Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De grootmoefti in Den Haag

Home

Igor Cornelissen

De grootmoefti van Jeruzalem, het is genoegzaam bekend, ronselde tijdens de Tweede Wereldoorlog moslims die voor de nazi’s streden aan het front. Minder bekend is dat de man ooit een bezoek bracht aan Nederland.

Onlangs was er in deze krant discussie over de grootmoefti van Jeruzalem, hadji Amin al-Hoesseini. In een ingezonden brief werd opgemerkt dat de man heus niet persoonlijk een moslim SS-divisie uit de grond had gestampt. Daarvoor was Heinrich Himmler verantwoordelijk.

Dat lijkt een hele geruststelling. Maar je hoeft geen kenner te zijn van de Duitse legeropbouw om te begrijpen dat het ondenkbaar was dat een niet-Duitser tijdens het nazitijdperk divisies zou kunnen oprichten of samenstellen. En het maakt de rol van de grootmoefti voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog niet minder twijfelachtig. De man was en bleef een Jodenhater. Juist dat maakte hem tot een geziene gesprekspartner van zowel Himmler als Hitler. Voor Radio Berlijn sprak de grootmoefti in 1942: „Dood de Joden waar ge hen maar aantreft. Zulks behaagt God, de geschiedenis en de godsdienst.” Dat was precies zijn programma tijdens de jaren twintig en dertig in Palestina, toen Joodse kolonisten het slachtoffer werden van zijn hetzecampagnes. Hitlers oorlog leek hem een uitgelezen kans om zijn programma op nog grotere schaal voort te zetten.

Zijn gezag onder grote groepen moslims maakte hem een dankbaar werktuig voor Himmler, die in december 1942 al speelde met het idee een pure moslimeenheid op te richten aan het Joegoslavische front. Pas in februari 1943, na de debacle van het Duitse leger bij Stalingrad, zette Hitler voor Himmler het licht op groen. Himmler mocht onder de één miljoen Bosnische moslims rekruteren voor een eigen divisie: de 13. Waffen-Gebirgs-Division der SS Handschar. ’Handschar’ of ’Handzar’ verwijst naar het Arabische kromzwaard, het destijds favoriete gevechtswapen van de moslims. Tegen het einde van 1943 telde de divisie 21.065 mannen onder wie 18.000 moslims. Foto’s van de grootmoefti die gevechtstroepen inspecteert werden tijdens de oorlog gepubliceerd, zoals er ook foto’s zijn van zijn gesprek met Hitler. Het curieuze was dat het kader van de Handschardivisie nagenoeg uit Duitsers bestond, die dan ook spottend Muselgermanen heetten.

De grootmoefti bleef tot het einde van de oorlog soldaten ronselen voor de moslimdivisie. De eenheid streed tegen de partizanen van Tito, en niet minder tegen de Britten en de Sovjet-Unie. De Duitsers van hun kant kwamen de moslimvrijwilligers tegemoet. Er werden speciale koks aangesteld om te voldoen aan de islamitische voedingsvoorschriften en hun uniform werd aangevuld met een fez, rood of groen naar keuze.

In 1946 verzocht Joegoslavië om uitlevering van de grootmoefti. Zonder succes.

Vrij onbekend is dat grootmoefti Amin al-Hoesseini ook Nederland heeft bezocht, waarschijnlijk eind 1943.

In park Zorgvliet, tussen Den Haag en Scheveningen, was in de herfst van 1942 een school opgericht voor de opleiding van geheim agenten. Die zouden, mochten de Geallieerden het westelijke deel van Nederland of andere delen van West-Europa bevrijden, als spionnen en saboteurs achter de linies worden ingezet. Deze Agenten Schule West kreeg de naam Seehof. De leiding was in handen van van de in Amsterdam geboren Friedrich Knolle, die tijdens de bezetting werkte voor de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD. Hij stond direct onder het hoofd van die dienst, Wilhelm Harster.

Knolle was een van de felste nazi’s die hier tijdens de bezetting optrad. Hij was verantwoordelijk voor de selectie van de eerste vijf gijzelaars die in Nederland werden doodgeschoten, hij organiseerde het neerslaan van de Februaristaking in 1941 (’Hij had zijn hond bij zich,’ schreef Ben Sijes in zijn studie naar de gebeurtenissen), en hij was verantwoordelijk voor de executie van een aantal gevangenen in Kamp Amersfoort. Knolle steunde de eveneens rabiate nazi Meindert Rost van Tonningen in diens intriges tegen de ’slappe’ Anton Mussert.

Zorgvliet, de oude buitenplaats van Jacob Cats (nu het Catshuis), werd tijdens de oorlog volkomen afgegrendeld van de buitenwereld. Voor de hoge muren stonden gewapende schildwachten en de borden met de mededeling Es wird sofort geschossen waren duidelijk genoeg. Wat er achter die muren gebeurde bleef ook na de oorlog raadselachtig. Voor zover ik heb kunnen nagaan hebben alleen De Waarheid (editie Friesland, 14 februari 1946) en De Prinsenstad (2 oktober 1948) er kort over bericht. Zij meldden ook hoe de grootmoefti van Jeruzalem in gezelschap van Himmler de school bezocht.

Het onderricht aan de saboteurs en spionnen in spe was veelzijdig. Behalve onderwijs in talen leerden ze omgaan met springstoffen en moderne vuurwapens, ze leerden radiozenders met geheime codes te gebruiken, ze kregen les in auto- en paardrijden, boksen en schermen.

De dagelijkse leider van de school was Jacobus Sprey, een vroegere Nederlandse reserveofficier. Het liep slecht met hem af. Hoewel een paar maanden eerder getrouwd met de dochter van een Duitse generaal, werd hij in december 1943 veroordeeld wegens homoseksuele handelingen met instructeurs van Seehof. Hij kreeg van Himmler de keus: of een strafzaak voor het SS- und Polizeigericht of ’eervol’ zelfmoord plegen. Sprey koos voor het laatste (Knolle leverde het wapen) en kreeg een eervolle begrafenis; bij zijn doodsbericht in Volk en Vaderland stond dat hij omgekomen was door een ongeluk met handgranaten.

Deze details over de spionnenschool las ik in een op 14 september 1945 in gevangenkamp De Harskamp ’vrijwillig’ afgelegde verklaring door Gilles Ernst Willem de Wijs, een van de vele leerlingen van de school. Tientallen namen noemde hij van leraren en leerlingen, meestal met hun schuilnamen en opdrachten erbij. Wat mij het meest intrigeerde was de passage waarin hij melding maakte van bezoeken door Skorzeny (de ’bevrijder van Mussolini’), de grootmoefti en Himmler aan de school. De tolk van de Arabische leerlingen vertelde De Wijs „dat hij een papier met een ondertekening van de Groot Moefti kreeg; iedereen die zoiets had, ook Europeanen, werden zonder voorbehoud door de leden van zijn organisatie geholpen in Arabië”.

Ik raakte meer en meer geïnteresseerd in Friedrich Knolle, de Nederlandse SS-kolonel.

Vanaf zijn zeventiende had hij in Kiel gewoond. In 1928 werd hij lid van de NSDAP, in 1932 van de SS en vanaf 1938 was hij Leiter der SD Außenstelle in Aken, waarbij hij speciaal het oog had gericht op Nederland. Al in augustus 1940 werd hij hierheen overgeplaatst.

Hoewel hij op de lijst van Nederlandse oorlogsmisdadigers stond, was hij nooit door de Amerikanen uitgeleverd, ondanks herhaalde verzoeken van Den Haag. Wat was er na de oorlog van hem geworden? De man moest veel weten over collaboratie door Nederlanders. Maar hoe vond ik hem? Zou hij willen praten? En wat zou hij over de grootmoefti kwijt willen?

Dankzij de weduwe Rost van Tonningen – nog altijd een groot bewonderaarster van Himmler en Hitler – lukte het mij in 1969 om contact met hem te krijgen. In een Raststütte langs de Autobahn zou Knolle op ons wachten. Het ging om een oriënterend gesprek, want Knolle was een argwanend man. Het eerste wegrestaurant verlieten we op zijn uitdrukkelijke verzoek, eigenlijk meer een bevel, na tien minuten. Iets stond hem daar niet aan. Wellicht was het een oude reflex: eventuele volgers van je afslaan.

Het werd geen prettig gesprek. Knolle was veel aan het woord, dat wel, maar hij vuurde vooral vragen af. Wie ik was, voor welk blad schreef ik (’Het is een serieuze krant, Frits’, zei mevrouw Rost sussend), hoe ik dacht over de Oost-West-verhouding. Knolle was een stevig gebouwde, hoekige man met weinig humor, al moet ik zeggen dat het onderwerp daartoe ook geen aanleiding gaf. Ik probeerde tevergeefs te weten te komen waarom hij zo’n hekel had aan Nederland, terwijl hij er was opgegroeid (zijn Nederlands was accentloos). Hij antwoordde dat hij nog altijd thuis een schilderij van een Amsterdamse gracht had hangen. „Gekocht en betaald”, verduidelijkte hij.

Tijdens de maaltijd in een met kurassen volgehangen jachtslot benadrukte Knolle dat de Navo-belangen niet geschaad mochten worden. Kennelijk vertrouwde hij mijn bedoelingen niet.

Een uitgever, die zelf de oorlog niet had meegemaakt, was ook bij het gesprek. Hij vertelde me later hoe vreselijk hij de ontmoeting had gevonden. „Het was een doodenge man, die mij als het ware meteen begon te verhoren. Ik heb toen pas begrepen hoe de nazi’s in de oorlog waren. Hij begon me te ondervragen over het aantal Joden dat wel of niet was vergast. Hij was nog volstrekt overtuigd van de juistheid van zijn zaak.”

Uiteindelijk leverde de ontmoeting niks op. Later bedacht ik dat Knolle nieuwsgierig was geweest, ijdel misschien, maar dat zijn verstand had gezegevierd. Wat had hij te winnen met eventuele onthullingen over zijn tijd in Nederland?

Ook na zijn dood in 1977 bleef hij mij boeien. Ik kwam erachter dat hij slechts kort had vastgezeten in Duitsland en daarna, gedenazificeerd, waarschijnlijk had gewerkt als inlichtingenbron van de Amerikanen. De kennis die hij in Nederland en Joegoslavië over de communistische beweging had verzameld was immers goud waard in de steeds scherper wordende tegenstelling tussen Oost en West. Omdat Knolle voor de Amerikanen werkte, kon hij niet worden verhoord en evenmin uitgeleverd.

Mijn verdere speurtocht naar de Agenten Schule West liep stuk. Met veel moeite vond ik de namen en telefoonnummers van twee Nederlanders die er hadden gewerkt als instructeur. Beiden weigerden te praten. De eerste, een Hagenaar, gaf toe dat hij flink fout was geweest. Hij dacht er nu heel anders over en wilde het verleden graag laten rusten. De tweede, een man in Brabant, hoorde mij geduldig aan, lachte vrolijk en zei toen: „Ik weet er niets meer van. Het is afgesloten. U zoekt het maar uit. U wilt geld verdienen. Ik praat alleen met gelijkgezinden.”

Over het bezoek van de grootmoefti aan Nederland ben ik verder niets te weten gekomen. Hoewel zijn invloed afnam na 1948, toen de staat Israël werd opgericht en dat land oorlog had te voeren met alle omringende Arabische staten, bleef ook hij alleen met gelijkgezinden omgaan. Hij stierf in 1974 in Beiroet.

Deel dit artikel