Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De godheid heeft geen gezicht

Home

door Jan Oegema

Jan Oegema verdiept zich in een reeks essays in de eigenzinnige Duitsemysticus Meister Eckhart (1260-1328). In deze tweede aflevering onderzoekt hij diens begrip ’waaromloosheid’.

„Eckhart doorzag de grote denkfout van het christendom. Hij besloot boven op de voorhanden hemel een andere hemel te plaatsen, een hemel waarin God alle persoonsvormigheid heeft afgelegd. God bestaat niet, God is.”

Laat ik beginnen bij het hier en nu, bij u en mij. Waarom tik ik nu de letters in die u op dit ogenblik leest? Waarom wil ik over Meister Eckhart schrijven, waarom opnieuw aandacht voor een figuur die in het christendom zo wordt verontachtzaamd?

Daar kunnen we lang over praten, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat ik het niet goed weet. Ik kan het hebben over mijn ouders en grootouders, mijn opvoeding en karakter, uit mijn biografie kan ik verschillende constanten destilleren, verlangens, motieven, angsten, frustraties, stokpaardjes – maar met dat al blijft in essentie onverklaard waarom ik zit te doen wat ik nu zit te doen. Geen enkel mens kent zijn particuliere broncode, het zus-en-zo-zijn van zijn zijn blijft hem verborgen. Een zinnige constatering in mijn geval is dat ik schrijf omdat ik graag schrijf, liefst over een onderwerp dat mij na aan het hart ligt. Maar zelfs dat inzicht biedt nog niet het begin van een verklaring. Ik weet eenvoudig niet wie ik ben; ik kan mijzelf alleen maar zijn, ’s ochtends bij voorkeur op deze wijze: schrijvend.

En u, waarom leest u deze aflevering van Letter & Geest? U zegt tegen uzelf dat u behoefte heeft aan verdieping, dat u graag over de grote dingen van het bestaan nadenkt. Dat is zonder twijfel zo. Maar uw broer en zuster lezen nooit een krant, laat staan de betere krant – hoe komt het dan dat u dat wél doet? Zeker, u bent geïnteresseerd in zingeving – maar wat u daar ten diepste toe aanzet, onttrekt zich aan uw waarneming. Verdieping, zingeving, dat zijn verklaringen achteraf. U bent uw eigen werk niet, u ontkomt er domweg niet aan te doen wat u nu doet.

Dit is wat Eckhart ontdekte, nota bene in de hoogtijdagen van de scholastiek: het leven doet het zonder zin, het leeft zich zonder waarom. De schaduwen van onze fenomenologen en existentialisten dansten achter hem op de muur toen hij op een dag vanaf de kansel deze woorden op de nonnen losliet: „Al is het leven een kwelling, het wil geleefd worden. Waarom eet je? Waarom slaap je? Om te leven. Waarom verlang je naar bezit en waardering? Dat weet je best. Maar: waarom leef je? Om te leven, en toch weet je niet waarom je leeft.”

Hij had nog even kunnen doorgaan en vragen: waarom zijn jullie non geworden, waarom zit jullie in het klooster? Uit vroomheid, uit liefde voor God. Maar wat is in het in jullie dat vroom wil zijn, dat God wil liefhebben?

„Wat de ziel in haar grond is, daarvan weet niemand iets”, houdt hij de nonnen bij een andere gelegenheid voor. Eckhart benadrukt het keer op keer: de ziel kent zichzelf niet, en op een zeer bepaalde manier is dat niet erg. Daar waar de mens in zijn donkerte staart, daar ontmoet hij het ongeschapen, het onkenbare deel van zichzelf, dat wil zeggen: dat deel dat door de tijdruimte met ons is meegereisd vanaf het moment dat de godheid om haar moverende redenen de eerste enkelvoudige eenheid verbrak. Als ik zit te schrijven, zou Eckhart mij uitleggen, ben ik de mens-in-den-beginne, de mens die ik was toen ik er nog niet was. Een formulering die ik niet letterlijk hoef te nemen om haar toch te begrijpen: achter mijn computer, met een beker koffie bij de hand, verdwijn ik bijkans, ben ik geest op de top van mijn modale kunnen en tegelijk helemaal niemand, dat is te zeggen niemand-in-het-bijzonder.

Eindelijk ontworden

Dit is wie ik in aanvang bedoeld ben te zijn, ik kan me niet aan die gelukkig stemmende intuïtie onttrekken. Ik heb een grillige weg moeten volgen en de nodige ongedurigheid moeten overwinnen om te zijn wie ik nu ben: een rustig en geconcentreerd mens op een stoel achter een tafel. Eckhart Tolle, een van de populairste newage-auteurs van dit moment, zou mij nu zeggen: kijk, die lange reis heb je gemaakt om je zelf te worden, en daarmee zou hij bedoelen: Je Diepste Zelf. Ik heb een hekel aan die uitdrukking, ik vind haar lelijk, misleidend. Als ik hier zo zit en naar het scherm staar, héb ik geen zelf, zomin als wanneer ik lach of klaarkom of ontroerd raak door een inval van mijn neefje. Op mijn drieënveertigste ben ik niet mezelf geworden, goddank niet – ik ben mezelf eindelijk ontworden. Af en toe tenminste, op momenten van stilte en concentratie; daarbuiten heerst mijn diepste zelf oppermachtig.

Ontworden – die schitterende term komt van Meister Eckhart. Ik ontdekte hem in een zin die ik met de nodige schroom afschrijf, want zoals vaker weet ik niet of Eckhart hier iets buitengewoon bijzonders of iets buitengewoon gewoons op het oog heeft (ik denk eigenlijk allebei). Het zou de zin kunnen zijn van een dichter of romancier: „Ik breng alle schepselen uit hun onstoffelijk zijn in mijn intellect opdat zij in mij één zijn. Wanneer ik in de grond, op de bodem, in de stroom en in de bron van de godheid kom, vraagt niemand waar ik vandaan kom of waar ik ben geweest. Niemand heeft me daar gemist, daar ónt-wordt ’God’.”

De waaromloosheid vertakt zich breeduit door Eckharts werk, zij vormt er een van de grondtonen van. Zoals elke notie bij hem heeft zij verschillende betekenissen en functioneert zij op verschillende niveaus. Zij is om te beginnen wat Heidegger zou noemen een existentiaal: een grondstemming, een basaal levensfeit. Tegelijkertijd presenteert Eckhart haar als iets nastrevenswaardigs, in het ideale geval een verworvenheid. Het leven leeft zich zonder waarom, zeker; maar zodra je dat hebt ontdekt, zodra je ontwaakt bent en het liefst ook nog wakker, dan moet je verder als was er niets veranderd, moet je het ’sunder warumbe’ tot levenskunst verheffen. Eerst kom je vanuit het onweten tot weten, vervolgens dring je welbewust het weten terug tot onweten.

Tweede onschuld, heilige argeloosheid, manifestatie van Niet-Zelf: het ontbreekt aan een eenduidige en eenvoudige term voor deze hoogst complexe maar ook doodsimpele staat van zijn.

Een staat van zijn waaraan wat Eckhart betreft ook de goddelijke personen deel hebben. In zijn interpretatie van het kerstverhaal (die ik hier onuitgelegd moet laten) krijgt ook Jezus zijn aandeel in de waaromloosheid. Ik geef een enkel citaat: „Slechts zo wordt de Zoon in ons geboren: wanneer we geen waarom kennen en weer teruggeboren worden in de Zoon.” Symbolische taal die zich laat verstaan als een aansporing om ongekunsteld, waarachtig en betrokken te leven, om te handelen en wandelen vanuit heldere zelfvergetelheid. Jezus staat hier voor een levenshouding waarin het wijste en meest kostbare deel van het christendom uitvloeit in een universeel humanisme, in een wereldwijd herkenbare spiritualiteit.

Glimlach

Maar boven de goddelijke personen, dus ook boven God-de-Vader, zweeft naar Eckharts stellige overtuiging de godheid, zij die één is, ongedeeld, uit wie wij voortkomen, tot wie wij terugkeren, wier glimlach wij in ons meedragen (als was zij de vrouwelijke prefiguratie van de Boeddha). Zij koestert de waaromloosheid als haar innigste wezen, het is haar essentie, buiten dat is zij niets en wil zij niets. „Al wat in de godheid is, dat is één en daarvan kan men niet spreken. God werkt, de godheid werkt niet, zij heeft ook niets te werken; in haar is geen werk en nooit heeft zij gekeken naar een werk buiten.”

Spiedend in de nok van zijn hoogte-theologie kun je Eckharts idee van God zo samenvatten: de godheid bestaat niet, werkt niet, de godheid is. De godheid ontplooit geen enkele activiteit, zij denkt niet, luistert niet, oordeelt niet, zorgt niet, stuurt niet, creëert niet, mediteert niet. Zij slaat geen acht op enig werk of wezen buiten haar, omdat ze geen buiten kent, en trouwens ook geen binnen. In die zin is ook het verkeerd om te zeggen dat ze iets koestert, laat staan dat ze haar waaromloosheid koestert: want zo ken je haar alsnog affect en intentie toe. In die zin is het al even verkeerd om te beweren dat ze een essentie of innigst wezen bezit.

De godheid heeft geen kern, geen midden, geen gezicht. Het waaromloze kent geen waarom. Bij Eckhart glimlacht het alleen.

Isheid

Dit alles is een spel van taal: probeersel, aanloop, herneming, ontkenning. Elk denken, zegt Eckhart letterlijk, is een toevoegsel. Zijn teksten zijn pogingen om al denkend de toevoegsels weg te nemen, in de hoop datgene over te houden wat hij ergens omschrijft als ’is-heid’.

De godheid bestaat niet op deze of gene wijze, zij is slechts – en deze isheid deelt zij met ieder schepsel en al het geschapene, ofschoon je haar als mens niet onmiddellijk bemerkt, noch in de dingen, noch in jezelf. Daarvoor moet je oog leren krijgen, daarvoor moet je net zoveel van je zelf wegdoen als Eckhart wegdoet van God. En dat is mirakels veel.

Wat je daarbij ook moet wegdoen, is de religie. Niet omdat religie verkeerd of dom is (niet verkeerder of dommer tenminste dan elk ander sociaal systeem), maar omdat je op een gegeven moment aan de religie, aan de godsdienst voorbij moet. Bidden, vasten, misbezoek, bijbel lezen, kerst vieren zijn nuttig tot aan een zeker punt: het punt waarop je begrijpt dat al die rituelen toevoegsels zijn, bedenksels, uiterlijkheden die een beletsel voor je vormen. Er zijn nogal wat mensen, grapt Eckhart, die God willen zien zoals ze een koe zien, en van God willen houden zoals ze van een koe houden. Maar zoek God niet om enig eigenbelang, zoek haar niet uit behoefte aan troost of houvast.

„Als je ook maar iets in je gezindheid voorop stelt wat niet God in zichzelf is, dan kan dat nooit zo goed zijn of het vormt een hindernis voor je ten aanzien van de hoogste waarheid.”

Als God zich ergens laat vinden, dan in de waaromloosheid. Deze kapitale ontdekking van Eckhart zou je ook zo kunnen formuleren: God is zonder religie. Stervelingen vinden God mogelijk (niet noodzakelijk) via de religie, maar zijzelf is zonder religie. God doet niet aan mensdienst in ruil voor godsdienst. Ze maalt niet om sacramenten, ze taalt niet naar u en mij, voor zover ze naam is voor de ragfijne vreugde waarin alle onderscheid teloorgaat en terugvalt in de eerste eenvoud.

Schermkwal

Het gaat me gemakkelijk af, God voorstellen als vrouw, het is alsof ik nooit anders heb gedaan – wonderlijk wat schrijven vermag. Al twee essays houd ik de zegswijze moeiteloos vol, zonder een spoor van aarzeling. Natuurlijk doe ik het omdat het past bij Eckhart, de vrouwenman, de iconoclast, de ontregelaar, de intellectuele eroticus die, ogenschijnlijk geheel in tegenspraak met het bovenstaande, graag mag beweren dat het Gode behaagt te jagen op de menselijke ziel, dat Gode zich ’sierlijk tooit’ opdat de ziel zich enkel in haar verlieft. Maar op een of andere manier past het ook mij, al weet ik niet goed waarom. Misschien omdat ik vrouwen graag bewonder, ze vaak wijzer, realistischer, eigener vind dan mannen? Omdat mijn bijgelovige ik ergens in het heelal een eigenstandige sfeer van intelligentie droomt vrij van blinde wil en masculiene scheppingsdrift?

Het was overigens niet alleen Eckhart die me het idee ingaf in deze essays God als vrouw te laten verschijnen. Dat kwam ook door een roman van de Zweedse schrijver Lars Gustafsson, ’De dood van een imker’, uit 1978 (vertaald in 1981). Deze roman bevat een fantasie over God die net zo veel voor rekening komt voor de auteur als voor het hoofdpersonage: een proeve van theologie onder het intelligente voorbehoud van literaire fictie. Gustafsson stelt God voor als een diersoort van interstellaire afmetingen. Hij beschrijft haar als een schermkwal badend in aangename verzonkenheid, ergens in een onbekende uithoek van het heelal. Hier volgen de eerste alinea’s:

„Ongeveer zoals een spinnetje kan slapen in een hoek van het web dat hij heeft gemaakt, zo sliep God twintig miljoen jaar in een afgelegen hoek van het universum.

Het was een gebied dat zeer arm aan sterrenstelsels was. Niets stoorde haar. Ze zweefde als een reusachtige schermkwal, dertien parsec in doorsnede en prachtig om te zien met haar voortdurend verschietende roze, groene en diepblauwe kleuren die onder de doorzichtige buitenkant de hele tijd van toon veranderden. [Een parsec bedraagt 3,26 lichtjaar.]

Heel de bodemloze ruimte verleende zij, lichtjaren in alle richtingen, een soort frisheid. Zonder dat daar iets was, had een reiziger haar nabijheid toch kunnen ervaren, zoals je voelt dat je vanuit het binnenland de kust nadert, of zoals je onbekommerd en zorgeloos door een frisse lenteregen loopt en het water over je gezicht laat stromen. Ze verschafte de lege ruimte een bijzonder gevoel van frisheid, van nieuw groen, ja van verliefdheid. [*]

Voor dit wonderbaarlijk en unieke schepsel, ouder dan het universum en eigenlijk vreemd aan ruimte en tijd en dus zowel ouder als jonger dan al het geschapene, zowel groter dan de ruimte in zijn geheel als kleiner dan het kleinste elementaire deeltje, was een slaap van twintig miljoen jaar minder dan slaap. Het was een ogenblik van afwezigheid, ongeveer zoals wanneer een chauffeur een moment zijn blik van de weg laat glijden om iets te overdenken.”

Witte materie

Had Eckhart deze alinea’s kunnen lezen, dan had hij zich er moeiteloos in herkend. Ik vermoed zelfs dat hij ze graag had geschreven, dat hij graag had geprofiteerd van de vrijheid van de moderne roman en de inzichten van de moderne wetenschappen.

Die schermkwal, bijvoorbeeld, die had hem allerminst verbaasd, zomin als Reve’s ezel dat had gedaan. Hij was blij verrast geweest met het idee van God als vrouwelijk wezen. Hij was onmiddellijk getroffen door de vanzelfsprekendheid ervan; de gedachte ligt besloten in zijn preken.

Bovenal was hij blij geweest met het gegeven van een god, vertoevend in een autonome sfeer ’vreemd aan ruimte en tijd’. Zó vreemd, dat ze tegelijkertijd wel en niet tot de schepping behoort. Ze is immers gemaakt van een materie die het geschapene omvat (want ze is groter dan de ruimte in zijn geheel) en zich tegelijk aan het geschapene onttrekt (want ze is kleiner dan het kleinste elementaire deeltje).

Je zou die materie ’witte materie’ kunnen noemen, analoog aan wat fysici definiëren als ’zwarte materie’: onbekende deeltjes die bijna een kwart van de substantie van het heelal uitmaken, deeltjes die geen lading dragen, volkomen onzichtbaar zijn en dwars door de aarde vliegen zonder dat we daarvan iets merken. Van dergelijk spul lijkt ook Gustafssons god gemaakt, behalve dan dat het in samengebalde vorm schitterende lichteffecten veroorzaakt en ter plaatse aangename sensaties van frisheid opwekt. Van verliefdheid zelfs – en hier komt op speelse wijze de vreugde in het spel, Parmenides’ vreugde, Eckharts vreugde, Spinoza’s vreugde, Mondriaans vreugde, vreugde om de bijna-zekerheid van een puurheid die zich laat vermoeden op een plaats waar de mens een vreemdeling is en een vreemdeling moet blijven.

Toch is het de mens die zich deze puurheid droomt en deze droom door de geschiedenis draagt, hem zelfs meeneemt (vergeef me de bruuske overgang) tot over de drempel van het concentratiekamp. Ik heb in dit katern al eens eerder het verhaal van Abel Herzberg aangehaald over een vrouw die in haar laatste uren in kamp Bergen-Belsen haar toevlucht zoekt bij de ’Ethica’ van Spinoza – een onvergetelijke anekdote die duidelijk maakt dat we het hier niet hebben over de hersenspinsels van wereldvreemde intellectuelen. In plaats van de ’Ethica’ had de stervende vrouw ook ’De dood van een imker’ kunnen lezen, of de preken van Eckhart, de man die zeker wist dat zich in de uithoeken van de menselijke ziel sporen witte materie schuilhouden, onaanwijsbaar, maar daarom niet minder aanwezig.

„De ziel heeft iets in zich, een vonkje van kennisvermogen, dat nooit uitdooft, en in dit vonkje als het bovenste deel van het gemoed veronderstelt men het godgelijke beeld van de ziel.” En elders: „Het intellect [het vonkje van kennisvermogen] is van dien aard dat zij geen mengsel of vermenging kan verdragen.”

Alleen de mens heeft weet van een puurheid die elke menselijkheid vreemd lijkt.

Handel

Ik word onverwacht ernstig, terwijl Gustafsson het zo licht weet te houden, ook wanneer hij zijn verhaal na de zorgeloze opening een onverwachte wending geeft. Hij laat God op zeker moment wakker worden, en dat wordt het startsein voor een ontwikkeling die je naar believen als drama of als klucht kunt typeren. Zijn vertelling eindigt met een parool dat een fraaie brug vormt naar Eckharts ethiek, onderwerp van het volgende essay. Dat parool luidt: Als God leeft, is alles toegestaan.

Deze zin, uiteraard de omkering van een beroemd citaat uit Dostojevki’s roman ’De broers Karamazov’, plaatst Gustafsson met hoofdletters in de tekst.

ALS GOD LEEFT, IS ALLES TOEGESTAAN.

Hoe geraakt Gustafsson tot die verbluffende slotsom?

God ontwaakt zoals wij tijdens een vakantie ontwaken: van fluitende merels of een startende auto. Ze wordt wakker van geluidstrillingen die ze opvangt vanuit de diepten van het heelal. Daaronder is er één toon, één frequentie die haar bijzondere aandacht trekt. Het is een klaaglijke toon, eentje die een moederlijke onrust in haar los maakt. Na enig nadenken begrijpt ze dat ze dat de gebeden van de mens heeft opgemerkt. Waarna ze weinig andere keus heeft dan die te verhoren, een voor een, zonder onderscheid des persoons, want dat onderscheid bestaat voor haar niet. Je zou kunnen zeggen dat ze op de aarde neerkijkt als een natuurbeschermer op een mierenhoop, met dezelfde inclusieve liefde – maar ze kijkt natuurlijk helemaal niet, dat is in haar geval slechts een manier van zeggen.

Hippieparadijs

De gevolgen van haar vrijgevigheid zijn hilarisch en desastreus. De aarde verandert in een hippieparadijs, iedereen sekst met iedereen, patiënten wandelen en masse het ziekenhuis uit, er is opeens goud en geld in overvloed, economieën wankelen, presidenten verklaren hun natie bankroet, militair tuig raakt onklaar, zwervers gaan zich te buiten aan versgekookte kreeftjes in dillesaus. De ontwrichting is totaal en kerkleiders zien zich genoodzaakt de mensheid te manen bij het bidden uiterste terughoudendheid te betrachten. Hetgeen tegen dovemansoren is gezegd, iedereen trekt op zijn manier natuurlijk graag profijt uit de ongerichte liefde die alleen een god jegens de schepping koesteren kan.

Je hoeft niet te raden naar de pointe van Gustafssons parabel en de slotsom ervan. Wie een handelende god veronderstelt, komt alras in de verleiding om godsdienst te bedrijven als handel – precies datgene waarvoor Eckhart waarschuwt in de veertiende eeuw. Pakt de handel goed uit, dan werkt die egoïsme en blikvernauwing in de hand; pakt de handel slecht uit, dan leidt die tot verbittering en opstandigheid – die zich uiteindelijk ook tegen God zal keren.

Dimitri Karamazov zegt het contract met God op, niet uit persoonlijke malheur, maar omdat hij niet kan velen dat God de dood van onschuldige kinderen toestaat. Reden voor hem om God min of meer dood te verklaren, een symbolische vadermoord die een ijzingwekkende consequentie met zich meebrengt: als God niet bestaat, of beter: voor ons niet meer mag bestaan, als we haar welbewust uit ons leven bannen, dan is alles geoorloofd, elke wreedheid, elke liederlijkheid, elke schouderophaal.

Elk geloof dat uitgaat van een mensachtige God die het vermogen bezit om in te grijpen, stuit vroeg op laat op de meest verschrikkelijke aporieën – Dostojevski en Gustafsson tonen het glashelder aan. Of je God nu opvat als laatste garantie voor gerechtigheid of voor goedgunstigheid, als je doordenkt beland je onvermijdelijk in de gaskamers van Auschwitz of het casino van Monte Carlo, in sloppenwijken van Rio of in de showroom van een Mercedesdealer.

Vanuit psychologisch oogpunt bezien is bidden zonder twijfel een krachtig ritueel, evenals knielen: gestes waarmee een mens zijn schamelheid, onmacht, creatuurgevoel tot uitdrukking kan brengen. Maar zodra de bidder een persoonlijk belang nastreeft en om zo te zeggen praktisch wordt, overschrijdt hij al snel een morele en esthetische grens. Dan maakt hij van God een afgod, of, om het met Guus Kuijer iets puntiger te formuleren, een tuttig rotgodje. Een menselijk duplicaat op reuzenformaat.

Gummetje

Eckhart doorzag de grote denkfout van het christendom en besloot boven op de voorhanden hemel een andere te plaatsen, een hemel waarin God alle persoonsvormigheid heeft afgelegd. God bestaat niet, God is, zij staat voor een bepaalde staat van zijn, niet van zus-of-zo-zijn, maar van zijn zonder meer. Ze is gemaakt van witte materie, en die is overal – en nergens.

Probeer daarom liever niet je een voorstelling te maken, want beelden en taal verdubbelen. Je kunt misschien óm haar bidden, maar haar iets afsmeken uit eigenbelang, dat lukt niet meer. Zodra je begrijpt wie ze is, is ze geen duidelijk wie meer, noch een duidelijk wat, dan is ze de stoel waarop je zit, de megaschermkwal in een ander melkwegstelsel, de transparante infuusbuis die beide verbindt – en het gummetje dat ook deze potloodtekening weer uitwist.

„God is een niets, God is een iets. Wat iets is, is ook niets.” Weer zo’n achttienkaraats tandenbijter waarmee Eckhart je wil duidelijk maken dat je met het woord God een ruimte binnengaat waar nooit een god is geweest en nooit een god zal zijn. Die ruimte, lijkt Eckhart te zeggen, hebben we allemaal bij ons of in ons. Op die momenten waarop je jezelf bent ontworden, sta je metterdaad in die grotere ruimte – de ruimte waarin ook God is ontworden.

Pas nu begin ik te begrijpen wat Eckhart bedoelt wanneer hij zich ergens laat ontvallen dat hij het liefst wil zwijgen over God. Hij zwijgt met iedere zin over haar. Alleen al door haar naam te noemen verbreekt hij de eenheid, want een benoemde god is altijd iets of iemand tegenover je, naast je, boven je, in je. Je kunt niet zeggen dat jij en God één zijn, want mét dat je dat uitspreekt heb je de ene grote ruimte doorklieft.

Evenmin kun je zeggen dat je met God of in God bent, want als hoogte-theoloog doorbreekt Eckhart het denken in termen van intimiteit, kenmerk en keurmerk van alle christelijke mystiek en devotie. Wat hem betreft is het beter niet van God te houden als was ze een Iemand, en zelfs niet als was ze een Niemand; vermoedelijk smokkel je dan stiekem een stukje Iemand mee.

„Dat God God is, daarvan ben ik een oorzaak; zou ik er niet zijn, dan was God niet God”, zegt Eckhart in een van zijn laatste preken. Wij zijn het die God tot God maken, simpelweg omdat we niet anders kunnen dan denken in oorzaak en gevolg, schepper en schepsel, zonde en verzoening, waarom en daarom. De verlichte mens daarentegen verstaat de kunst om door dat denken heen te breken (al legt Eckhart nooit precies uit hoe je je die kunst moet eigenmaken). De verlichte mens begrijpt dat hij pas de grote ruimte betreedt wanneer hij zijn denken zodanig doorziet dat hij het tot rust kan brengen. De rust van het niet-doen in het doen, het niet-willen in het willen, het niet-zoeken in het zoeken.

Eckhart had geen traktaten over zen en tao nodig om het praktische ideaal ervan in christelijke termen te verwoorden. De verlichte mens „wil niets en zoekt naar niets omdat hij geen waarom kent omwille waarvan hij ook maar iets zou doen. Precies zoals God zonder waarom werkt en geen waarom kent. Op geheel gelijke wijze zoals God werkt, werkt ook de verlichte zonder waarom. En precies zoals het leven om zichzelf leeft en geen waarom zoekt omwille waarvan het zou leven, zo kent ook de verlichte geen waarom omwille waarvan hij iets zou doen.”

Waarmee we zijn beland bij het onderwerp van het volgende essay, over Eckhart en de ethiek. Want waar ik in bovenstaand citaat ’verlichte’ schrijf, daar schrijft hij ’gerechte’. Hij maakt daar geen verschil tussen. Voor hem vallen de gerechte en de verlichte mens geheel en al samen. In de contemplatieve traditie vormen inzicht en juist handelen twee zomen langs een en hetzelfde pad.

Jan Oegema is uitgever en publicist. Het eerste deel van deze serie verscheen op 2 december 2006. De Eckhart-citaten zijn afkomstig uit ’Over God wil ik zwijgen’ (vertaling C.O. Jellema) en ’Van God houden als van niemand’ (vertaling Frans Maas).

Deel dit artikel