Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De man en zijn oorlog

Home

MARTIN BOSSENBROEK

Tot mijn spijt zie ik mij genoodzaakt mijn verhaal te beginnen met een wellicht schokkende mededeling. Ik moet bekennen dat ik na lezing van Herman Langevelds biografie van Hendrikus Colijn, meer in het bijzonder het eerste deel over diens activiteiten als officier van het Indische leger, niet geschokt was - en nog steeds niet ben.

Ook niet over de passages die de laatste dagen zo'n stof hebben doen opwaaien in de media, te beginnen met het actualiteitenprogramma NOVA dat vorige week al in zijn vooraankondiging de onheilspellende toon zette: 'Colijn gaf bevel vrouwen en kinderen af te slachten'.

Trouw had het over 'het soort wandaden dat tegenwoordig als oorlogsmisdaden wordt aangemerkt'. NRC Handelsblad reserveerde een prominente plaats voor de kop 'Colijn beval op Lombok executie vrouwen, kinderen'. De Volkskrant volgde met een interview waarin de auteur de voor een doorgaans bedachtzaam historicus grensverleggende uitspraak in de mond werd gelegd dat Colijn 'naar de maatstaven van het hedendaagse Joegoslavië-tribunaal... een oorlogsmisdadiger' zou zijn geweest. Als de auteur heeft willen voorkomen dat hem, net als de schrijver van de recente Wilhelmina-biografie, voor de voeten zou worden geworpen dat hij verliefd is geworden op z'n hoofdpersoon, dan is hij daar goed in geslaagd.

Het is duidelijk, Herman Langeveld houdt niet van Hendrikus Colijn; sterker nog, hij vindt hem 'helemaal geen aardige man'. En dan toch niet geschokt? Nee.

Een voor de hand liggende verklaring zou natuurlijk kunnen zijn dat er iets mis is met mijn geweten, dat ik een blinde vlek heb voor wandaden begaan door mannenbroeders in dienst van het Nederlandse koloniale leger. Dat is niet ondenkbaar. Ik heb in ieder geval de schijn tegen.

Ik kom uit een gereformeerd nest, studeerde aan de Vrije Universiteit, ben gepromoveerd op een koloniaal militair onderwerp met de suspecte titel Volk voor Indië en ik werk nu al weer een flink aantal jaren aan de Rijksuniversiteit Leiden, zoals algemeen bekend een bolwerk van neokolonialisme en monarchisme, bovendien in een sectie die zich anno 1998 nog steeds tooit met de negentiende-eeuwse benaming 'Vaderlandse geschiedenis'.

Wel, verder commentaar overbodig; ware dit een rechtszitting, dan kwam mr. Moszkowicz niet eens uit zijn bankje om deze getuige-deskundige te ontmaskeren als een tot misplaatste loyaliteit gepredestineerde en in huichelachtige gezagsgetrouwheid geknede agent-provocateur. Gelukkig is er geen rechtszitting en ben ik in de gelegenheid de schijn van vooringenomenheid dan wel gewetenloosheid weg te nemen, en uit de doeken te doen waarom ik met droge ogen heb kennisgenomen van ook de zeg maar 'krachtigste handelingen' in Dit leven van krachtig handelen.

Twee redenen kan ik daarvoor aanvoeren, ze luiden heel simpel: de man en zijn oorlog. Eerst de oorlog in kwestie. Colijns loopbaan in dienst van het koloniale leger en het koloniale bestuur besloeg de jaren 1893-1909, grofweg de periode die vroeger zo eufemistisch werd aangeduid als de 'pacificatie' van 'ons Indië', maar die tegenwoordig toch vooral bekendstaat als de militaire fase bij uitstek in de Nederlandse koloniale geschiedenis, de periode waarin onder het banier van de ethische politiek met ongeremd wapengeweld het feitelijke gezag werd gevestigd tot in alle uithoeken van de Indische archipel.

Een koloniale oorlog dus, of beter gezegd een hele reeks koloniale oorlogen, met steeds wisselende tegenstanders, maar van Nederlandse kant gevoerd met ijzeren consistentie: wie zich niet goedschiks onderwierp, kreeg het kwaad te verduren. Die kreeg te maken met het in deze jaren ontketende Indische leger, waarbinnen vooral de eenheden van het Korps Marechaussee zich een huiveringwekkende reputatie van genadeloosheid verwierven.

De koloniale oorlogen die Nederland rond 1900 in de Indische archipel voerde, waren échte oorlogen, waarin systematisch onverbiddelijk werd opgetreden, waarin gruwelijkheden aan de orde van de dag waren.

Laat ik u niet vermoeien met opsommingen, laat ik me concentreren op het oorlogsterrein waar Colijn in 1894 als jong officier kennismaakte met de koloniale krijg, waar hij zijn vuurdoop kreeg, waar onder zijn bevel vrouwen en kinderen werden geëxecuteerd, en waarover nu de meeste commotie is ontstaan: Lombok. Wie Lombok zegt, zegt 'het verraad van Lombok'.

In de nacht van 25 op 26 augustus 1894 werden Nederlandse kampementen op het eiland, bij Tjakra Negara en Mataram, onverhoeds aangevallen door troepen van de Balinese radja van het eiland. Onder de Nederlandse militairen vielen een kleine honderd doden en honderden gewonden. De overlevenden trokken zich halsoverkop terug op hun strandbivak, bevelvoerend generaal J. A. Vetter was de geestelijke ineenstorting nabij en adviseerde Batavia dat de expeditie maar moest worden gestaakt. Maar daarvan kwam niets terecht, integendeel. Zowel in Indië als in Nederland veroorzaakte het telegrafisch doorgedrongen nieuws van 'het verraad' een ware schokgolf - een echte, geen media-hype, maar werkelijke nationale verslagenheid.

Het Lombok-echec werd beleefd als een nationale ramp, die al snel een elektriserende werking bleek te hebben. Uit de eerste verbijstering en verslagenheid welde een golf van militant nationalisme op, die, vervolgens geprojecteerd op Atjeh en de strijd tussen Boer en Brit in Zuid-Afrika, nog enkele jaren zou aanhouden en de Nederlandse samenleving in een voor ons onherkenbaar agressieve, oorlogszuchtige stemming bracht. Leest u er mijn Holland op zijn breedst. Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur omstreeks 1900 (uitgeverij Bert Bakker, 1996) maar op na.

Krijgslust, wraakgevoelens leefden even sterk in Indië zelf. In de eerste plaats bij de bestuurlijk verantwoordelijke gouverneur-generaal C.H.A. van der Wijck. Hij was de initiatiefnemer van de expeditie naar Lombok geweest en accepteerde geen smadelijke aftocht. Niet alleen zijn eigen geloofwaardigheid, maar ook het nationale prestige stond op het spel. Hij riep de uit het veld geslagen Vetter telegrafisch tot de orde, stuurde hem versterkingen en verstrekte hem nieuwe instructies: 'onderwerping vijand kan niet dan op genade of ongenade worden aangenomen'. Oftewel, met minder dan onvoorwaardelijke overgave nam de gouverneur-generaal nu geen genoegen meer.

Het vervolg was opmerkelijk. Vetter greep de onverwachte herkansing met beide handen aan. Hij herstelde zich van zijn inzinking en voerde zijn troepen aan in een bloedige wraakactie. Binnen drie maanden waren Mataram en Tjakra negara na hevige gevechten ingenomen en verwoest, de radja verbannen, diens rijkgevulde schatkamer tot de bodem toe leeggehaald. Het 'verraad' was gewroken en Vetter viel in 1895 zelfs een heldenontvangst ten deel in het moederland.

Al op 6 september werd de tegenaanval ingezet, die het karakter kreeg van een systematische vernietigingscampagne. 'Na het voorgevallene' wilde Vetter 'vóór alles zelfs de kans van een echec vermijden'. De man die voordien nog wel eens was geprezen om 'zijn humaniteit', liet de opmarsroutes naar Mataram en Tjakra negara volledig ontdoen van alle mogelijke 'obstakels': versterkingen, tempels, maar ook hele kampongs konden nadien op de stafkaarten worden omgedoopt tot 'geraseerd terrein'. Wat voor gruwelijke taferelen achter die term schuilgingen, blijkt bijvoorbeeld uit de beschrijving van de verwoesting van het nabij de hoofdplaatsen gelegen Oost-Pagasangan (ontleend aan het al in 1896 door genie-kapitein W. Cool gepubliceerde De Lombokexpeditie:) “Vele Baliërs hebben zich nog in de woningen verscholen. Onze troepen nemen echter de moeite niet hen daar op te sporen, 't geen hun trouwens nog vele verliezen had kunnen berokkenen; alles wordt aan de vlammen prijs gegeven. De weldra uit duizenden woningen, loodsen en schuren uitslaande gloed verteert alles: huisraad, huisdieren, lijken, levenden...'.

Een tweede citaat betreft het laatste bedrijf van de wraakneming, de aanval op Tjakra negara. Ik citeer het genoemde artikel opnieuw: 'Nadat eerst Tjakra negara 'op waarlijk grootsche wijze van onze posten gebombardeerd' was, zetten zich op 18 november 1894 vier kolonnes in beweging voor de beslissende aanval. Ook hier moest huis voor huis, erf voor erf en dwarsgang voor dwarsgang worden veroverd op de zich wanhopig verdedigende Balinezen. Het was, ook in de woorden van de toch niet kinderachtige kapitein Cool, 'een vreeselijke strijd. Het doet zich voor, dat de mannen zich verbergen onder hunne vrouwen en kinderen, die voor hen om 'ampon' gillen. Maar...de plicht van het zelfbehoud kent hier geen pardon...'.

Passages als deze - nogmaals, dus al in 1896 bekend bij een Nederlands lezerspubliek - laten weinig te raden over. Na 'het verraad' van eind augustus was het optreden van de Nederlandse koloniale troepen op Lombok in de herfst van 1894 geladen met wraakzucht: dit gegeven, gevoegd bij de wetenschap dat er aan de Balinese zijde daadwerkelijk vrouwen en kinderen meevochten, is de verklaring voor de niets- of niemandontziende vergeldingsacties.

Begrijp me goed, dat is geen vergoelijking, dat is een constatering. Op Lombok werd in 1894, net als later op Atjeh en elders in de archipel, een onverbiddelijke koloniale oorlog gevoerd. En onverbiddelijke koloniale oorlogen, dat leer je wel uit de talloze rapporten en ooggetuigeverslagen die daarvan bewaard zijn gebleven, zijn nu eenmaal gruwelijke oorlogen. In de Nederlandse kolonieën evengoed als in de Engelse, Franse, de Duitse en de Belgische. Daarin wordt gemoord, gemarteld, verkracht en platgebrand, daarin worden grenzen van menselijkheid voortdurend overschreden, daarin worden de maatstaven van het huidige Joegoslavië-tribunaal systematisch met voeten getreden.

En dan de man, Colijn zelf. Over hem kan ik eigenlijk vrij kort zijn. Wie de bestaande literatuur over Colijns Indische jaren kent - en die literatuur kent Langeveld als zorgvuldig biograaf zonder meer - kan eigenlijk nauwelijks verbaasd opkijken van de nu voor het eerst officieel aan Colijn toegeschreven gruwelen.

Laat ik dat illustreren met enkele citaten, afkomstig van Colijn, en al tientallen jaren geleden opgenomen in de literatuur. In de zogeheten nota-Colijn uit 1904 noemt deze het bijvoorbeeld onvermijdelijk dat in een guerilla ook vrouwen en kinderen omkomen: “Als we niet zouden kunnen vuren omdat er vrouwen bij een bende of op een ladang (rijstveld in een bos) waren, dan konden we even goed thuisblijven en ons de moeite van zeer zware marschen en de voortdurende daaraan verbonden ontberingen besparen.” Over de rol van de aanvoerder in het junglegevecht vermeldt dezelfde nota het volgende: “Het is onmogelijk elke uitspatting tegen te gaan”, omdat de colonnecommandant altijd vooraan moet zijn. “Wat achter hem gebeurt, mag hem slechts matig boeien en daardoor kan hij er nooit aansprakelijk voor zijn, indien de zonde der moordzucht die bij enkele zijner weinig beschaafde ondergeschikten uit in het afmaken van een gewonden vijand.”

Het beeld dat uit deze en andere unverfroren uitspraken oprijst, is dat van een genadeloos militair, die ervan overtuigd is dat humanitaire overwegingen in de koloniale oorlog geen rol mogen spelen, omdat ze het eigen leven en dat van de rest van de troep in gevaar kunnen brengen, een militair kortom die oorlog voert volgens de wetten van de jungle: doden of gedood worden. Toen ik in Langevelds biografie las dat Colijn deze wetten zelf in praktijk had gebracht, verbaasde mij dat niet, schokte mij dat evenmin. Sterker nog, na lezing van de passage waarin Colijn zich naar eigen zeggen omdraait om een sigaar op te steken, in de wetenschap dat dit het doodvonnis betekent voor 'negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen' betrapte ik mezelf op een zacht 'zie je wel; et tu, Hendrike; ook gij, Colijn'. Langevelds 'onthullingen' ondermijnen dus niet het beeld van de militair Colijn, ze bevestigen en versterken het.

Deze constatering brengt mij terug bij het begin van mijn verhaal: de Lombok-koorts die zich naar aanleiding van deze biografie meester lijkt te hebben gemaakt van de media. Zoals gezegd, had ik aanvankelijk een heel ander verhaal, waarin de Lombok-wreedheden ook wel voorkwamen, maar waarin ook ruimschoots aandacht werd besteed aan de vele andere wetenswaardigheden die Langeveld over de tropenjaren van Colijn heeft opgedolven.

Ik kan u verzekeren, daar zijn heel onverwachte inkijkjes bij in het persoonlijke leven van deze houwdegen, persoonlijke details die over zijn latere leven veel minder voorhanden zijn, en die naar mijn idee juist de meerwaarde van dit eerste deel uitmaken. Maar helaas, ook ik ben uiteindelijk bezweken aan de Lombok-koorts. Ik vond dat ik moest reageren op de vrijwel exclusieve en mijns inziens buitenproportionele aandacht in de media voor die paar pagina's uit een boek van bijna vijfhonderd bladzijden. Maar jammer vind ik het wel. Het lijkt wel, gezien het vergelijkbare mechanisme bij andere recente publicaties over het vaderlandse verleden, ook steeds meer een trend te worden. Voor de gedurfde visie, de verklarende context, de complexe samenhang is beduidend lastiger publicitaire aandacht te vinden dan voor het naakte, liefst ranzige feit, de gewelddadige ontsporing, de makkelijke toepassing van hedendaagse morele normen op het 'foute' verleden.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie