenschappelijk onderbouwde methode om bijbelpassages te structureren door te kijken hoeveel woorden binnen een afgebakend tekstgedeelte voorkomen. Dit is de zogeheten numerieke structuuranalyse, ontwikkeld door de Groningse emeritus-hoogleraar C. J. Labuschagne. Hij schreef hierover onder andere het boek Vertellen met getallen (1992). Zijn methode is uitgewerkt door zijn leerling H. Nobel, die hierop in 1993 promoveerde (Gods gedachten tellen).

Naast Labuschagne en zijn leerlingen zijn ook anderen in Nederland met vergelijkbaar onderzoek bezig, bijvoorbeeld J. Smit Sibinga, M. J. J. Menken en ook Maartje van Tijn, een produktief schrijfster die onder meer een aantal boeken over de joodse bijbeluitleg (midrasj) en een boek met herinneringen aan de oorlog op haar naam heeft staan.

Zich kennelijk niet bewust dat ook anderen met deze materie bezig waren, heeft Maartje van Tijn zelf een systeem ontwikkeld, daarbij gesteund door ds. D. Nicolai. In hun eerste boek hierover (Belofte en Catastrofe uit 1977) stellen de auteurs vol vertrouwen, dat na hun ontdekking alle dubbelzinnigheid bij de verkondiging voorgoed voorbij is. Dat bleek ijdele hoop. Desondanks ging Van Tijn daarna verder met het uitwerken van haar systeem. Nog twee boeken verschenen: Het boek van goed en kwaad, over Genesis 2-4, en Wees niet wanhopig, over Genesis 1 en Psalm 1.

Voor een nieuw boek over de Esther-rol kon zij geen uitgever vinden, maar dat mag geen reden zijn het niet tegen het licht te houden, al was het maar vanwege het boeiende van het onderwerp.

Perikoop

Wat houdt de methode-Van Tijn in? Zij beschrijft deze zelf als volgt: Het bijbelse verhaal valt, als ieder verhaal, uiteen in alinea's, hier perikopen genoemd. Elke perikoop valt te verdelen in subperikopen. En steeds laten zich meerdere perikopen samenvoegen tot een heel grote perikoop, een zogenaamd superperikoop; superperikopen tot een afdeling, afdelingen tot een verhaal.

Alle perikopen, subperikopen, superperikopen, afdelingen en het verhaal worden onveranderlijk gekenmerkt door een zeker aantal theologisch geladen sleutelwoorden en bovendien door een kernzin of kernwoord, een zinsnede, die precies en woordelijk in het midden van de alinea staat. Zetten wij de sleutelwoorden en kernwoorden naast elkaar, dan is het mogelijk veel te begrijpen van de verkondigende bedoeling van de gewijde schrijver.

Het klinkt mooi, maar er zijn minstens drie wezenlijk zwakke punten in haar theorie aan te wijzen. Ten eerste is het bij deze en ook andere numerieke methoden van cruciaal belang te beschikken over een originele Hebreeuwse bijbeltekst, zoals de bijbelschrijver die al tellende zou hebben opgesteld. Immers, een kleine afwijking (een woordje te veel of te weinig) kan reeds een belangrijke verstoring van de telling opleveren. Zo'n tekst is er echter niet. Ons oudste complete Hebreeuwse bijbelhandschrift, de zogenaamde Codex Leningradensis, stamt uit 1008. Dat wil zeggen duizend tot vijftienhonderd jaar later dan de tijd van de bijbelschrijvers.

Uit de vondsten bij de Dode Zee is gebleken, dat er omstreeks het begin van de christelijke jaartelling nog diverse versies van de Hebreeuwse bijbel in omloop waren, met niet geringe onderlinge verschillen. Nobel lost dit probleem op door zich strikt aan de Codex Leningradensis te houden. Van Tijn heeft echter maar een beperkt vertrouwen in dit handschrift, zoals wij nog zullen zien, en komt daardoor noodgedwongen in een veel vroegere periode terecht, toen er nog geen definitief vastgestelde bijbeltekst was. Daarmee wordt exact telwerk echter in feite onmogelijk.

Het tweede zwakke punt is Van Tijns symbolische duiding van de getallen, in eerste instantie geïnspireerd op een liedje van de Seidertafel: èchad mi jode a? - één, wie weet dat? Temidden van meer voor de hand liggende verklaringen vinden wij hier duidingen als: 11 is het gekkengetal en 13 is het ongeluksgetal, verklaringen die eerder aan het hedendaags spraakgebruik zijn ontleend dan aan bijbelse gegevens.

Onmatigheid

Opmerkelijk is dat de kerngetallen uit de analyse van Labuschagne en Nobel, namelijk 17 en 26, geen rol spelen bij Van Tijn, terwijl in de numerieke structuuranalyse het getal 11, als combinatie van 7 (het getal van de volheid) en 4 (het getal van uitgebreidheid), geldt als het getal van de vervulling. Dat is precies tegengesteld aan wat Van Tijn er van maakt, die 11 omschrijft als het getal van de onmatigheid: het getal van de mens die meer wil hebben dan hij in zijn beide handen met de tien vingers kan dragen. In het liedje èchad mi jode a? staat elf trouwens voor de sterren in de droom van Jozef!

Een derde bezwaar - Labuschagne wijst er ook op - is dat Van Tijn de perikopen zelf afbakent, en daarbij geen rekening houdt met de overgeleverde indeling van de Hebreeuwse tekst, zoals de Masoreten die hebben aangebracht.

De Masoreten zijn joodse bijbelgeleerden die in de negende eeuw hebben gewerkt aan het tot stand brengen van een Hebreeuwse standaard-bijbeltekst, waarin niet alleen de medeklinkers (zoals in de tijd daarvoor), maar ook de klinkers, lees- en accenttekens worden weergegeven. De Codex Leningradenis gaat op hun arbeid terug. Aan het einde van elk vers hebben de Masoreten een teken gezet. Zo voegden zij ook tekens in om kleinere en grotere eenheden in de tekst af te bakenen.

Steeds meer exegeten zien de grote betekenis van deze Masoretische indeling van de bijbeltekst in. Men moet wel zeer sterke argumenten hebben om van hun indeling in perikopen af te wijken. De Masoreten hadden immers beschikking over (mondeling) overgeleverde kennis, die wij node missen. Om de indeling van de Masoreten af te doen met de veronderstelling dat we er zeker van kunnen zijn, dat de Masoreten niets méér wisten van de indeling in perikopen, zoals Van Tijn doet, brengt de lezer op vreemde vragen: Wisten de Masoreten hier mogelijk niets van, omdat deze indeling pas aan het einde van de twintigste eeuw door Maartje van Tijn zou worden uitgevonden?

Wanneer wij kijken welke rol Van Tijns perikopensysteem in haar exegese speelt, kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat van een zekere willekeur sprake is. Om een voorbeeld uit haar nieuwe studie naar de Esther-rol te geven: wanneer Mordechai Esther nogmaals wil aansporen tot een actie tegen Haman, stuurt hij haar een boodschap (Esther 4:13-14). In Mordechai's woorden laat de bijbelschrijver hier even iets zien van de verborgen bedoeling van zijn verhaal. Het gaat dus om een zeer cruciale passage in het boek. Maar volgens Van Tijns indeling behoort vers 13 bij de ene perikoop en vers 14 bij de volgende. Zij splitst zo de boodschap van Mordechai in tweeën. Volgens de Masoretische indeling echter begint het nieuwe gedeelte reeds bij vers 13, daar dus waar Mordechai opnieuw een boodschap naar Esther stuurt. En dat is terecht, want wat Mordechai in vers 14 laat zeggen, is een vervolg op zijn dreigende woorden in vers 13. Door de tekst te splitsen, zoals Van Tijn doet, raakt dit verband zoek.

Elohiem-supergod

Van Tijn is er nog steeds van overtuigd dat zij de bedoeling van de gewijde schrijver heeft achterhaald. Zelf denk ik dat de bijbelschrijvers zeer verbaasd zouden staan, als zij in Van Tijns boeken zouden lezen dat zij in hun eigen boek God als elohiem aanduiden, omdat zij daarmee zouden hebben willen aangeven dat God man en vrouw ineen zou zijn. Kennelijk schort het bij Van Tijn aan kennis van het bijbels Hebreeuws. Het woord elohiem is naar de vorm wel een (mannelijk) meervoud, maar functioneert in dit soort gevallen vrijwel steeds als een mannelijk enkelvoud: er wordt gesproken over elohiem en Zijn daden.

Als elohiem werkelijk een Goden-/Godinnennaam zou zijn, zoals Van Tijn beweert, zou daarvoor in het Hebreeuws niet het meervoud maar eerder een andere vorm, de dualis (tweevoud), zijn gebruikt.

De schijnbare meervoudsvorm elohiem (te onderscheiden van de echte meervoudsvorm elohiem, goden, die ook voorkomt) is niet een poging om van God een dubbelgeslachtelijk wezen te maken, maar een grammaticaal middel om de overtreffende trap aan te duiden: zoiets als supergod dus. Voor een vrouwelijke pendant van Israëls God zal men niet in de bijbel, maar in de buiten-bijbelse teksten moeten zoeken. De bijbelschrijvers doen juist alle moeite het bestaan van die godin voor de lezer te verbergen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Deel dit artikel