Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De ivoren toren stort in

Home

Edo Sturm

Literatuur, dat was altijd een 'tijdverdrijf voor fijne luiden'. Die tijd is voorbij. Romans worden aan de man gebracht als wasmiddelen en schrijvers moeten de markt op. Maar nu het echte nieuws: niemand lijkt dat erg te vinden. Schrijver en criticus, uitgever en subsidieverstrekker, iedereen werkt braaf mee aan de verregaande democratisering van de literatuur: een plek waar vandaag alles en iedereen welkom is.

Rob Schouten beschrijft de stille revolutie die zich de afgelopen tien jaar heeft voltrokken in de Nederlandse literatuur. Een geschiedenis van ontslagen boekenwurmen, debuterende tv-sterren, verfijnde geesten die het roer omgooien, en vooral: van wegvloeiende literaire criteria. “Het dictaat van het 'nieuwe', het 'experimentele' en het 'vooruitstrevende' is voorbij.“

Van oudsher is de literatuur voorgesteld als een eenzaam, ietwat onmaatschappelijk bedrijf voor kunstenaars die het helemaal in hun eentje doen, een bezigheid voor individualisten die het alledaags verkeer om hen heen van een afstandje bezien.

Het meest karakteristieke beeld daarvan werd geschilderd door de romantische schilder Carl Spitzweg, die 'Der arme Poet' op een zolderkamertje in bed afbeeldde, omringd door wat boeken en met een ganzenveer tussen de lippen. Zelfs door het venster is van stadsgewoel niets te bespeuren.

,,Papier is geduldig'', merkte Cicero op, en áls de letteren al knetteren dan is het zachtjes, begrijpen we van Jeroen Brouwers. Du Perron noemde de dichtkunst 'een tijdverdrijf voor enkele fijne luiden'. Geen terrein voor grote omwentelingen zo te zien.

Vanzelfsprekend is er op gezette tijden ook tegen dit statische, individualistische beeld van de letteren aangeschopt, door schrijvers die meer pit wilden, sociaal elan, ketelmuziek, Umwertung aller Werte, maar altijd slaagde de literatuur erin na zulke korte rumoerige oprispingen, zoals in het buitenland het dadaïsme en bij ons de Vijftigers, de rijen weer te sluiten en ingetogen zichzelf te blijven.

Maar de laatste tijd staat dit alles bij ons op de helling. Wie de Nederlandse literatuur van de afgelopen twintig jaar onder de loep neemt, ziet dat er een even gestage als onmiskenbare aardverschuiving heeft plaatsgevonden, misschien wel zoiets als een stille revolutie, in de presentatie van de letteren, maar ook in de letteren zelf.

Zo ongeveer het enige wat intussen nog stabiel is in de wereld van de letteren is de vaste boekenprijs. Voor het overige is het oude rijk flink ondermijnd geraakt.

1. De literaire wereld: heren met smaak werden managers

Literaire werken ontstaan in een literaire wereld en die wereld ziet er vandaag de dag heel anders uit dan twintig jaar geleden.

Om te beginnen is sinds de jaren tachtig het uitgeversklimaat en daarmee de belangrijkste deur van schrijvers in spe tot de literatuur drastisch veranderd. Vroeger werden uitgeverijen gerund door belezen heren met smaak en eigenwijze voorkeuren, die meer op de kwaliteit van hun producten letten dan op de centen. Maar allengs moesten op bevel van de boven alles zwevende financiële directeuren zulke erudiete excentriekelingen het veld ruimen voor managerachtige wezens die met de portemonnee konden omgaan. Karakteristiek was het lot van Th. A. Sontrop, de kwaliteitsuitgever van de Arbeiderspers, die begin jaren negentig werd afgezet om plaats te maken voor iemand die de verkoopcijfers omhoog moest stuwen.

Een enkele uitgeverij van de oude snit (Van Oorschot) overleeft nog wel, maar in het algemeen heeft die geest van exquise belezenheid het veld moeten ruimen voor een neus voor publiek succes. Er kwamen nieuwe, opportunistischer uitgevers op de markt, die schaalvergroting, bestsellers en pegulanten niet langer vieze woorden vonden (Vassallucci) en zelfs een eerbiedwaardig huis als De Bezige Bij zwaait de laatste tijd met bankbiljetten om veelbelovende debutanten te lokken.

Literatuur is daarmee een geldbedrijf geworden, en literair succes wordt niet meer afgemeten aan mooie kritieken en succès d'estime bij een handjevol fijnproevers maar aan verkoopcijfers. Vandaar dat prominente auteurs bij de lancering van hun boeken grote publiciteitscampagnes mee krijgen, die zich op een breed publiek richten en geld in het laatje moeten brengen. Wij kunnen niet om de koppen van Connie Palmen, Adriaan van Dis en Anna Enquist heen, als zij een boek hebben uitgebracht.

Schrijvers moeten over de toonbank gaan, en wie niet op tijd zijn publiek bereikt, wordt na een paar maanden afgeschoten en naar De Slegte afgevoerd. De omlooptijd voor boeken is drastisch verkort. Niet langer houden uitgevershuizen hun lievelingen eindeloos lang op de planken, hopend op een onverwachte opleving. Het zijn realistische instituten geworden, in plaats van mecenaten voor matig verkopende talenten.

Ook de non-profit zijde van het literaire apparaat ging in de revisie. Het Fonds voor de Letteren, waar heel wat schrijvers het grootste deel van hun inkomen vandaan halen, heeft zijn stipendium-politiek het afgelopen decennium sterk bijgesteld. Vroeger liet je als schrijver zien wat je allemaal geschreven had en kreeg je een subsidie voor heel dat mooie schrijverschap van je. Tegenwoordig moet je met een duidelijk werkplan en een tijdsschema voor een specifiek project komen, en na afloop van de subsidieperiode dien je daarvan rekening en verantwoording af te leggen. Rekening en verantwoording! Twintig jaar geleden was dat nog vloeken in de kerk van de kunst.

Jonge schrijvers krijgen minder makkelijk een stipendium dan voorheen. Nieuwelingen zullen toch eerst moeten laten zien wat ze kunnen. Veel jonge auteurs (vooral dichters) zijn daardoor in hun eerste jaren afhankelijk geworden van optredens en van opdrachten, in plaats van dat ze als jonge vrijgestelden kunnen nadenken over wat ze nu eigenlijk met hun literatuur bereiken willen. Het is niet langer het Fonds maar de marktwerking die bepaalt of ze slagen en door kunnen werken, diezelfde markt waar hun uitgevers zo gretig naar kijken.

Dat betekent trouwens ook dat die jonge schrijvers zelfstandiger zijn geworden; niet langer beschermd door paternalistische uitgevers of onbaatzuchtige geldschieters leren ze hoe ze het publiek moeten bereiken. Heel wat schrijvers hebben inmiddels een eigen website waarop ze hun eigen werk promoten, en toepasselijke recensies en commentaren afdrukken. Er zijn er zelfs die op internet hun allerjongste werk presenteren, zodat je als lezer als het ware kunt volgen waar je favoriete auteur mee bezig is. Schrijvers zijn kleine zelfstandigen geworden die weten dat ze met hun werk de boer op moeten en de juiste netwerken moeten zien te vinden.

De meest openbare blijken van de invloed van geld en publiciteit op de hedendaagse literatuur zijn misschien wel de grote commerciële prijzen die de afgelopen twintig jaar het licht zagen, de AKO-literatuurprijs, de Librisprijs, de NS-publieksprijs. Wie zo'n (fikse) prijs wint haalt het journaal en mag een seizoen lang alle praatshows op televisie af. Betere public relations kun je je nauwelijks wensen. Vandaar dat genomineerden niet nalaten dit heuglijke feit op hun boeken te vermelden en zelfs schrijvers die alleen de longlist hebben gehaald rakelen dat graag op in hun flapteksten.

Door alle literaire kanalen waait de wind der verandering. Ook de literatuurcriticus komt niet met de schrik vrij. Hij is zijn positie als 'opinion leader' kwijtgeraakt. Niet langer maken recensenten nog uit wat de canon is, áls er überhaupt nog een canon is.

Kranten en tijdschriften, gedwongen door hun penibele financiële situatie, beknibbelen steeds meer op de plek die ze voor literaire recensies willen inruimen. Maar bovenal is er een inhoudelijke verschuiving gaande, de belangstelling van redacties en lezers gaat steeds meer uit naar het interview en het human interest-verhaal.

Voor recensies kan de lezer trouwens allang vierentwintig uur per dag op internet terecht, waar hij niet langer afhankelijk is van de huiscriticus met zijn specifieke smaak, maar zijn hart kan ophalen aan talloze andere stemmen. Voor de ouderwetse dag- en weekbladcriticus lijkt voornamelijk nog de rol van observeren en signaleren weggelegd. Het belang van zijn oordeel en analyse verdwijnt naar de achtergrond.

2. Criteria: Literaire kunst en 'weg met de kapsones!'

Stuk voor stuk zijn dat misschien onvermijdelijke en verklaarbare veranderingen maar bij elkaar maken ze dat de condities waaronder literatuur geschreven en aan de man gebracht wordt allengs een heel nieuw soort schrijver en een heel ander soort literatuur dan vroeger oplevert.

Natuurlijk werd er in het verleden ook voortdurend aan de grenzen en de fundamenten van de literatuur gemorreld en getornd door schrijvers die van het elitaire karakter van de letteren af wilde. Zo publiceerde Heere Heeresma (samen met Hans Plomp en George Kool) zijn 'Manifest voor de jaren zeventig', zijnde een pleidooi voor neorealisme en grotere toegankelijkheid van de literatuur: ,,Wij willen de lezer terugwinnen door leesbare teksten te schrijven.'' En de grote Gerard Reve zelf introduceerde in zijn werk en daarbuiten allerlei camp-elementen in de literatuur. Al in de jaren zestig had de Italiaanse schrijver Umberto Eco in 'De structuur van de slechte smaak' analyses losgelaten op strips en cartoons, een verschijnsel dat ook in Nederland onder invloed van het Stripschap een seizoen zou opbloeien.

Maar steeds bleef een wantrouwige houding tegenover egalitarisme en de opkomst van de massa en haar cultuur (waar Nietzsche, vooruitlopend op de eeuw die na hem zou komen, al zo beducht voor was geweest) de overhand houden. De tegencultuur, waarvan de signalen wel degelijk aanwezig waren, werd als het ware steeds aan de grens tegengehouden, bijvoorbeeld in Jeroen Brouwers' roemruchte pamflet De Nieuwe Revisor uit 1980.

Op welbespraakte en intimiderende wijze gooide Brouwers daarin de deur dicht voor een meer democratische, volkse en realistische literatuur en pleitte hij voor een literair kwaliteitsreveil: ,,Ik bepleit de herbundeling in een nieuw verband van al het beschikbare talent in alle takken van literaire kunst, ik bepleit nieuwe kritiek, ik bepleit het nieuwe ventschap, dat bestaat uit onbevooroordeeldheid, openheid, eerlijkheid, gestrengheid, durf, hartstocht voor de literatuur, strijdvaardigheid, - ik bepleit vooral: volwassenheid. Vormen wij een nieuwe, een ándere maffia. Weven wij het nieuwe web voor de nieuwe jaren tachtig. Kome er opnieuw: schoonheid. Kome er opnieuw: properheid. Maken wij van die tot jongetjes en meisjesliteratuur verworden stinkliteratuur van ons opnieuw een volwassen meneren- en mevrouwenliteratuur.''

Een ander vergankelijk momentje van toen. W.F. Hermans veegde (in 1978 om precies te zijn) in de NRC uitgebreid de vloer aan met de dagboeken van C. Buddingh' die hij 'kneuterige Kees' noemde. Waarom schiet zo'n olifant toch op zo'n muis, zou je je een kwarteeuw na dato afvragen, maar het was toen haast een ongeconditioneerde reflex: kleine, onpretentieuze literatuur was geen literatuur, mocht het niet zijn!

Inmiddels houdt niemand die veranderingen in het literaire klimaat meer tegen. Het ziet ernaar uit dat al die oude kwaliteitsbewakers, de uitgevers, de critici, de prijsverleners, de schrijvers zelf, hun posten hebben verlaten. Hun posities zijn ingenomen door de managers, de media, de toptien pluggers en de nieuwkomers die helemaal geen moeite hebben met de gewoonwording en trivialisering van de voormalige 'haute littérature'.

En gewoon wérd het, heel erg gewoon, en er kwam allesbehalve een nieuwe schoonheidsaanbidding: ,,Dat lijkt me echt te gek, alleen nog maar feesten, zonder te stoppen. Alle bullshit ertussenuit en alleen nog maar zuipen, flirten en lekker slap ouwehoeren. Dat is voor mij het ware paradijs'', lezen we in 'Snoer' van de inmiddels alweer weggezakte Saskia van Rijnswou. Van hogere idealen geen spoor.

Jonge schrijvers laten zich niet langer de les lezen door auteurs van de oude stempel, zoals in deze onthullende passage uit de roman 'Dichters dansen niet' van Serge van Duinhoven waar een in kennelijke staat verkerende 'senior writer' wordt weggezet door hem zelf aan het woord te laten tegen de aanstormende schrijver: ,,En daar kom jij nou aan, met je kapsones. Waarom kkkun je nnou niet gewoon je eigen ppplaats kenne, nederigheid tonen, gewoon. (...) En jij, jij bent een nul. Een absolute nul, je komt net kijken man. Wat kun jij nou, man. Niks. Je kunt toch niks, man. Hou je commentaar dan ook voor je, Bbblaaskaak.'' Maar die 'blaaskaken' kwamen wel aan het woord.

De invloedrijke schrijver Joost Zwagerman moet niks hebben van een elitaire, wereldvreemde literatuur en heeft het over ,,het bespottelijke idee dat de échte schrijver geen publiek van hier en nu in gedachten kan en mag hebben en in plaats daarvan louter 'voor de eeuwigheid' schrijft. Die pathetische gedachte is er de oorzaak van dat het merendeel van onze literatuur al zo snel een verouderde indruk maakt, want juist wie ostentatief voor de eeuwigheid gaat zitten pennen, levert negen van de tien keer een werk af dat de tand des tijds juist níet doorstaat. Echte schrijvers bekommeren zich niet om 'de eeuwigheid'.'' En om de traditionele schrijversangst voor een nieuw, democratisch klimaat moet hij maar lachen: ,,Het blijft een vreemde, zelfheiligende en gratuite activiteit, het demoniseren van de massacultuur, of zoals Anthony Mertens het omschreef, het afgeven op 'de slechte vijand die in horde de tere vriend belaagt'.''

De eerste scheurtjes in dat delicate rusthuis van tere vrienden werden al zichtbaar aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Opeens klonk er gerucht om de hoek. De Maximalen kwamen eraan en kwalificeerden bij monde van Arthur Lava de vorige generatie als een 'lispelende garde van de porseleinkast'. Op een geleerder niveau had literatuurprofessor Ton Anbeek in 1981 in een artikel in De Gids, na een bezoek aan de Verenigde Staten, zich toen trouwens al uitgesproken voor een levendiger literatuur, die zich niet langer tot de binnenkamer zou beperken.

Elders, in haar proefschrift 'De Lust tot Lezen', probeerde de feministische literatuurwetenschapster Maaike Meijer het denkbeeld van één universele, zaligmakende literatuur, waarbuiten geen heil bestaat, te ontzenuwen. Ze schreef: ,,Ik ben van mening dat een nieuwe literatuurgeschiedenis radicaal moet breken met de mythe van de ene literatuur en de hypothese moet aannemen van een veelheid van elkaar overlappende, elkaar kruisende literaturen.'' Ze doelde op de tot dan toe min of meer genegeerde aanwezigheid van een vrouwenliteratuur, van een zwarte literatuur, van een allochtone literatuur, van, you name it, elke andere literatuur.

Allemaal pogingen de harde bast van die grote en enige literatuur te kraken. Twintig jaar later is het zover. Het traditionele bolwerk van de literatuur, als iets voor eenzame en verantwoorde intellectuelen, fijnzinnige, gesophisticeerde lezers, lijkt geslecht. De ivoren toren is poreus geworden en de high-brow cultuur is naar de randen van het rijk geduwd, niet om plaats te maken voor de middle-brow, wat je allicht zou denken, maar voor wat her en der al wel genoemd is een all- of een full-brow cultuur.

3. Schrijvers passen zich aan: Streekromans, avonturenromans en chicklit

Mooi is die omslag te zien bij schrijvers die een paar seizoenen geleden nog vol overtuiging aan die vermaledijde ene literatuur leken te offeren. Leon de Winter is wel het sterkste voorbeeld van zo'n auteur die ergens in de jaren tachtig de steile literatuur der intelligentsia vaarwel zei en in plaats van nouveau-romanachtige, vervreemdende en queeste-achtige romans à la Peter Handke, opeens op Amerikaanse leest geschoeide boeken ging schrijven, die het moesten hebben van verwijzingen naar de populaire cultuur.

Een minder spectaculair maar daardoor wellicht nog illustratiever voorbeeld, levert Robert Anker, begonnen als dichter in de trant van Chris van Geel, met verfijnde, symbolistisch ogende gedichten, maar inmiddels uitgegroeid tot een schrijver die het gewoon ook met ons over zijn eigen achtergrond of de maatschappelijke werkelijkheid van vandaag de dag wil hebben. Zijn roman 'Hajar en Daan' gaat over alledaagse schoolproblemen die de multiculturele samenleving oplevert en waar hij als leraar Nederlands zelf tegen opliep. Zijn voorlaatste titel betrof een dagboek over het jaar 2004, 'Innerlijke vaart'. Zijn laatste titel, 'Negen levens', is een autobiografische schets waarin de auteur terug keert naar zijn geboortedorp ,,om weer aanwezig te zijn. Om weer gelukkig te worden. Om met schokjes te ervaren dat het leven goed is. En om mij er weer eens over te verbazen dat ik afkomstig ben uit een dorpse wereld die geheel van de aardbodem is verdwenen.''

Nostalgie als Lebensbejahung, Het mag weer! Er rust ook voor literaire schrijvers zelf niet langer een taboe op het vulgair-realistische bestaan van alledag en op de eigen, ongefingeerde ervaringen.

Opmerkelijk trouwens dat in de wereld van non-fictie iets soortgelijks te zien valt, het terrein wordt steeds meer ontgonnen aan de hand van eigen ervaringen. Hét voorbeeld is hier wel Geert Maks bestseller 'Hoe God verdween uit Jorwerd', de recente geschiedenis van Nederland aan de hand van Maks geboortedorp. Ook in die sector staan de heilige huisjes van afstand en onbetrokkenheid zo te zien niet langer overeind.

Aan alles kun je zien dat veel schrijvers niet langer de traditionele normen van de literatuur met een hoofdletter als uitgangspunt nemen, het gevoel dat ze een filosofisch, psychologisch of existentieel probleem moeten verbeelden. Daarentegen exploiteren ze hun eigen levens, hun authentieke verledens en bezigheden, hun particuliere dromen en fantasieën zonder boodschap maar met veel kleur en spanning.

De afgelopen jaren heeft de literatuur zodoende een infuus gekregen van allerlei genres die ze vroeger onverbiddelijk zou hebben afgestoten als niet-literair en triviaal.

Een van de opmerkelijkste nieuwkomers onder die literaire genres is de avonturenroman, jongetjes- en meisjesliteratuur zou Brouwers waarschijnlijk zeggen. Hoofdpersonen beleven allerlei, vaak niet al te waarschijnlijke avonturen in verre en nabije streken. Ze gedragen zich als moderne Huckleberry Finns die zich door geen orde of gezag laten tegenhouden.

Neem Anton Grunberg, meestbelovend enfant terrible van onze literatuur. In zijn laatste roman 'De Joodse Messias' schopt een weliswaar (in een krankzinnige, hilarische scène) besneden maar toch niet als Jood geboren jongeman het ten slotte tot premier van Israël en gaat hij met de vijand zitten onderhandelen over het aantal doden per dag dat ze elkaar zullen toestaan.

Ander voorbeeld. De roman 'Joe Speedboot' van Tommy Wieringa, hét literaire publiekssucces van het afgelopen jaar. Gaat over een nieuwkomer in het dorp, die om maar wat te noemen in de achtertuin een vliegtuigje fabriekt teneinde blote vrouwen uit de lucht te kunnen begluren, en die met een shovel door de woestijn naar Egypte tuft. Waarschijnlijkheid en plausibiliteit, die oude classicistische eisen, worden hier met voeten getreden, als waren de oude Mark Twain en Alexandre Dumas gezamenlijk uit het graf opgestaan. Het zijn een soort jongensboeken voor volwassenen, met in de hoofdrol verwanten van Pietje Bell.

Het boek van Wieringa speelt zich trouwens diep in de provincie af, evenals het met de AKO-literatuurprijs bekroonde boek van Jan Siebelink 'Knielen op een bed violen'. Ook in dat opzicht zie je een opmerkelijke verschuiving ten opzichte van een paar jaar geleden. Naast de grotestadsromans bloeit er nieuwe belangstelling op voor het leven op het platteland, in iets wat je een soortement oer-Holland zou kunnen noemen.

Siebelink begon als schrijver van boeken die op het decadente fin de siècle van Frankrijk teruggrepen maar inmiddels is de auteur helemaal thuisgekomen, zijn magnum opus is compromisloos gebaseerd op zijn eigen verleden in de provincie, in orthodox-religieus Nederland.

De term 'streekroman' is er al op losgelaten en waarom ook niet? Een paar decennia geleden behoorde de streekroman nog onverbiddelijk tot de triviaal-literatuur maar dat is voorbij, het is geen scheldwoord meer.

Het is ook niet toevallig dat een groot deel van de romans van Thomas Rosenboom, die op het eerste gezicht eerder tot de oude dan tot de nieuwe garde lijkt te behoren, plaatsvindt in contreien die de Nederlandse letteren allengs leken te zijn vergeten. In 'Gewassen vlees' wordt gependeld tussen Zeeland en Friesland, 'Publieke werken' speelt zich voor de helft af op het Drentse platteland en in 'De nieuwe man' wordt de lezer naar Oost-Groningen gedirigeerd. Het eerbare genre van de historische roman, dat overigens nooit helemaal verdwenen was, lijkt hier wel een oproep te doen om het regionale karakter van onze cultuur niet te vergeten of te verdoezelen.

Over streekromans werden vroeger in de literatuur graag lelijke dingen gezegd. ,,De psychologie is niet altijd de sterkste kant'', meldt het leerboek literaire kunst van Lodewick. De boeken van Herman de Man en Antoon Coolen werden nooit helemaal voor vol aangezien. Maar in de huidige literatuur kan het zo te zien weer, een scène bij een plaggenhut, een schrijnend sterfbed in een tuinderswoning te Velp. Je mag toch immers wel schrijven over dat wat je zelf kent, waar je vandaan komt en wat je ooit hebt meegemaakt? Waarbij overigens aangetekend moet worden dat de streken uit zulke streekromans waar je je vroeger toch minstens voor diende te schamen inmiddels door de verstedelijking weer pittoresk zijn geworden.

Een andere vorm van authentiek en autobiografisch schrijven treffen we aan in de zogeheten 'chicklit'. Vrouwen schrijven kletserig over typische 'vrouwenproblemen' als: hoe kom ik aan de man, wat wil het leven precies van mij, hoe zit het met seks en huiselijk leven. De definitieve stoot tot dit soort literatuur kwam van televisieseries als 'Sex and the City' en fílms als 'Bridget Jones' maar het lag na alle emancipatiegolven allang te sluimeren, in glossy's en vrouwenbladen.

Het succes van Heleen van Royens 'De gelukkige huisvrouw' (150000 exemplaren) en 'Godin van de jacht' (200000 exemplaren en het best verkochte boek van 2003) is karakteristiek, een jonge vrouw meet haar problemen en probleempjes met het leven en haar achtergrond uit in een vlotte praatstijl.

,,Van Royen is een literaire provocateur. Ze brengt een nieuw type roman de Nederlandse literatuur binnen, waarin ze met volle kracht de vloer aanveegt met het zoetige genre van de Bildungsroman van schrijfsters als Isabel Allende of, bij ons, Margriet de Moor, Tessa de Loo en Nelleke Noordervliet [...] Ze drukt de lezer keer op keer met zijn neus op de feiten'', schreef Kees 't Hart er in De Groene over, oftewel: realisme wint het ook hier van illusies en fictie.

Het nieuwe genre heeft in korte tijd een enorme vlucht genomen. Inmiddels is het aantal deelneemsters bijna niet meer bij te sloffen. Namen? Janneke Jonkman, Daphne Deckers (jazeker, dé), Pam van Vliet, Saskia Noort, Marion Pauw, Yoyo van Gemerde, Cindy Hoetmer. Wie op www.chicklit.nl kijkt komt onthullende titels tegen als 'Geheimen van een ex-heks', 'Ik móet die schoenen hebben' en 'Dagboek van gênante momenten'.

Gênante momenten of niet, het dagboek maakt in zulke autobiografische, ongesublimeerde weersomstandigheden vanzelfsprekend de hoogste vlucht. Schrijvers van naam en reputatie zwichten voor het verleidelijke genre. Derhalve vroeg uitgeverij De Arbeiderspers de afgelopen jaren diverse auteurs - Rogi Wieg, Ronald Giphart, A.F.Th. van der Heijden om er een paar te noemen - steeds een jaar lang een dagboek bij te houden. Inmiddels is het besmettelijke genre ook op anderen overgeslagen. Zo kregen we afgelopen jaar onder de titel 'Grensverkenningen' nota bene te maken met het 'Dagboek van een eurocommissaris' , te weten Frits Bolkestein.

Verwant met dergelijke autobiografische onthullingen van bekende schrijvers en Nederlanders zijn de 'ziekte'-romans, boeken over dood en ziekte, veelal in de persoonlijke sfeer. Zoals je bij chicklit de invloed van televisie (talkshows en vrouwenseries) duidelijk terugziet zo ook hier. Medische praatprogramma's, waarin gasten hun zegje komen doen over eigen kwalen, zijn aan de orde van de dag. Boeken als 'Schaduwkind' van P.F. Thomése, over de dood van zijn kind, en 'Geen nacht zonder' van Aleid Truyens, over de ziekte van haar zoon, 'Fantastisch lichaam' van Marian Boyer over haar borstkanker, zijn daar de literaire pendanten van.

Zelfs de ouderwetse doktersroman lijkt terug op het literaire podium, bij monde van Theo van Os, over een oncoloog in 'Borstendraagster', 'Lab' en 'Zorg' van Miquel Bulnes, over het cynische leventje in de medische sector en 'ALVB' van Gijs IJlander, over een gynaecoloog die in een reality-show een zwangerschap begeleidt, een verhaal dat merkwaardig genoeg pal na verschijnen werkelijkheid zou worden.

4. De terugkeer van het alledaagse - in de 20ste eeuw nog taboe

Wat al die nieuwe literaire bloedtransfusies bij elkaar aan beeld opleveren? In elk geval een opleving van het authentieke en het gewone. Schrijvers generen zich niet langer voor hun eigen achtergrond en voor hun alledaagse ervaringen, of dat nu religieuze nesten betreft, medische kwalen of erotische zoektochten. Het hoeft allemaal niet meer gesublimeerd en naar een hoger niveau getransponeerd te worden.

Eigenlijk is de democratisering en gewoonwording van de literatuur er ook een van onze curiositeit. We staan onszelf toe nieuwsgierig te zijn naar onze eigen wereld, die juist vanwege de jarenlange buitensluiting door de hogere kunst weer iets exotisch en boeiends heeft gekregen. Wat dat betreft doet het allemaal denken aan de populariteit van programma's als 'Big Brother' en 'Man bijt hond': we kijken vol belangstelling weer naar onszelf.

Wie vervolgens verder kijkt dan zijn neus lang is, ziet dat de instroom van al die nieuw-ogende genres tegelijkertijd een restauratie van oude literatuursoorten is. Avonturenromans, damesboeken, streekromans, historische romans, het waren in de 19de eeuw heel vanzelfsprekende literaire soorten. In de 20ste eeuw zijn ze echter, als gezonken cultuurgoederen, langzaam naar de literaire marge verbannen, naar de schappen van sigarenwinkel en supermarkt, onder de dictatuur van wat Maaike Meijer dan die 'ene literatuur' noemt, dat bolwerk van psychologisch verfijnde, intellectualistische, experimentele en wijsgerige literatuur, die het in de kritiek en de canonisatie helemaal voor het zeggen kreeg.

Wat een seizoen geleden nog onverbiddelijk 'amusementslectuur' heette is na de onderdrukking en ballingschap in de twintigste eeuw weer 'bon ton' geworden. Oude tijden herleven, in zekere zin. Dat niemand dat als een pijnlijke terugkeer naar voormalige en gepasseerde praktijken ervaart, zegt genoeg. Het dictaat van het 'nieuwe', het 'experimentele', het 'vooruitstrevende' in de schone letteren lijkt voorbij. Dat van het 'schone' trouwens ook.

Zo is het literaire apparaat veranderd en zo is de literatuur veranderd. En de schrijver zelf veranderde mee. Niet langer wordt de dienst uitgemaakt door cultuurpessimistische woordvoerders die op de bres staan voor de literatuur met een hoofdletter, maar tegenwoordig mag iedereen in de letteren het woord voeren, als een soort verlate reactie op het vaderlandse poldermodel. Net als op de televisie.

Het gevolg is een hausse aan memoire-achtige literatuur van Jan en alleman, regelrechte of veredelde autobiografieën en dagboeken. Twintigers en dertigers vertellen ons over hun leven, hun liefdes, hun relaties, hun werk, de manier waarop ze in het leven staan. Literatuur wordt een etalage van het ego, of zoals criticus Hans Goedkoop het noemde: 'openbaarheid als zelfverwerkelijking'.

De schone letteren raakten de laatste jaren vermengd (“vervuild' zullen de doemdenkers zeggen) met producten van bekende Nederlanders, popmuzikanten, columnisten. Best verkopende schrijver in Nederland is sinds jaar en dag de cabaretier Youp van 't Hek, maar ook andere BN'ers roeren zich in de toptienlijstjes. Dus schreven zangers als Rick de Leeuw en Jan Rot hun memoires alvast op, het Amsterdamse gemeenteraadslid Karina Schaapman vertelde over haar ellendige jeugd in 'Zonder moeder', tv-, film- en theaterpersoonlijkheden als Edwin de Vries, Yolanda Entius, Piet en Peter Römer, Rijk de Gooyer (met een CIA-verleden als lokkertje), Vincent Bijlo, Sanne van Hassel, Chiara Tissen, Loes Wouterson, Halina Reyn konden niet achterblijven. Het literaire podium, of dat wat de literaire uitgevers daarvoor willen laten doorgaan, loopt momenteel over van schrijvers die zich eerst hebben warmgelopen in de media.

Alle mogelijke film-, tv-, en mediasterren, zonder literaire geloofspapieren, ontdekten de literatuur om zich blijvend te manifesteren. Andersom verkoopt de literatuur zelf zich ook meer dan ooit via de televisie en de media. Het is een volstrekt tweerichtingsverkeer geworden.

Al jaren hoor je steen en been klagen over het ontbreken van een goed literair programma op de televisie, iets in de geest van Das Literarische Quartet in Duitsland: ernstige critici bomen over een boek. Het laatste wat in dat opzicht gesignaleerd werd was 'Zeeman met boeken', een streng en aristocratisch programma over de goede literatuur, van die 'ene' snit. Nadien door niets opgevolgd. En literaire kwaliteitsprogramma's die op de radio proberen te overleven, zoals 'Knetterende Letteren' of 'De Avonden', liggen steeds opnieuw onder vuur.

Toch is de literatuur wel degelijk bezig met een publiek aandachtsoffensief. Zodra een schrijver van enig belang een nieuw boek publiceert wordt hij geïnterviewd in ochtend- of avondprogramma's en zit hij aan in talkshows om zijn eigen werk te pluggen. Schrijvers van naam presenteren populaire programma als 'Zomergasten': Adriaan van Dis, Connie Palmen, Joost Zwagerman. Andere schrijven columns, draven op bij Barend & Van Dorp, spreken zich uit over de actualiteit. De tijd dat je een schrijver hoogstens kon herkennen aan een geposeerd portretje achter op zijn boek, en zijn stem een enkele keer aan door de uitgeverij in omloop gebrachte grammofoonplaatjes, is allang voorbij. Schrijvers zijn publieke figuren geworden, een soort van sterren, zoals omgekeerd publieke figuren schrijvers zijn geworden. In feite zijn we getuige van het ontstaan een nieuw soort hybride, iets tussen schrijver en publieke figuur in.

5. Conclusie: Hoe de literatuur antwoordt op de ontlezing

De optelsom van al die veranderingen in het literaire klimaat geeft een grenzeloos land te zien. Genres die vroeger door het immuunsysteem van de letteren genadeloos werden afgestoten en smadelijk bij de triviaalliteratuur neergezet (avonturenromans, streekromans, damesromans) zijn inmiddels aanvaardbare en veelgelezen uitingen van literatuur. De traditionele waterscheiding tussen fictie en non-fictie is aan erosie onderhevig: het dagboek of de dagboekachtige roman, van de bekende Nederlander, van de

Deel dit artikel