Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De hemelse beloning

Home

Sam Janse

De eerste christenen lieten zich vol geloofsvertrouwen voor de leeuwen werpen. „Laat me toch voedsel zijn voor de dieren. Daardoor kan ik tot God komen.”

Moslimstrijders nu geven al even weinig om hun aardse bestaan – zie de zelfmoordterrorist die vorige week in Uruzgan toesloeg en daarbij ook de Nederlandse militair Timo Smeehuijzen mee het graf insleurde. Theoloog Sam Janse ziet veel overeenkomsten tussen vroeg-christelijk en hedendaags islamitisch martelaarschap. Maar de verschillen springen evenzeer in het oog.

De Amerikanen hebben in Irak nog steeds geen orde op zaken kunnen stellen. In veroveren zijn ze goed, in pacificeren blijkbaar niet. Het is natuurlijk de vraag of een guerrilla ooit te winnen is. Daarbij komt nog dat dit geen gewone guerrilla is.

Elk oorlogsmodel gaat uit van de premisse dat de vijand zijn eigen leven liefheeft en dat hij zijn militaire doel levend zal proberen te bereiken. Maar deze logica werkt niet in het Midden-Oosten – het is wellicht de grootste inschattingsfout die de Amerikanen gemaakt hebben. Mannen, vrouwen, zelfs kinderen staan in de rij om zichzelf op te blazen, om zo de vijand schade toe te brengen én zichzelf te verzekeren van een plaats in het Paradijs. Hier is een tweevoudig motief aanwezig, waarbij het laatste niet het onbelangrijkste is. En paradoxaal genoeg kan dit religieuze motief militair wel eens de doorslag geven.

Hetzelfde speelt in Uruzgan, Afghanistan. De Nederlandse troepen zijn wat bewapening betreft volstrekt superieur aan de talibanstrijders, en toch moeten die niet onderschat worden. Hun eigenlijke wapen is de doodsverachting (beter: levensverachting). Zij gaan er bij tientallen, bij honderdtallen aan. Als insecten. Wat deert het hun? Daarentegen telt in onze beleving elke gesneuvelde Nederlandse militair zwaar. Na de dood van korporaal Cor Strik laaide meteen de discussie op: of wij onze troepen niet moeten terugtrekken. Vanuit het oogpunt van beschaving en menselijkheid is dat debat hoogstaand, vanuit het oogpunt van strategie lachwekkend en gevaarlijk. Inmiddels zijn in Uruzgan drie Nederlandse militairen door oorlogsgeweld gesneuveld. Worden dat er tien, dan zal ongetwijfeld ook Den Haag de discussie over terugtrekking inzetten. En als er honderd doden vallen, durf ik er een maandsalaris om te verwedden dat wij de missie staken. Dat is onze kwetsbaarheid. Dat weten de talibanstrijders.

Vuur en Paradijs

Het is de religieuze factor die de strijd in het Midden-Oosten zo bizar maakt. Wat zijn dat voor mensen die hun eigen leven niet achten? Hier zijn de klassieke modellen van oorlogvoering niet toereikend. Hier gaan psychologische wetten niet meer op. Natuurlijk worden Palestijnen door Israëliërs gediscrimineerd. Natuurlijk zijn ze tweederangsburgers in eigen land. Maar de wanhoop, door die behandeling opgeroepen, verklaart onvoldoende dat jonge mensen zich aanmelden voor Himmelfahrtskommandos. Meer volken worden gediscrimineerd en onderdrukt, en sommige wel erger dan de Palestijnen, en toch grijpt men in zo’n situatie meestal niet naar de zelfmoordaanslag als laatste wapen. In het Midden-Oosten is de religieuze factor beslissend.

Voor moslims zijn Hel en Hemel, Vuur en Paradijs realiteiten. Voor westerlingen is dat moeilijk mee te maken, zelfs voor de christenen onder hen. De Bijbel is sober als het gaat om de hemelse heerlijkheid en belooft in elk geval geen maagden. Westerse christenen onderstrepen graag dat de Bijbel op dit punt in beelden spreekt. In elk geval zetten deze beelden de gelovigen niet aan tot gewapende strijd. De christelijke prediking kent vanouds de dreiging van de hel en de beloning van de hemel, maar vertelt tegelijk het verhaal van de monnik die bezig is het vuur van de hel te blussen. Als God hem vraagt wat hij aan het doen is, zegt hij: „Ik blus het vuur van de hel, opdat de mensen U niet langer zullen dienen uit vrees voor de hel en uit verlangen naar de hemel, maar om Uzelf.” De hoofdlijn van de christelijke verkondiging is dat God ’om zichzelf’ bemind en gediend wil worden.

De dood als buitenkans

De meeste moslims vatten de verschrikkingen van het hellevuur en de geneugten van het Paradijs volstrekt realistisch op. „Mijn vader eet nu appels en bananen”, zegt een klein Palestijns jongetje op de televisie, wiens vader zich zojuist heeft opgeblazen. Hij gebruikt een oeroud motief van het (islamitisch) Paradijs.

Mohammed B. vertaalde in de zomer van 2004 een extreem-islamitisch geschrift van Amir Sulayman, een moslimterrorist die in Egypte, Saoedi-Arabië en Afghanistan een indrukwekkende staat van dienst heeft opgebouwd. Daarin worden zeven beloningen opgesomd die de martelaar ontvangt. Nummer vier is: „Hij zal tweeënzeventig vrouwen in het Paradijs ontvangen.” Nummer vijf luidt: „Hij zal in het Paradijs een speciale kroon en speciale kleding krijgen, zodat iedereen hem als een martelaar zal herkennen.” Seks en populariteit zullen in het Paradijs dus niet ontbreken.

In onze cultuur wekken deze beloningen alleen maar de lachlust op, en vooral de toezegging van de maagden is goed voor een eindeloze stroom grappen en grollen. Ze maken duidelijk dat geseculariseerde westerlingen zich niet kunnen voorstellen dat deze beloningen voor miljoenen moslims net zulke realiteiten zijn als het pensioen het in onze samenleving is voor een 64-jarige. Of de geplande zomervakantie voor de harde werker. Concreet, reëel, er mag op gehoopt, er kan op gerekend worden.

Hoeveel autochtone Nederlandse mannen zouden niet bezwijken voor de verleiding van 72 maagden als ze werkelijk zouden geloven dat ze daar, na een terreuraanslag op Gods vijanden, over zouden kunnen beschikken? Ik vrees dat ze zich, net als in het Midden-Oosten, in rijen zouden melden.

In de islamitische lectuur wordt de beloning onderstreept, de te betalen prijs gebagatelliseerd. Het bovengenoemde, door Mohammed B. vertaalde werk van Sulayman heet ’Het slagveld, de veiligste plek op aarde’. De moedjahedien (strijder en dan ook martelaar in de djihad) is op het slagveld het veiligst omdat hij die voor Allah sterft, niet werkelijk sterft, maar direct naar het Paradijs gaat. Hij zal de Sirat, de brug over het Hellevuur, oversteken ’met de snelheid van het licht’, volgens nummer drie van de zeven beloningen. De achterblijvers moeten hem dan ook niet als dode zien, en niet om hem treuren.

Deze kennis helpt om inzicht te krijgen in de motieven van Mohammed B. en zijn strijdmakkers in het Midden-Oosten. De marteldood is geen risico dat je zoveel mogelijk probeert te vermijden, de dood is een mogelijkheid om tegen een geringe prestatie een enorme beloning binnen te slepen. De dood als kans, als buitenkans! „We zouden ons moeten verheugen in onze kans de kafirs te straffen en de hoge stations van eer te bereiken, die Allah heeft geplaatst voor de Mujahid”, zegt Sulayman in vertaling. Mohammed B. had zich op de dood voorbereid. Het zal hem tegengevallen zijn dat hij er levend vanaf kwam. Geen opwindend leven met appels en bananen en een harem van 72 maagden, maar een saaie, Nederlandse cel en een eindeloze procesvoering. Dat is het risico dat een moslim als Mohammed B. loopt in een land dat een zorgvuldige procesvoering kent en de doodstraf heeft afgeschaft.

Frappante overeenkomsten

Om scherper zicht te krijgen op het eigene van het islamitische martelaarschap vergelijk ik het met het christelijke. Preciezer, ik kies uit beide religies een bepaalde interpretatie. Ik ben me ervan bewust dat het bij Mohammed B. om een extreme vorm van de islam gaat, al staat het geval niet op zichzelf. Ik ga ervan uit dat wereldwijd de meeste moslims de moord op Theo van Gogh zullen afwijzen. Maar ik vrees dat een meerderheid van de oemma de Palestijnse zelfmoordterroristen toch wel een plaats in het Paradijs gunt.

Het gaat me nu niet om de vraag wie er voor het martelaarschap in aanmerking komt, maar wat de beloning inhoudt en welk menselijk verlangen ermee correspondeert. Dat wil ik in beeld krijgen door islamitische martelaars als Mohammed B. te vergelijken met christelijke martelaars als Ignatius van Antiochië en Polycarpus van Smyrna uit de tweede eeuw en later. Het lijkt een ongelukkige vergelijking omdat er bijna 1900 jaar tussen zit. Toch zijn de overeenkomsten, naast de verschillen, frappant. Ik denk dat er meer verschil zit tussen Mohammed B. en Dietrich Bonhoeffer – om een moderne christelijke martelaar te noemen – dan tussen islamitische martelaars van nu en de christelijke martelaars uit de vroege kerk.

Voor de leeuwen

De gemeenschappelijke motieven zijn opvallend. De christelijke martelaars uit de eerste eeuwen konden zich verheugen op het lijden dat hun wachtte. We lezen al in het Nieuwe Testament dat Petrus en Johannes verheugd zijn dat ze mogen lijden voor de naam van Jezus (Handelingen 5:41). Ook in de eerste brief van Petrus (hoofdstuk 4) worden christenen opgeroepen om zich te verheugen als ze moeten lijden. Natuurlijk hebben ook christenen in het vuur van de beproeving wel eens anders gepiept. Dat blijkt uit het feit dat er nogal wat lapsi in de vroege kerk waren, ’gevallenen’, afvalligen, gelovigen die toch voor de keizer hadden geofferd om hun leven te redden. Maar dat sommigen het lijden werkelijk als een voorrecht zagen, weten we uit de brieven van Ignatius. Deze bisschop van Antiochië, uit het begin van de tweede eeuw, was opgepakt en op transport gezet naar Rome voor een proces. We weten weinig van de precieze reden, maar het heeft met geloofsvervolging te maken. Omdat Ignatius onderweg een aantal brieven geschreven heeft naar verschillende gemeenten, weten we uit de eerste hand hoe hij zijn martelaarschap beleefde.

Hij bezweert de gemeente van Rome dat ze geen pogingen moet doen om hem vrij te krijgen. Want dat zou hem de ultieme, hemelse beloning kosten. Die hoopt hij juist van ganser harte te verwerven, en zijn vrees is dat hij deze eer niet waardig is. Martelaarschap is dus een genade, een voorrecht dat slechts weinigen ten deel valt. De duivel is er dan ook niet op uit om hem voor de leeuwen te krijgen, maar wil dat juist voorkomen. Ignatius doet het volgende appèl aan de gemeente van Rome: „Ik schrijf alle gemeenten en druk alle op het hart dat ik graag voor God sterf. Als u het mij maar niet verhindert. Ik vermaan u: laat uw welwillendheid mij niet ongelegen komen. Laat me toch voedsel zijn voor de dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de dieren word ik gemalen opdat ik zuiver brood van Christus zal blijken te zijn. Ja hitst de dieren op dat ze mijn graf worden en niets van mijn lichaam overlaten.”

De Noord-Afrikaanse kerkvader Tertullianus vertelt in zijn geschrift ’Ad Scapulam’ over de Romeinse gouverneur Arrius Antoninus, die aan het eind van de tweede eeuw in Klein-Azië de christenen heftig vervolgde. Hij ontdekte tot zijn verbijstering en ergernis dat het niet werkte. De christenen kwamen ongevraagd naar hem toe en vroegen zijn gunst om ook gedood te mogen worden. Halverwege dit onbegonnen werk riep hij vertwijfeld tegen de overigen: „Dwazen, hebben jullie geen rotspunten (om vanaf te springen) en stroppen (om je mee op te knopen)?”

Soldaten van Christus

De vurige wens van de christenen om te mogen sterven moet de Romeinse autoriteiten tot wanhoop hebben gebracht. Hun middelen en straffen veronderstelden uit de aard der zaak de afschrikwekkendheid ervan. Maar wat als de aanhangers van dit gevaarlijk bijgeloof (superstitio volgens de Romeinse schrijvers) de straf als een begerenswaardig voorrecht zien? Als ze graag voor de leeuwen geworpen willen worden? Daarop is de Romeinse repressieve politiek stukgelopen. En het ziet er naar uit dat ook de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten erop vastloopt.

Soms zijn de beelden van christelijk en islamitisch martelaarschap opvallend gelijk. Sulayman zegt dat de martelaars in het moslimparadijs een kroon op het hoofd krijgen en bijzondere kleding waaraan ze herkend worden. In de Openbaring van Johannes (2:10) wordt tegen de vervolgde gemeente van Smyrna gezegd: „Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon van het leven.” De kroon is in de vroegchristelijke teksten vaak hét symbool van goddelijke beloning voor de martelaar.

Verwant is ook de manier waarop over het lijden en de pijn wordt gesproken. Sulayman schrijft dat de moedjahedien bij de dood geen enkele pijn voelt. Al-Tirmidhi, een van de vroege verzamelaars van de overleveringen betreffende Mohammed, wordt aangehaald: „De martelaar voelt de pijn van de dood niet, behalve als een kneep.” Met andere woorden: wat wil zo’n kneepje zeggen tegenover de onvoorstelbare eeuwige gelukzaligheid die ons ten deel zal vallen?

De christelijke martelaar Polycarpus wordt verbrand. Maar, vertelt het verslag over hem en andere martelaren: ze zuchtten en steunden niet. In zekere zin verbleven ze al buiten het lichaam, beter nog, de Heer stond hen bij en sprak hen toe. Het vuur leek de martelaars koud toe. Wat stelde dit vuurtje ook voor, vergeleken bij het eeuwige vuur dat op deze manier ontlopen kon worden. Zo kochten ze in één uur het eeuwige leven, zegt het verslag.

Een andere overeenkomst is dat het martelaarschap als een strijd gezien wordt. In een brief van vervolgde christenen in Zuid-Frankrijk duiden ze een martelaar aan als een kampvechter en ook bij de kerkvader Cyprianus, rond 250 bisschop van Carthago, is de strijd het belangrijkste gezichtspunt van het martelaarschap geworden: de soldaten van Christus verwerven zich in het goddelijke leger heldhaftig eeuwige roem.

De ware martelaar

Hier ligt tegelijk een verschil met de islamitische martelaarstraditie. De strijd van de vroege christelijke martelaars gaat om het punt: houd je het vol in het vuur van de vervolging of bezwijk je op dat moment? Het gaat niet gepaard met een aanval op de Romeinse macht. Het slagveld is spiritueel. De christen strijdt, zo zegt Cyprianus, zonder wereldse wapens, maar toegerust met de afweer van het volhardende geloof. Het slagveld is de arena, waar de uitgehongerde leeuwen op je afstormen en je verscheuren, maar je zo juist doen overwinnen.

Voor de moslimmartelaar daarentegen is de strijd ook, en niet in de laatste plaats, fysiek en actief. Op het slagveld moet je strijden met inzet van alle mogelijke wapens. En als je daarbij het leven verliest, geen nood. Allah heeft de hoogste onderscheiding en het ultieme genot voor je klaar liggen.

Er zijn in de vroege kerk trouwens wel christenen geweest die geweld gebruikten: gelovigen die vol verlangen uitzagen naar de martelaarsdood, maar die niet door de Romeinse overheidsdienaren opgepakt werden. De classicus Fik Meijer suggereert in zijn laatste boek ’Vreemd volk’ dat deze christenen de overheid provoceerden door beelden en tempels te schenden. Het ging hun er niet om de politieke macht in handen te krijgen, maar om de tegenstander uit te dagen hun de genade van de marteldood te schenken. Door de kerkleiding werd deze houding overigens doorgaans afgewezen. De ’Marteldood van de heilige Polycarpus’ zegt het expliciet: de ware martelaar wacht tot hij verraden wordt. Bij mensen die zichzelf aanbieden, moet je trouwens nog maar afwachten, zegt de schrijver, of ze op het beslissende moment nog wel zo standvastig zijn. De theoloog Clemens van Alexandrië trekt de conclusie dat, als de autoriteit schuldig is die een godsman tot de marteldood veroordeelt, ook hij schuldig is die zichzelf daarvoor aanbiedt.

Een ander verschil is dat in de islam veel zinnelijker over de paradijselijke beloning voor het martelaarschap gesproken wordt dan de christelijke martelaarsverhalen doen. Dat zal te maken hebben met een scheut platonisme die de vroege kerk doortrokken heeft. Het zinnelijke moet het daarin altijd afleggen tegenover het spirituele. „Niets van het zichtbare is schoon”, zegt Ignatius. Een kanttekening daarbij is dat het christendom van de eerste eeuwen wel een belangrijke chiliastische stroming heeft gekend, die vanuit de oudtestamentische heilsprofetieën het Rijk van God op aarde buitengewoon concreet schildert.

De schrijver Papias uit de tweede eeuw zegt: „De dagen zullen komen wanneer wijnstokken groeien die ieder tienduizend ranken hebben en aan elke rank tienduizend twijgen en aan elke twijg tienduizend loten en aan elke loot tienduizend trossen en aan elke tros tienduizend druiven en elke druif zal uitgeperst vijfentwintig metreten wijn geven.” Deze visie heeft het lang uitgehouden in de kerk en is trouwens nooit helemaal verdwenen. Het machtswoord van de kerkvader Augustinus, die tegenover deze ’vleselijke eetfestijnen’ de ’geestelijke genietingen’ stelde, was wel voldoende om de stroming te marginaliseren. En voor de seksualiteit was volgens de christelijke theologie in het hemelse hiernamaals überhaupt geen plaats. Dat zal te maken hebben met Jezus’ woord dat er in Gods grote toekomst niet meer gehuwd en niet meer ten huwelijk genomen wordt (Marcus 12:25).

Vrouwenborsten

Wat moeten we ons voorstellen bij de ’geestelijke genietingen’ waarvan Augustinus spreekt? Centraal staat de verhouding tot God. „We zullen hem zien zoals Hij is”, zegt het Nieuwe Testament al over de hemelse heerlijkheid (1 Johannes 3:2). We komen het ook tegen in de brief van Ignatius aan Rome. Zijn toekomstig geluk is „tot God te komen”, „tot Hem op te gaan”, „bij God te zijn”. „Als ik maar bij Jezus Christus kom”, zegt hij.

Er zit, ondanks het morbide doodsverlangen, een innige, mystieke trek in de martelaarsverhalen. „Hem zoek ik die voor ons stierf, Hem wil ik die voor ons opstond”, schrijft Ignatius verder. Als de proconsul probeert om Polycarpus over te halen om aan de keizer te offeren en Christus te vervloeken, antwoordt hij: „Zesentachtig jaar heb ik hem gediend en hij heeft mij geen kwaad gedaan. Hoe kan ik dan mijn Koning die mij gered heeft vervloeken?” Net als Sulayman spreekt de kerkvader Ambrosus van Milaan (midden vierde eeuw) over de zevenvoudige zaligheid in de hemel (weliswaar van de gelovigen in het algemeen, niet specifiek van de martelaars), maar de laatste en ultieme heerlijkheid is dat de gelukzaligen God zullen ontmoeten en zijn aangezicht zullen zien.

Deze innigheid mis ik in veel van de internetislam die over ons uitgestort wordt. Zeker ook in de bijdragen van Sulayman die Mohammed B. zo inspireerde. Deze islam komt op mij over als een platte religie die sterk contractmatig denkt. Voor wat hoort nu eenmaal wat. Beloning is een kernwoord. De tekst van Sulayman spreekt over een business transaction en een deal van Allah. Daarbij wordt geadverteerd met vrouwenborsten om rekruten voor de djihad te werven. Hier is de keuzevrijheid voor God in het geding en wel op twee niveaus: de moedjahedien stelt zich in Allah’s dienst ter wille van de paradijselijke borsten, om vervolgens de afvalligen en de kafirs in Zijn gareel te dwingen.

Boevengodsdienst

Zo’n religie moet vreemd volk aantrekken. Naar verluidt gaan er nogal wat criminelen in de gevangenis over tot de islam. Ik kan het niet controleren maar het zou mij niet verbazen als het zo was. Deze islam is een boevengodsdienst. Ze levert de crimineel een ideologische en morele rechtvaardiging, waarbij hij zijn leven onder een andere vlag kan voortzetten.

Ik besef dat in deze analyse versimpeling dreigt. Er is natuurlijk ook de woede tegen het corrupte, hedonistische Westen, er is een vreemde, maar vaker voorkomende mix van meer- en minderwaardigheidsgevoelens, er is de behoefte aan ultieme zingeving, en nog heel veel meer. Maar het zware accent op de beloning is in staat om ook minder fijnbesnaarde zielen met onzuivere motieven te betrekken bij de strijd, met alle gevolgen van dien.

De meer filosofisch of mystiek ingestelde geesten in de islam haasten zich te zeggen dat de heerlijkheden van het Paradijs en de verschrikkingen van de Hel niet letterlijk, maar metaforisch zijn bedoeld. Het gaat uiteindelijk om meer dan de materiële en lichamelijke genietingen. Zij kunnen zich hiervoor ook op de Koran beroepen. Die spreekt over de ontmoeting van de gelovigen met Allah: „Stralende gezichten zijn er op die dag die naar hun Heer kijken” (Soera 75.22v). En nog duidelijker: „God heeft de gelovige mannen en vrouwen tuinen toegezegd waar de rivieren onderdoor stromen om daarin altijd te blijven en goede woningen in de tuinen van ’Adn. En Gods welgevallen is nog geweldiger. Dat is de geweldige triomf!” (Soera 9.72). Het lijkt me dat de imams nog een schone taak hebben om het bizarre beeld bij te stellen dat Mohammed B. en de zijnen van het Paradijs oproepen. Dat de Koran iets zegt over Paradijsvrouwen met ronde boezems (Soera 78.33) weten we nu wel, maar die andere aspecten lijken mij als niet-moslim wel net zo belangrijk en in elk geval wat vrouwvriendelijker.

De ultieme dreiging

De extreme internetislam werkt als een hersenspoeling. Dat is trouwens een beproefd recept van extremisten. Marco Polo schrijft in zijn reisverslag over de ’Oude Man van de Berg’, een heerser die ergens in het Oosten in een dal een paradijselijke tuin had laten aanleggen. De bomen gaven het heerlijkste fruit, in de kanalen stroomde water, honing en wijn. Er waren jongens (!) en meisjes, ’better than the best’, die konden musiceren, dansen, en nog iets. De Saracenen ofwel moslims uit die streek, schrijft Marco Polo, geloofden werkelijk dat dit het Paradijs was, want Mohammed had gezegd dat, wie daarheen ging, net zoveel mooie vrouwen kon krijgen als hij wilde. Nu had de Oude Man een zeer bijzondere bedoeling met zijn tuin. Zijn hofhouding bestond uit jonge jongens die hij soms drogeerde met hasj en dan in de tuin der lusten liet ontwaken. Als ze uit deze lustwarande weggehaald werden, wilden ze maar één ding: weer terug. De Oude Man vertelde hun dan dat dat mogelijk was, op voorwaarde dat ze zijn opdracht zouden uitvoeren. Die bestond hierin dat ze een van zijn tegenstanders uit de weg moesten ruimen. De jongemannen deden dat graag, omdat ze, hoe dan ook, naar het Paradijs wilden terugkeren. Ze heten in het verhaal van Marco Polo assassijnen, hasjgebruikers. In het Frans leeft het woord nog voort als assassins, moordenaars. Wat Marx over opium en religie zei, slaat blijkbaar wel ergens op.

De Amerikanen krijgen nog een dobber aan de Iraakse assassijnen. Ze hadden van de oude Romeinen kunnen leren dat de strategie van de machthebber niet werkt, wanneer de ultieme dreiging die de machthebber achter de hand houdt, samenvalt met de ultieme beloning die de potentiële martelaar voor zich ziet. Misschien moeten ze bij eventueel volgende operaties meer godsdienstwetenschappers en psychologen in dienst nemen. Ik schat dat ze voor de kosten van één gevechtsvliegtuig er een heel bataljon van kunnen aanschaffen.

Dr. Sam Janse is predikant te Driebergen. Vorig jaar verscheen van hem ’De tegenstem van Jezus. Over geweld in het Nieuwe Testament’ (Boekencentrum, Zoetermeer. ISBN 9879023921399, 212 blz., euro 19,50).



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie