Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De levenslessen van sociologe Jolande Withuis: vrijheid van denken is het allerhoogste

Home

Ally Smid

Jolande Withuis © Merlijn Doomernik
levenslessen

Na haar succesvolle biografie over Juliana zoekt socioloog en schrijver Jolande Withuis (67) het dichter bij huis: ze is bezig met een boek over de relatie met haar vader, die in 2009 overleed. Haar communistische jeugd voelde verre van veilig.

Les 1: Ga wonen waar het goed voelt

Lees verder na de advertentie

“In Amsterdam behoorde ons gezin in de jaren vijftig tot een politieke groep die de vijand was. Ik besefte als kind altijd: ons moeten ze hebben, wij horen er niet bij. Bij mijn ouders ging het over politiek, maar in Zutphen, waar mijn gereformeerde oma Withuis woonde, was het gewoon gezellig. Ik vond het heerlijk om daar in de schoolvakanties te zijn. Daar was ik niet angstig op straat, daar kon ik kind zijn. Maar ik wist: in Zutphen hoor ik het niet verrukkelijk te vinden, dat is niet waar het in het leven om gaat. Toch zei ik altijd: ‘Later ga ik in Zutphen wonen’ - pas op mijn 53ste heb ik het echt gedaan.

Ik ben ook in Zutphen geboren. Toen ik één was, in 1950, werd mijn vader overgeplaatst naar Amsterdam. Hij was als journalist chef Noord- en Oost-Nederland van het communistische dagblad De Waarheid, dat na de oorlog de grootste krant van Nederland was. Hij moest op het hoofdkwartier komen werken. Zo werd ik een koudeoorlogskind in Amsterdam. Wij werden als gezin buitengesloten, mijn vader had geen paspoort, dat kregen veel communisten niet. Wij konden dus niet naar het buitenland, en we waren straatarm. De geheime dienst BVD hield ons in de gaten en was een continue aanwezige in ons hoofd. Tegen de meester mocht ik niet zeggen waar mijn vader werkte, want dan zou ik niet op een goede middelbare school kunnen komen.

Amsterdam associeer ik nog steeds met mijn jeugd, ik heb er ook mijn man Tom opgedaan en heb het er fijn gehad, maar in de jaren negentig werden mensen er overassertief, en agressief in het verkeer. Ik was er laatst nog om een lezing te geven, dat was heel leuk, maar daarna viel mij in een café weer die houding op waarmee je bediend wordt, gewoon onaardig. En in de tram, kinderen die niet opstaan voor een invalide, terwijl hun ouders naast hen zitten. In Zutphen vragen ze op de markt of mijn boek al af is. ‘Vorige week was je man er, jij moest zeker veel schrijven?’ zeggen ze dan. Dat vind ik aandoenlijk.”

Communisten werden trouwens veel meer buitengesloten dan moslims nu. Er kwam voor hen echt niemand op

Les 2: Solidariteit is een vals begrip

“Weet je wat de levenslessen waren die mijn vader mij meegaf? Niet schrikken: ‘Ga in een café tegen de muur zitten met je gezicht naar de uitgang, dan schiet niemand je in je rug.’ En: ‘Honger kun je bestrijden met water, en shagjes kun je draaien van krantenpapier.’ Ik ben nu bezig met een boek over ons. Hoe het was om in Nederland communist te zijn had ik wetenschappelijk al aan alle kanten uitgezocht voor mijn proefschrift. En nu mijn biografie over Juliana af is, kan ik het niet laten die vader-dochter-relatie uit te pluizen.

Toen mijn vader acht jaar geleden overleed, kwam ik erachter dat ik zo weinig van hem wist. Hoe had hij die communistische tijd ervaren? En wie was hij als persoon? Hoewel persoon… Zijn schaakvriend Hans Ree schreef na mijn vaders dood dat die nooit ‘ik’ over zichzelf zei, maar altijd ‘het genie Withuis’. Nooit jezelf als persoon serieus nemen, waarmee je dus een enorme afstand schept. Het is lastig een vader te hebben die geen subject wil zijn. En dat opgroeien in de Koude Oorlog - het treft me nog steeds meer dan ik had gedacht.

Ik denk dat moslimkinderen er ook wat aan kunnen hebben: het thema van de valse solidariteit met het geloof van je ouders, met ‘buitengeslotenen’. Ik vermoed dat veel van zulke kinderen van zichzelf niet kritisch mogen zijn op de islam omdat hun ouders zich buitengesloten voelen. Vul voor ‘de islam’ ‘het communisme’ in en je ziet de gelijkenis. Communisten werden trouwens veel meer buitengesloten dan moslims nu. Er kwam voor hen echt niemand op.

Met mijn vader heb ik het nooit over de gruwelen van Stalin gehad. In 1956 onthulde Chroesjtsjov die misdaden, een rampjaar voor de CPN, want de Russen vielen ook nog Hongarije binnen. Dat moet voor hem iets vreselijks zijn geweest. Zijn hoofdkwartier werd bestormd door woedende anti-communisten, ik moest onder begeleiding naar school en zijn CPN verloor duizenden teleurgestelde leden. Mijn vader is 89 geworden, alle tijd dus zou je zeggen, maar ik heb het er nooit met hem over durven hebben.

Na zijn dood hoorde ik van mijn moeder dat hij toch trots op mij was, maar van hemzelf heb ik dat nooit gehoord. Toen De Waarheid een bak modder over mij uitstortte na mijn kritische proefschrift in 1990 en mijn moeder de krant opzegde, protesteerde mijn vader niet. Bedenk trouwens wel dat mijn ouders elkaar op de redactie van die krant hebben leren kennen, ik dank er nog altijd mijn bestaan aan, haha.”

Door die psychiatrie kwam ik erachter dat het gaat om wat individuen drijft, en dat je theorieën moet verbinden met concrete mensen

Les 3: Zoek een psychiater met engelengeduld

“Ik was dus als kind extreem loyaal jegens mijn ouders. Ik dacht: mijn ouders willen het goede, en toch worden ze vervolgd. Onterecht, leerde ik later door de psychoanalyse die ik tussen mijn 20ste en 30ste onderging. Mijn ouders hadden hun lot natuurlijk zelf gekozen! Het was niet de wereld die mij al dat heftige had aangedaan, het waren mijn ouders. Mijn moeder, die hier in de buurt in een verpleeghuis woont, bood geen tegenwicht tegen mijn vader, nee. Ze was van de flinkheid, en psychische problemen bestonden voor haar niet.

Door mijn psychoanalyse kwam ik er heel langzaam achter dat de mens meer is dan een theorie. Dat gevoelens tellen. Ik wist dat niet. Ik dacht dat iedereen gezond en gelukkig was als je maar de goede politieke theorie aanhing, ik kan het nog steeds bijna niet vertellen. Ik durfde rond mijn twintigste niets meer, ik had allerlei angsten, was voortdurend ziek. Ik durfde niet tot het eind van de straat te lopen. Om beter te worden had ik een psychiater nodig. Maar een communist ging niet naar een psychiater, dat deed je niet. Mijn huisarts Ben Polak zag hoe slecht ik eraan toe was en dwong me ertoe. Hem zij eeuwig dank, hij kende ons milieu van haver tot gort.

De psychiater raadde me aan colleges psychiatrie te volgen in het Wilhelmina Gasthuis, want ik had geen idee van psychische stoornissen. Er ging een wereld voor me open. Professor psychiatrie Piet Kuiper stond daar in een witte jas voor een zaal studenten, samen met een patiënt, een violist die zijn armen niet meer kon bewegen. Met die armen was niks mis, legde Kuiper uit, het zat hem in het brein.

Mijn studie sociologie interesseerde me niet meer, die werd steeds marxistischer. En de studenten ook, terwijl ik juist van dat geloof viel. Door die psychiatrie kwam ik erachter dat het gaat om wat individuen drijft, en dat je theorieën moet verbinden met concrete mensen. Mijn wereldbeeld kantelde.

Die psychiater ging met een engelengeduld mijn hele jeugd af, zo bleek ik me geen enkele verjaardag te herinneren. Die vierden we niet. Als er een schoolfeest was, gingen alle meisjes naar de kapper om hun haar te laten wassen en watergolven. Ik niet, ik zat op wedstrijdzwemmen en ik liet altijd gewoon een rattenkopje knippen. Als ik het mijn ouders had gevraagd, had ik misschien best met die meisjes mee gemogen. Het was een soort zelfcensuur: jezelf verfraaien, daar ging het niet om. Dat weet ik van een gereformeerde vriend ook, hij was strenger in de leer dan zijn ouders. Net als salafistische jongeren, die gaan terug naar de bron, die willen het helemaal goed doen.

Maar die psychoanalyse is wel veertig jaar geleden, ik heb me sindsdien natuurlijk verder ontwikkeld. Ik stak veel op van mijn onderzoek naar verzetsman Pim Boellaard, die uit een totaal ander milieu kwam dan ik: rijk, rechts en gelovig. Hij hield zichzelf geregeld voor om bewust niet te tobben, ook in concentratiekamp Natzweiler en Dachau. Ik ben gaan inzien dat zijn remedie iets anders was dan problemen ontkennen.”

Goed schrijven is iets goed doordenken en het is creatief

Tekst loopt door onder deze afbeelding.

Sociologe Jolande Withuis in Zutphen. © Merlijn Doomernik

Les 4: Schrijven is genieten

“Ik begon met schrijven op mijn dertiende. Ik verslond in die tijd de Prisma-pocket ‘Ellen op ballet’, na school herschreef ik die tot mijn versie: ‘Ellen op de zwemclub’. Heerlijk om te doen. Ik wist intussen dat een fatsoenlijk mens geen artikelen schrijft voor een andere krant dan De Waarheid en geen boeken voor een niet-communistische uitgever. Dat had ik nog steeds in mijn achterhoofd toen ik in 1980 recensies kon gaan schrijven voor de boekenbijlage van NRC. Ik heb er lang over geaarzeld. Zelfs na mijn psychoanalyse, ja, maar ik heb het gelukkig wel gedaan. Schrijven is zo fijn, wat is er heerlijker dan met een stapel printjes en een vulpen naar bed te gaan, het dan heerlijk beter liggen te maken, dan slapen en dan mmm, de volgende dag alle verbeteringen aanbrengen. Goed schrijven is iets goed doordenken en het is creatief. Jezelf zo scherp mogelijk uitdrukken. Ik kan niet zonder.”

En mijn vrienden moeten accepteren dat ik schrijf en dat ik niet steeds gezellig leuke dinertjes ga organiseren

Les 5: Schrijven maakt eenzaam

“Met schrijven betaal je ook een prijs, het isoleert je. Als je eerlijk wilt schrijven, niet met taboes rekening houdt, dan kunnen mensen van je vervreemden. In het dagelijks leven moet je vriendelijk en hoffelijk zijn, maar als je schrijft staan eerlijkheid en integriteit voorop. En dat is soms hard. Je hoeft niet grof te zijn, maar wel hard in je waarheden. Ik kan zijn wie ik ben, ik voel me er gelukkig bij. En mijn vrienden moeten accepteren dat ik schrijf en dat ik niet steeds gezellig leuke dinertjes ga organiseren.”

Een individu heeft een ziel, uit een individu ontspruit creativiteit

Tekst loopt door onder afbeelding.

Jolande Withuis © Merlijn Doomernik

Les 6: Vrijheid van denken is het allerhoogste

“Ik heb een gevoelige antenne voor totalitarisme. Daarom ben ik ook zo gefixeerd op ontwikkelingen binnen de islamitische gemeenschap. Er werkte aan de Vrije Universiteit eind jaren tachtig iemand bij de administratie van mijn faculteit die het prima vond dat schrijver Salman Rushdie werd vervolgd. Ik werd daar angstig van, oh nee, niet weer mijn vrijheid van denken aan banden leggen. Ik was bevrijd van het communisme en toen kwam de islam over ons, zo zie ik het echt, en daar werd niet altijd even strijdbaar op gereageerd. Nog steeds niet. Een paar jaar geleden kreeg het plaatselijke zwembad hier in Zutphen ineens aparte ruimtes, gescheiden door gordijnen. Geen badmeester mocht in de buurt van de vrouwenruimte komen. Ontstellend. Gelukkig is dat teruggedraaid.

Ik denk soms dat mensen niet weten wat onvrijheid is. We hebben iedere allochtoon tot moslim verklaard en schade aangericht met het subsidiëren van verkeerde clubs. Uiteindelijk is het individu het meest waardevolle dat er is. Het individualisme heeft voor mij niets leegs en het heeft niets met egoïsme te maken. Een individu heeft een ziel, uit een individu ontspruit creativiteit. Natuurlijk verbind je je met andere individuen, maar niet gedwongen, dat is pas leeg.

De islamkwestie stelt vriendschappen op de proef, ook die van mij, ja. Van communist ben ik een liberaal meisje geworden. Eerst voelde ik me thuis bij D66, ook vanwege Els Borst, maar toen Hans van Mierlo zei dat het niet zo erg was als sommige moslims vrouwen geen hand wilden geven, was dat over. In maart stemde ik op de Turkse-Nederlandse Dilan Yesilgoz van de VVD, de partij die Ayaan Hirsi Ali heeft gesteund. Yesilgoz weet net als Ayaan uit ervaring wat het is om onvrij te zijn. Je kunt het niet met alles van een partij eens zijn. Ik vind 130 kilometer op de snelweg, zoals de VVD op meer plekken wil, stuitend.”

Dat dingen mooi mogen zijn, en niet alleen de wereld hoeven te verbeteren

Les 7: Neem een tuin en verzamel kunst

“De tuin is een belangrijk deel van mijn nieuwe leven in Zutphen. Ik heb nu voor het eerst een eigen tuin, en ik zorg voor de gemeenschappelijke tuin hier in ons hofje. Wat een dovenetel was, wist ik niet. Of wat je met een rozenstruik moet doen. Ik heb veel bijgeleerd. Als je een schrijver bent die er toch nooit op uit wil en nooit met vakantie hoeft, kun je in een tuin toch even wat buiten doen, en genieten van al die kleuren en de seizoenen. Schrijven is net als tuinieren, je hebt een landje en het is aan jou om het zo mooi mogelijk te maken.

En ik heb geleerd van kunst te houden. Dat dingen mooi mogen zijn, en niet alleen de wereld hoeven te verbeteren. Daarom hangen hier in huis zo veel kleurige kunstwerken. Zo fijn. In de huiskamer bij mijn ouders keek ik altijd tegen een amateurschilderij van de Dokwerker aan.”

Jolande Withuis

Jolande Withuis (Zutphen, 1949) - dochter van schaker/journalist Berry Withuis en Jenny van Ringen - studeerde sociologie/antropologie aan de UvA, was docent vrouwenstudies aan de VU en de Nijmeegse universiteit en tot 2014 onderzoeker aan het Niod. In 2012 was ze een van VPRO’s Zomergasten.

Bij De Bezige Bij verschenen van Withuis onder meer ‘Van oorlogstrauma naar klaagcultuur’ (2002), ‘Na het kamp’ (2005) en in 2008 ‘Weest manlijk, zijt sterk’, een biografie over verzetsman Pim Boellaard, die werd bekroond met de Grote Geschiedenis Prijs en de Erik Hazelhoff Biografieprijs.

Haar biografie ‘Juliana, vorstin in een mannenwereld’ die vorig jaar uitkwam, is genomineerd voor de Brusseprijs, de prijs voor het beste journalistieke boek van 2016 (de winnaar wordt op 10 juni bekend). Withuis geeft de komende tijd nog vier ‘Juliana’-lezingen:

• 17 mei in Bibliotheek Overschie in Rotterdam
• 21 mei in De culturele onderneming in Groningen
• 31 mei in Boekhandel Blokker in Heemstede
• 19 juli in Bibliotheek Dommelsdal, locatie Kasteelhoeve in Geldrop

Jolande Withuis woont met haar man, socioloog Tom de Ridder, in Zutphen.

Deel dit artikel

Communisten werden trouwens veel meer buitengesloten dan moslims nu. Er kwam voor hen echt niemand op

Door die psychiatrie kwam ik erachter dat het gaat om wat individuen drijft, en dat je theorieën moet verbinden met concrete mensen

Goed schrijven is iets goed doordenken en het is creatief

En mijn vrienden moeten accepteren dat ik schrijf en dat ik niet steeds gezellig leuke dinertjes ga organiseren

Een individu heeft een ziel, uit een individu ontspruit creativiteit

Dat dingen mooi mogen zijn, en niet alleen de wereld hoeven te verbeteren