Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

DE HEMELSE REGIE VAN HARRY MULISCH

Home

T. VAN DEEL

Ridderorde, eremedaille, gelauwerd door de minister van cultuur, vereeuwigd in een borstbeeld, 65 jaar gevierd met een roman van 65 hoofdstukken in 900 bladzijden: Harry Mulisch, schrijver. Harry Mulisch, 'De ontdekking van de hemel', uitg. De Bezige Bij, 905 blz. - (geb.) f 75,. Marita Mathijsen, 'De werken van Harry Mulisch', uitg. De Bezige Bij - f 35,. 'De onderkant van het tapijt - Schrijversprentenboek Harry Mulisch', uitg. De Bezige Bij en Nederlands Letterkundig Museum, geill., 104 blz. - f 49,50. Harry Mulisch, 'De aanslag', 25ste druk - (geb.) f 39,50.

Negenhonderd bladzijden en vijfenzestig hoofdstukken telt 'De ontdekking van de hemel'. Vijfenzestig is de man die het publiceert; hij heeft zich wel aan ingewikkelder getallensymboliek bezondigd. Zoals 'De compositie van de wereld' de samenvatting is van zijn denkbeelden, zo is deze nieuwe roman wel te beschouwen als de meesterproef van zijn verbeelding. In het kader van deze roman lijkt bovendien zo ongeveer alles meegenomen wat Mulisch in de loop van zijn oeuvre heeft gefascineerd, van gemeentepolitiek tot het ontstaan van het heelal, van Cuba tot DNA.

Het prentenboek besluit met een paar fragmenten van de schema's die hij vanzelfsprekend nodig had bij een zo onoverzienbare onderneming. Het eerste, van begin 1990, laat in veel opzichten een nog heel ander boek zien dan er nu gekomen is, gepland in drie delen in plaats van vier, en in de eindfase ook sterk verschillend van wat we nu lezen, waaruit maar weer blijkt dat het schrijven zijn eigen wegen bewandelt en de schrijver zijn aanvankelijke ideeen moet bijstellen gedurende de tocht.

Hoe kan het ook anders in zo'n reusachtige romanruimte? "Als je met een dergelijk project bezig bent, werk je niet alleen aan het moment dat juist aan de orde is, maar je hebt onophoudelijk ook in gedachten wat er allemaal al gebeurd is, hoe het straks moet worden, wat er mis kan gaan en hoe dat opgevangen moet worden en wat er in dat geval voorbereid moet zijn, wil je niet dat alles door je vingers glipt. Vergelijk het met een oorlog: achteraf in het geschiedenisboek is het een mooi, afgerond verhaal, waarvan de uitslag vaststaat; maar zo lang het aan de gang was had je als veldheer weliswaar je krijgsplan, maar het was toch voornamelijk een chaotische opeenvolging van gebeurtenissen, stommiteiten en onvoorziene verrassingen, die elk ogenblik nieuwe beslissingen vereisten."

Aan het woord is de verteller van het verhaal, een laag in de hemelse hierarchie verkerende engel, die aan een hoger geplaatste verslag doet van de wijze waarop hij in de wereld heeft ingegrepen teneinde zijn opdracht te kunnen volbrengen. Die opdracht was: haal de Tien Geboden terug naar de hemel. De mensen houden zich massaal niet meer aan dit goddelijke contract en voordat het, in de roes van de technologische ontwikkelingen, waar Lucifer al zijn voordeel mee doet, geheel verloren raakt, moet het uit de Duisternis terug in het Licht komen - zo ongeveer luidde de hemelse gedachtengang.

De vertellende engel had van hogerhand een 'aanwijzing' gekregen om dat te arrangeren, hij moest op de aarde een zodanige constellatie in het leven roepen dat er iemand uit zou voortkomen die deze taak kon volbrengen. Hij, deze engel, maakt dus in zekere zin het verhaal dat hij vertelt zelf, met behulp van het aardse 'materiaal' dat een eigen leven leidt en alleen door hem wordt bijgestuurd wanneer de opdracht gevaar loopt. In de engel is, mag men aannemen, de schrijver aan het woord wanneer hij over de lange weg spreekt die hij heeft afgelegd:

"Ook wij zijn om te beginnen natuurlijk uitgegaan van de theoretisch eenvoudigste manier, waarop ons doel bereikt kon worden. Namelijk dat onze man daarheen ging waar wij hem hebben wilden en dat hij daar deed wat wij hem wilden laten doen. Maar terugrekenend doken er steeds nieuwe hindernissen op, die dat doel steeds moeilijker bereikbaar maakten, - net zo lang tot wij, al improviserend, die ingewikkelde route van efficiente oorzakelijkheden vonden, die de enig mogelijke bleek. Dat was niet bij benadering zo gecompliceerd als onze inspanningen om hem in de geest en het vlees te krijgen, maar toch nog ingewikkeld genoeg. Bij mij op de afdeling vergelijken wij het wel eens met de loop van een rivier. De eenvoudigste manier voor de Rijn om van zijn bronnen in de Alpen naar Hoek van Holland te gaan, is natuurlijk een rechte lijn van zo'n zevenhonderd kilometer lengte; maar in werkelijkheid is hij twee keer zo lang, want daar dwingt het landschap toe. Op dezelfde manier was de route van onze man door het menselijke landschap bizar en kronkelig en nu en dan nogal gewelddadig, net als bij voorbeeld de toestand in Schaffhausen; maar - om van beeldspraak te veranderen - u kunt niet iemand als timmerman aanstellen en tegelijkertijd verbieden, dat er bomen worden gekapt."

Het grootste deel van de roman wordt overigens niet verteld vanuit dit hemelse perspectief - de gesprekken tussen de twee engelen zijn uitsluitend intermezzo's -, maar vanuit de aardse gebeurtenissen en personages zelf. De voorgeschiedenis begint al in 1914, maar het eigenlijke verhaal beslaat de periode van 1967 tot en met 1985, al zou het niet overdreven zijn om te zeggen dat daarin alle tijden aan de orde komen. Niet voor niets heeft Mulisch zijn twee (op de hemelse 'agent' na) belangrijkste personages bezigheden gegeven die een keur van kosmische, historische en mythologische uitweidingen mogelijk maken: de een, Max Delius, is sterrenkundige en de ander, Onno Quint, is doctor honoris causa omdat hij het Etruskisch heeft ontraadseld en verder zo ongeveer alles van alle oude talen weet, de hierogliefen incluis.

Dit tweetal ontmoet elkaar bij toeval midden in de nacht aan de Wassenaarseweg, waar Max stopt om de hem dan nog onbekende Onno een lift te geven. Toeval bestaat natuurlijk niet in een roman, zeker niet in een die aan een hemelse regie is onderworpen. De twee mannen raken op slag bevriend en niet zo'n beetje ook: in de maanden erop volgend gaan ze dagelijks intensief met elkaar om. Hoe verschillend ze ook zijn - Max houdt van auto's, vrouwen, passende kledij, Onno is slordig, kleedt zich slecht, heeft geen seksuele passie - ze voelen zich zielsverwanten, van tweeen een . Ze zijn ook bijna op dezelfde dag jarig, even oud, en veronderstellen dat ze op hetzelfde ogenblik geconcipieerd zijn, namelijk op 27 februari 1933, de dag van de Rijksdagbrand.

Vooral het portret van deze vriendschap maakt de eerste paar honderd bladzijden, want over zulke hoeveelheden spreken we hier, ronduit overrompelend. Dat zijn 'aartsvriend' Hein Donner model heeft gestaan voor Onno (en hijzelf voor Max) is meteen duidelijk en blijkt ook uit het schema in het Schrijversprentenboek, waar Mulisch soms van 'Hein/ik' gewaagt. Het autobiografische van een en ander moet natuurlijk niet overdreven worden, ten slotte is Donner Onno niet en is Mulisch Max niet, maar er zijn anderzijds genoeg overeenkomsten. In 'Mijn getijdenboek' stond het al: "Iedere schrijver werkt natuurlijk met het materiaal dat zijn leven hem verschaft, want hij heeft niets anders; zijn ervaringen en zijn verbeelding gaan steeds nieuwe kombinaties aan en leiden zo tot zijn oeuvre."

Vaders en moeders spelen een belangrijke rol in de roman, maar dat is bij Mulisch regel. In dit geval heeft hij Max de zoon gemaakt van een oorlogsmisdadiger die zijn joodse vrouw en haar familieleden uit wraak naar de gaskamers heeft laten sturen. Max ontsprong de dans. Men kan zich voorstellen wat dit feit allemaal teweeg kan brengen in een roman die zich sterk op afkomst, achtergronden, historische gedetermineerdheid en dergelijke concentreert. Zo brengt Max een bezoek aan Auschwitz en gaat hij, samen met Onno, op het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie de dossiers van zijn vader na. Ook kwesties die samenhangen met het feit dat hij een Jood is kunnen hierdoor naar believen in de roman worden verwerkt.

Onno komt uit een totaal andere wereld, namelijk die van de notabelen en landsbestuurders, streng christelijk bovendien. Hij gedraagt zich daarin zo recalcitrant en exentriek als maar mogelijk is, wat in het eerste hoofdstuk, op een verjaarspartij van zijn vader, al meteen tot hoogst hilarische situaties leidt. Onno zoekt bij een vrouw troost en verzorging, hij is een wat hulpeloze grote man, terwijl Max het prototype van de vrouwenjager is, elke dag moet hij er wel een. Max is alleen, wil of kan geen binding aangaan; Onno woont samen, maar dat loopt af als Max een keer van beneden op straat naar boven roept: "Mevrouw? Mag Onno buiten komen spelen?"

Dragen de figuren van Max en Onno de roman, er zijn ook belangrijke bijrollen weggelegd voor enkele vrouwen. Allereerst is er Ada, die door Max cello spelend wordt aangetroffen in een Leids boekenantiquariaat. Ogenblikkelijk weet hij dat hij haar wil en het lukt hem inderdaad om haar de winkel van haar vader uit te lokken, zelfs mee naar Amsterdam waar hij woont. Deze affaire is niet na een keer afgelopen, moet hij tot zijn eigen verbazing vaststellen, ze zien elkaar wekelijks, maar er komt een breuk wanneer Onno op een ochtend dat ze net liggen te vrijen aanbelt en Max met een haastig "Maak je zelf maar klaar" uit haar vandaan en in zijn kleren glipt, het huis uit. Ada voelt zich hierdoor zo beledigd, dat ze vertrekt: spiegelbeeld van wat eerder Max bij Onno had veroorzaakt.

Nu het woord 'spiegelbeeld' is gevallen, moet gezegd worden dat de roman op talloze plaatsen met spiegelingen en symmetrieen werkt. Het zijn de bewijzen van een vaste organiserende schrijvershand, of anders wel van een hemelse regie, die zorgt voor een boek waarin alles uit elkaar volgt, elkaar verdubbelt, herhaalt en varieert. Mulisch is daar altijd heel duidelijk in, ik bedoel dat hij deze constructieve kanten eerder benadrukt dan ze verdoezelt. Dat maakt zijn boeken niet tot 'echte' verhalen, maar tot 'kunstmatige', al is het verwonderlijk te zien hoe het hem lukt om, in negenhonderd bladzijden, realisme en geconstrueerde verbeelding op een sterke manier met elkaar te verweven.

Ada is voorbestemd om de moeder te worden van de hemelse agent, maar Max was als de vader gedacht. Daar lijkt nu door hun breuk een probleem te ontstaan. Het wordt opgelost, op een toevallige en ook onwaarschijnlijke wijze, zij het geen onmogelijke, en zelfs zorgt de hemel voor ernstig complicerende gebeurtenissen (Ada raakt al voor de bevalling in een definitief coma; Onno gaat in de politiek) die het aannemelijk maken, ook al is de combinatie ogenschijnlijk vreemd, dat Max met de moeder van Ada, met wie hij een geheime, 'occulte' seksuele relatie heeft, het kind gaat opvoeden. Het heet Quinten Quint. Dat is tien.

Het eerste woord dat Kuku, zoals hij ook wel wordt genoemd, uitspreekt is: obelisk. Deze geobsedeerdheid door alles wat oud en zelfs oer is (hij interesseert zich ook voor trilobieten) geeft al aan dat hij zijn taak serieus zal gaan nemen. Daar komt op een zeker moment nog een droom bij, een vast onderdeel in Mulisch' werk, waarin hem een stad met kolossale, klassiek aandoende architectuur voor ogen komt, die hij 'de Burcht' noemt. Het zou "het midden van de wereld" zijn. Hij houdt deze droom geheim, maar zijn Graal is hem dus bekend, hij zal ooit deze Burcht, dit midden van de wereld, willen bereiken.

Ik zal nu het verloop van de geschiedenis daar laten en meer in het groot kijken naar wat het boek zoal aansnijdt. Het is werkelijk een meesterlijk amalgaam van al het eerdere werk van Mulisch. De verhalende gedeeltes zijn geschreven in de stijl van zijn latere boeken, sinds 'Twee vrouwen', dat wil zeggen: helder, doeltreffend, met veel dialogen, geestig, alert. Daarin ingebed liggen enorm veel excursies van beschouwelijke of essayerende aard, die aansluiten bij boeken als 'De rattenkoning' en 'Het woord bij de daad' (over politiek, maatschappelijke verschijnselen), 'De zaak 40/61' en 'De toekomst van gisteren' (over het Derde Rijk), 'Het seksuele bolwerk' (over seksualiteit, Freud), 'De zuilen van Hercules' (over het Boek, over het Licht; veel eruit verschijnt in andere gedaante in de nieuwe roman) en zijn dichtbundel 'Opus Gran' waarin een droomstad als 'De Burcht' voorkomt. Kenners van Mulisch' werk - en het is echt een oeuvre dat zo samenhangt en zichzelf voortdurend becommentarieert en in beweging houdt, dat men een kenner moet zijn om er ten volle van te profiteren - zullen al deze betrekkingen nog eindeloos kunnen uitbreiden en detailleren.

'De ontdekking van de hemel' is zoiets als wat 'Ada' voor Nabokov was, of 'De Slinger van Foucault' voor Eco. Met 'Ada' heeft het boek de doorgeconstrueerdheid gemeen, ook in het klein, tot op namen, getallen en data toe; met 'De Slinger' deelt het de toegewijde en spitsvondige belangstelling voor een geheime of occulte traditie, waarover tijdens het verhaal heel veel wordt gespeculeerd. De laatste tweehonderd bladzijden van Mulisch' roman hebben zelfs wel iets van het detective-achtige van Eco, als Onno en Quinten op zoek gaan naar de twee stenen tafelen, in Rome. Mulisch is, net als Eco, in veel tegelijk en in samenhang geinteresseerd, ik noem maar eens wat op: in de nog onontcijferde Diskus van Phaestus, de Big Bang, de gevangenisinterieurs van Piranesi, muziek, architectuur, de verhouding mens, kosmos en microkosmos, de paradox, Francis Bacon als handlanger van Lucifer, technologie, morele verloedering, euthanasie, Hitler, Auschwitz, het Heilige der Heiligen, Egypte, de mogelijkheid om terug in de tijd te kijken, de achterkant van de politiek, wereldgeschiedenis, kosmologie, logica, filosofie - het zijn nog maar enkele onderwerpen, waarvan ik me herinner dat ze in meer of mindere mate in het boek aan de orde komen.

Een voorbeeld van een van die overwegingen, ook om te laten zien met hoeveel verve Mulisch schrijft:

"Terwijl hij zich verdiepte in de techniek van de keizersnede en naar foto's van het bloederige buikinwendige keek, waar zuigelingen werden opgedolven uit vochtige, donkere krochten, tegen hun zin zo te zien, werd hij getroffen door de spiegelbeeldige overeenkomst van het operateurswerk en dat van hemzelf. Zoals hij, uitgaande van zijn lichaam, in de diepten van het universum keek, waar alles steeds onbegrijpelijker werd, zo sloegen zij de omgekeerde richting in en drongen datzelfde lichaam binnen, waar zij op overeenkomstige mysteries stootten, met aan het eind van hun weg raadselachtige neuronen en DNA-moleculen, waarvan de werking in laatste instantie misschien ook werd bepaald door quantumprocessen. Dat de maat van het menselijk lichaam vrijwel exact het midden hield tussen die van het heelal en die van de kleinste deeltjes, was daarmee in overeenstemming. De mens was de spil van de wereld - dat behelsde geen theologisch dogma: dat kon je nameten."

Een andere passage, ook echt Mulisch, betreft een gedachtengang van Quinten, die peinst over de mogelijkheid van een zogenaamde historioscoop: "Waarom was er eigenlijk iets, en niet niets? Als alles toch voorbij ging, wat had het dan voor zin dat het er ooit was geweest? Was het er dan eigenlijk wel geweest? Als er op een dag geen mensen meer zouden zijn, niemand meer die zich nog iets kon herinneren, kon je dan zeggen dat er ooit iets was gebeurd? Dat wil zeggen, kon je nu zeggen dat je dan kon zeggen dat er ooit iets was gebeurd, terwijl er dan niemand meer zou zijn om iets te zeggen? Nee, dan was er nooit iets gebeurd - terwijl het toch was gebeurd."

Negenhonderd bladzijden is natuurlijk een aanslag op het herinnerings- en bevattingsvermogen. Hoewel de roman mij in zijn geheel heeft geimponeerd, meen ik mij te herinneren, maar ik wil mij voorzichtig uitdrukken, dat hij op sommige ogenblikken, vooral in het Derde Deel, wat verslapt. Ik zou niet weten hoe ik deze indruk anders dan door een tweede lezing zou moeten staven, maar een tweede lezing zat er in het mij toegemeten tijdsbestek niet in. Dat is eigenlijk altijd jammer, temeer daar we in het geval van 'De ontdekking van de hemel' over een ongewoon grote en grootse roman spreken.

Die lauwerkrans, hij verdient hem.

Hoed af.

Deel dit artikel