Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De grenzen van de vrije meningsuiting

Home

Nico de Fijter

Volgens VVD-voorman Rutte kan de vrijheid van meningsuiting niet groot genoeg zijn. Enkele experts debatteren over het nut van de beperking. 'Nooit kon er zoveel gezegd worden als nu'.

'Kijk eerst eens naar het doel, het nut van het recht op vrije meningsuiting", zegt filosoof en socioloog Bas van Stokkom, van het Nijmeegse centrum voor ethiek. "Het recht op een vrije meningsuiting dient het debat en daarmee de waarheidsvinding in de samenleving.

De vrije meningsuiting staat ten dienste van de democratie. Bovendien moet het recht om je vrij te kunnen uiten de zwakkeren in de samenleving tot steun zijn."

Zo beschouwd kan de vrijheid van meningsuiting niet groot genoeg zijn. Nobel streven dus van VVD-voorman Mark Rutte, die afgelopen zondag pleitte voor het schrappen van de beperkingen op die vrijheid, voor zover er tenminste niet tot geweld wordt opgeroepen.

"Dat lijkt inderdaad bijzonder sympathiek en geëngageerd", zegt Van Stokkom. "Maar zo nobel is het niet. Want die vrijheid heeft alleen zin en kan alleen haar doel dienen als ze grenzen kent en gepaard gaat met verplichtingen, zoals respect voor de vrijheid van anderen. Want die grenzen en verplichtingen zorgen ervoor dat je de ander in de samenleving - waaronder minderheden - niet uit het oog verliest. Het recht op een vrije meningsuiting vraagt om écht engagement dat erop gericht is ieders waardigheid te beschermen. Discriminatie, belediging, achterstelling moet je tegengegaan. Juist dát is voor het debat en de democratie van groot belang."

Als je tegen burgers zegt: ga uw gang maar, roep maar wat u wilt, of u daarmee beledigt of discrimineert maakt niet uit - dan raken ze dat noodzakelijke engagement juist kwijt, betoogt Van Stokkom. "Dan wordt onverschilligheid troef."

"De samenleving heeft pluriformiteit nodig", zegt Thomas Mertens, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Radboud Universiteit. "Alle geluiden moeten kunnen worden gehoord." Dat betekent dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij denkt en dat iedereen tegen een stootje moet kunnen. "Het mag er best hard aan toe gaan. Juist omdat alle geluiden moeten kunnen worden gehoord, heeft iedereen ook bescherming en begrip nodig. De beperkingen op de vrijheid van meningsuiting zorgen daarvoor. Anders wordt die vrijheid een vehikel om onbegrensd te kunnen discrimineren. In zo'n situatie gaat de pluriformiteit ten onder."

Onzin, vindt Paul Cliteur, hoogleraar rechtsgeleerdheid aan de Leidse universiteit. "De rem die nu nog op de vrijheid van meningsuiting wordt gezet, is juist een sterke belemmering voor het debat. De grens van de vrijheid van meningsuiting wordt alleen bereikt als er tot geweld wordt opgeroepen. Alle andere beperkende criteria maken het debat onmogelijk. Terwijl het debat juist van levensbelang is voor de verder ontwikkeling van samenleving en cultuur. Een vrijere meningsuiting leidt niet tot verharding, maar brengt ons juist verder.

Vastgeroeste beginselen moeten kunnen worden losgewrikt. Hervormers zijn van levensbelang." Rutte's pleidooi verdient daarom navolging en zal de samenleving een stuk verder helpen, vindt hij.
Cliteur wijst op het islamdebat: "Nu zie je dat mensen die uit de moslimwereld afkomstig zijn en zich daar kritisch over uitlaten tussen twee vuren belanden. Enerzijds lijden zij onder terroristische dreiging, anderzijds lijden zij onder de beperkingen die de vrije wereld ze via wettelijke beperkingen oplegt."

De vervolging van PVV-leider Geert Wilders, die het Amsterdamse hof vorige week gelastte, is volgens de rechtsgeleerde een ander voorbeeld van verkeerde beperking van de vrijheid van meningsuiting. "Het hof introduceerde in zijn uitspraak zoiets als 'religieuze waardigheid'. Ja, als iedereen zich daar op kan blijven beroepen, kom je geen steek verder."

Kan zijn, zegt Van Stokkom, "maar het probleem is dat er onder het mom van de vrijheid van meningsuiting maar wat wordt geroepen, terwijl het debat er vaak op geen enkele manier mee wordt geholpen." Van Stokkom wijst op de affaire rond de cartoonist Gregorius Nekschot die vorig voorjaar werd aangehouden wegens publicatie van discriminerende en haatdragende spotprenten.

"Moeten we dat soort cartoons zien als een volwaardige en voorbeeldige bijdrage aan het debat? Dat lijkt me niet. Sterker nog: door de meningsvrijheid op te rekken zoals Rutte wil, wordt dat soort vuilspuiterij respectabel gemaakt. Je kunt wel blijven uitgaan van een soort vrije markt van ideeën en meningen. Maar lang niet iedereen is mondig genoeg om zich te laten horen in een samenleving die steeds meer door schreeuwers wordt beheerst."

Tegelijkertijd lijden de voorvechters van het ongelimiteerde vrije woord zelf aan grote gevoeligheid zodra zij zelf kritiek te verduren krijgen, zegt Van Stokkom. Dat maakt het debat er volgens hem ook niet beter op. "Dat geldt voor politici, maar nog veel meer voor vooral columnisten en cabaretiers, de macho's van het vrije woord. Ze zetten hun tegenstanders hard weg en triomferen. Maar zodra zij zelf worden aangepakt, is de wereld te klein."

"De termen schreeuwen en schelden worden te pas en te onpas op allerlei uitingen in het publieke debat gelegd" reageert Cliteur. "De minst kritische opmerking wordt al snel als gescheld opgevat. Wie kritiek heeft op deze of gene godsdienst of levensovertuiging wordt er snel van beschuldigd opzettelijk te hebben willen kwetsen. Ik geloof niet dat er bij mensen als Ayaan Hirsi Ali, Theo van Gogh, Ehsan Jami en Geert Wilders de opzet is om diep te kwetsen. Maar daar worden ze wel van beschuldigd en dat hindert het debat."

"Een paar jaar terug was er in Birmingham grote ophef over een toneelstuk waarin de positie van homo's in de sikh-gemeenschap aan de orde werd gesteld. De sikhs verzetten zich er hevig tegen en de voorstelling werd afgelast. De toneelschrijfster was er bijzonder ontdaan en verbaasd over: het was haar bedoeling helemaal niet om mensen diep te kwetsen, maar daar werd ze wel van beschuldigd."

Voor veel mensen is het al moeilijk genoeg om zich te laten horen, zegt Van Stokkom. Degenen die zich weten te uiten - díe worden gehoord. De media spelen daar volgens Van Stokkom een belangrijke rol in: zij zijn dol op harde roepers. "Rutte gaat veel te gemakkelijk aan die ongelijkheid voorbij."

Onder de dekmantel van het democratische debat vinden in toenemende mate uitingen hun weg die geen enkele functionele bijdrage aan het debat hebben, constateert Van Stokkom. Bovendien, zegt Mertens, denken velen dat de meningsuiting in Nederland de afgelopen jaren is teruggedrongen. "Maar niets is minder waar. Nooit kon er zoveel gezegd worden als nu."

De toon is helemaal niet harder geworden, denkt Cliteur. "Vergelijk de uitlatingen van nu eens met de godsdienstkritiek van mensen als W.F. Hermans, Gerard Reve en Rudy Kousbroek in de jaren zestig en zeventig. De toon is sindsdien echt niet harder geworden. De gevoeligheid daarentegen is alleen maar gegroeid, net als de lange tenen. Dat geldt voor alle godsdiensten en levensovertuigingen."

Cliteur wijst op de bevindingen uit september 2007 van de VN-rapporteur voor de godsdienstvrijheid: "Zij stelde dat mensen zich veel sneller beledigd voelen dan vroeger, dat mensen steeds minder kunnen hebben. De religieuze intolerantie is sterk toegenomen."
Cliteur pleit voor een terugkeer van wat hij de 'klassieke tolerantie' noemt: "Dat je gedoogt dat er kritiek is op jouw overtuiging."

Van Stokkom gaat daar lijnrecht tegenin. In plaats van een verruiming van de vrijheid van meningsuiting zouden we een 'moraal van het openbare debat' moeten bevorderen, denkt hij. "Geen inperking via de wet, maar toezien dat er fatsoenlijk met die vrijheid wordt omgegaan. Want juist als je een fatsoenlijke, respectvolle toon hanteert kun je veel zeggen. Dan kun je ook kritisch zijn zonder de mensen die je bekritiseert direct van je te vervreemden. Als je mensen bekritiseert die zich nog moeten ontwikkelen, dan moet je die kritiek vergezellen van steun."

Een terugkeer naar fatsoenlijk debatteren betekent niet dat er geen harde kritiek meer mag klinken, zegt Van Stokkom. "Kritiek op machthebbers, op leiders mag en moet heel vrijmoedig en confronterend zijn. Die moet je aanspreken op potentiële heerschappij. Het is alleen maar toe te juichen als bijvoorbeeld Ayaan Hirsi Ali de theologen en moslimleiders vierkant confronteert met dat wat in haar ogen verkeerd is. Maar die onverzoenlijke opstelling is ongepast als ze praat tegen jonge moslimmeisjes. Dat vraagt om een anders soort aanspreken. Kritisch en begripsvol tegelijk."

Deel dit artikel