Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De feiten ontkennen zal ze niet veranderen

Home

door Nahed Selim

Werd de islam inderdaad met het zwaard verspreid? Hoe vervelend de woorden ook waren die de paus in zijn rede citeerde, het gaat erom of ze kloppen, zegt publiciste Nahed Selim. Ze onderzoekt wat ’djihad’ betekent volgens de klassieke islamitische juristen en denkers. „Westerse moslims zouden liever een islam zien die verdraagzaamheid en barmhartigheid propageert.”

Het is maar goed dat de tweeëntwintig ambassadeurs van de islamitische landen niets terug mochten zeggen tijdens de audiëntie bij paus Benedictus XVI, afgelopen maandag op zijn zomerverblijf. Hij had de diplomaten uitgenodigd in een poging de rel te bedwingen die was ontstaan naar aanleiding van zijn uitlatingen in een toespraak op 12 september in Regensburg. De paus citeerde een dialoog uit 1341 tussen keizer Manuel II Paleologos en een Perzische moslim. Daarin zei de keizer: „Laat mij dan zien wat Mohammed voor nieuws heeft gebracht en je zult er alleen slechte en onmenselijke dingen vinden, zoals zijn gebod om het geloof dat hij predikte te verspreiden met het zwaard.”

De pauselijke rede veroorzaakte woedeuitbarstingen en buitensporig geweld onder moslims wereldwijd. Er waren demonstraties, kerken werden vernield. De reacties van de moslims leken het citaat vooral te bevestigen – net als dit het geval was met de rellen eerder dit jaar vanwege de Deense spotprenten.

Hoe vervelend het citaat ook mag klinken, het gaat erom of het klopt wat erin staat. Voornoemde keizer had het over het verspreiden van het geloof met het zwaard. Hij gaf, anders gezegd, commentaar op de djihad, de heilige oorlog in het verleden.

Misschien wilde de paus door het citaat ook zijn eigen afkeer uitspreken van de tegenwoordige djihad, in de vorm van terrorisme. Dat is zijn goed recht, en hij staat zeker niet alleen in deze afkeer. De enige redelijke en beschaafde reactie op het citaat van de paus zou moeten zijn: inhoudelijk op de kritiek ingaan.

Is de islam inderdaad met het zwaard verspreid?

Het antwoord luidt eenvoudigweg: ja. Net als de Romeinen bouwden de moslims door expansie een gigantisch rijk op. Binnen tien jaar na de dood van de Profeet in 632 waren de twee grootste wereldmachten van die tijd, de Byzantijnen en de Perzen, verslagen. Het zijn feiten die we vroeger vol trots aanhoorden in de geschiedenisles op school. Al die namen van de veldslagen met de bijbehorende jaartallen moesten we uit het hoofd leren. De verovering van Egypte bijvoorbeeld, was in 639 begonnen en duurde tot 642, toen Alexandrië zich overgaf na vele veldslagen en een langdurige belegering door moslims. Daarvóór werd Palestina al veroverd in 636, in de slag bij de Jermoek-rivier, waarna hele Syrië in de handen van moslims viel. Daarna kwamen Irak en Iran aan de beurt, onder de Perzen, die verslagen werden bij de slag bij Kadisija rond 637. In een golfbeweging ging de expansie door naar het Oosten (tot aan India toe) en naar het Westen (Noord-Afrika en Spanje tot aan Poitiers in Frankrijk). Pas in 1683 werd de expansie tot staan gebracht bij Wenen, dat tot tweemaal toe, zonder succes, werd belegerd door de Turken.

Het zijn historische feiten die ieder schoolkind in de Arabische landen leert. Daarom is het geheel onbegrijpelijk dat moslims deze feiten nu wereldwijd lijken te ontkennen.

Een deel van de verklaring voor de (georganiseerde) verontwaardiging ligt misschien in het feit dat een moslim wat anders verstaat onder woorden als ’djihad’, ’oorlog’, ’vrede’, ’agressie’ en ’expansie’ dan een westerling. Tijdens een demonstratie in Indonesië, enkele dagen na de uitspraken van de paus, zei een moslim dat het Westen nooit zal begrijpen wat djihad betekent, en dat de paus er daarom niets over had mogen zeggen.

Misschien is het handig om de verschillen uit te leggen aan de hand van de woorden van Bassam Tibi. Hij is een liberale denker, oorspronkelijk uit Syrië, en hoogleraar internationale betrekkingen in Duitsland. Dit citaat komt uit zijn essay ’War and Peace in Islam’ uit 1996:

„In essentie is de islam een religieuze boodschap voor de hele mensheid. Moslims zijn religieus gezien verplicht om het islamitische geloof te verspreiden over de hele wereld. ’En Wij hebben u uitgezonden tot de hele mensheid’ (Koran 34:28). Wanneer de niet-moslims toegeven aan bekering of onderwerping, dan kan de missie (da’wa) op vredige wijze worden voortgezet. Als zij dit niet doen, zijn moslims verplicht om oorlog tegen hen te voeren. Om vrede te kunnen bereiken is het nodig, volgens de islam, dat niet-moslims zich onderwerpen aan de uitnodiging van de islam – óf door bekering, óf door het accepteren van de status van religieuze minderheid (dhimmi) en het betalen van de individuele belasting, jizya. Wereldvrede, het finale stadium van de missie, wordt alleen bereikt door de bekering of onderwerping van de hele mensheid aan de islam. [] Moslims geloven dat expansie door oorlog geen agressie is, maar de vervulling van het bevel in de Koran om de islam te verspreiden, als de weg om vrede te bereiken. Het gebruik van geweld om de islam te verspreiden is geen oorlog (harb), een woord dat alleen gebruikt wordt om gewelddadige acties door niet-moslims aan te duiden. Islamitische oorlogen zijn geen hurub [meervoud van harb], maar eerder futuhat, een actie om de wereld te ’openen’ voor de islam en uitdrukking van de islamitische djihad. [...] Ongelovigen die een obstakel vormen voor de da’wa (de missie), zijn zelf schuldig aan deze oorlogstoestand, omdat het verspreiden van de islam op een vredige manier voortgezet kan worden als de anderen zich daaraan onderwerpen. Met andere woorden: zij die zich verzetten tegen de islam veroorzaken oorlogen en zijn er verantwoordelijk voor. Slechts wanneer moslims niet voldoende krachtig zijn, is een tijdelijke ’wapenstilstand’ (hudna) toegestaan.”

Bassan Tibi’s uitleg van de djihad volgens de klassieke islamitische doctrine betekent niet dat hij erachter staat. Integendeel, hij is een van de schaarse hedendaagse hervormers die ondubbelzinnig stelling hebben genomen tegen de djihad – in tegenstelling tot Tariq Ramadan. Bassam Tibi vindt verder dat moslims in het Westen de dominante westerse cultuur ten volle moeten omarmen. Hij vindt de orthodoxe doctrine, onder andere over de djihad, een gevaar voor een open samenleving.

Zijn uitleg van de djihad heeft Bassam Tibi ontleend aan de officiële standpunten van de vier grote rechtsscholen van de soennieten, geformuleerd door juristen en schriftgeleerden.

Zo leggen de malikieten, vooral vertegenwoordigd in Noord- en West-Afrika, de djihad uit:

„Djihad is een van godswege ingesteld voorschrift. Wanneer bepaalde individuen de djihad uitvoeren, worden de andere individuen daarvan vrijgesteld. Wij malikieten zijn van mening dat het de voorkeur verdient zelf niet te beginnen met de vijandelijkheden tegen de vijand voordat men hem heeft uitgenodigd toe te treden tot de religie van Allah, tenzij de vijand eerst aanvalt. Vijanden krijgen de keuze tussen zich te bekeren tot de islam of het betalen van de belasting [jizya] per hoofd [van de bevolking]. Het afwijzen van deze alternatieven houdt in dat de oorlog zal worden verklaard tegen hen.” (Ibn Abi Zayd al-Kayrawani, gestorven in 996.)

De school van de hanbalieten, vooral te vinden op het Arabisch schiereiland, zegt dit over de djihad:

„Aangezien de enige legitieme vorm van oorlog de djihad is en aangezien die als doel heeft dat de gehele godsdienst tot God behoort en dat Gods Woord het hoogste wordt, vloeit daaruit voort, volgens alle moslims, dat diegenen die in de weg staan van het bereiken van dit doel bevochten moeten worden. Wat betreft diegenen die geen verzet kunnen plegen of niet in staat zijn om te vechten, zoals vrouwen, kinderen, monniken, oude mensen, blinden, gehandicapten en dergelijke, zij zullen niet worden gedood tenzij ze feitelijk vechten met woorden (bijvoorbeeld door propaganda) of daden (bijvoorbeeld door te spioneren of anderzijds te helpen in de oorlog).” (Ibn Taymiyya, gestorven in 1328.)

De school van de hanafieten, vooral vertegenwoordigd in India, Pakistan, Afghanistan, Egypte, Turkije en West-Afrika, houdt er deze opvatting op na:

„Het is niet legitiem om oorlog te voeren tegen een volk dat nooit tevoren werd opgeroepen tot het geloof, zonder hen eerst te vragen toe te treden, omdat de Profeet aldus zijn bevelhebbers heeft geïnstrueerd. Hij heeft ze het bevel gegeven om de ongelovigen op te roepen tot het geloof. [] Mochten de ongelovigen, nadat ze worden uitgenodigd tot het geloof, er niet mee akkoord gaan, noch accepteren dat ze belasting moeten betalen, dan moeten de moslims, rekenend op Gods hulp en roepend om Zijn steun, oorlog tegen ze voeren, omdat God de helper is van hen die Hem dienen en de vernietiger is van Zijn vijanden, de ongelovigen.” (Uit het hanafitische boek ’Hidayah’.)

De school van de sjafi’ieten ten slotte, vooral groot in Maleisië en Indonesië, verstaat dit onder de djihad:

„Onder de ongelovigen [] bevinden zich twee soorten. Ten eerste zij die de uitnodiging voor de islam hebben ontvangen, maar weigeren er gehoor aan te geven, en de wapens nemen. De bevelhebber van het [islamitische] leger heeft dan de keuze om tegen ze te vechten [] in overeenstemming met wat naar zijn oordeel in het grootst mogelijke belang is van de moslims en de grootst mogelijke schade berokkent aan de ongelovigen. [] Ten tweede zijn er zij die geen uitnodiging tot de islam hebben gekregen. [] Het is niet toegestaan om tegen hen de aanval te beginnen voordat men hen de uitnodiging tot de islam eerst uitlegt, hen informerend over de wonderen van de Profeet, en de bewijzen van het geloof uiteenzet om een positieve reactie hunnerzijds aan te moedigen. Als zij dan alsnog het geloof weigeren, wordt er oorlog tegen hen gevoerd, en worden ze behandeld net als de eerste groep.” (Al-Mawardi, gestorven in 1058.)

De sjiieten vormen wereldwijd een veel kleinere groep dan de soennieten (ongeveer 91 procent van alle moslims). Hun standpunt omtrent de djihad vertoont geen wezenlijk verschil met dat van de soennieten.

Het is interessant om te kijken naar wat de soefi’s, de mystici onder de moslims, over de djihad te zeggen hebben. Zij houden zich minder aan allerlei dogma’s en hechten meer belang aan de persoonlijke, innerlijke ervaring. De bekendste theoloog die het soefisme met de orthodoxie heeft verzoend, is Al-Ghazali, gestorven in het jaar 1111. Volgens sommigen is hij de belangrijkste moslimtheoloog aller tijden. Van hem zou je een totaal andere houding tegenover de djihad verwachten. Die verwachting is ongegrond. Hij schreef onder meer:

„Men moet minstens eens per jaar aan djihad meedoen. [] Men kan een katapult tegen ze (de niet-moslims) gebruiken wanneer ze in een fort zitten, zelfs als er vrouwen en kinderen onder hen zijn. [] Men kan hen proberen in brand te steken. Wanneer een van de christenen of de Joden tot slaaf is gemaakt, wordt zijn huwelijk automatisch ontbonden. Een vrouw en haar kind die meegenomen worden en tot slaven worden gemaakt, mag men niet uit elkaar halen. [...] Men mag hun bomen afhakken, men moet hun nutteloze boeken vernietigen. De djihadisten mogen als buit meenemen wat ze maar believen. [] Ze mogen zoveel voedsel stelen als ze nodig hebben.”

Zo dachten de islamitische juristen over het verspreiden van de islam door de djihad. Van een iets later tijdstip was de Noord-Afrikaanse Ibn Khaldoen, gestorven in 1406. Hij was een rationeel denkend historicus, socioloog en jurist. In een van zijn geschriften geeft hij een samenvatting van vijf eeuwen islamitische jurisprudentie over de djihad en legt hij uit dat er een consensus bestaat over de djihad als religieuze plicht van de moslims.

„In de islamitische gemeenschap is de heilige oorlog een religieuze plicht, vanwege het universalisme van de islamitische boodschap en de plicht om iedereen te bekeren tot de islam. Dit kan oftewel door overtuiging of door geweld. [...] Islam heeft de plicht om macht over andere naties te verkrijgen.”

Deze uitspraak van Ibn Khaldoen bevestigt de woorden van keizer Manuel Paleologos waarover moslims nu zo woedend zijn.

Geschriften die de djihad afkeuren en het buitensporige geweld dat ermee gepaard ging veroordelen, ben ik niet tegengekomen – behalve bij dichters en schrijvers uit de 20ste eeuw die de islam als geheel veroordelen en geen geheim maken van hun afvalligheid, zoals de Syrische dichter Nizar al-Kabbani.

De bewering dat de djihad – in de zin van het voeren van een heilige oorlog tegen niet-moslims – een extreme opvatting binnen de islam zou zijn of dat alleen radicale moslims dit gedachtegoed ondersteunen, is dus totale onzin. Zelfs de zeer gezaghebbende, niet-radicale Al-Azhar-universiteit in Egypte doceert deze leerstelling aan haar studenten. Onderstaand citaat komt uit het handboek ’Steunpilaar van de reiziger’ uit 1999:

„Zoals blijkt uit de handleiding wordt de djihad verklaard als ’een collectieve plicht’ om oorlog te voeren tegen niet-moslims. De handleiding verklaart ook dat de ’kalief oorlog dient te voeren tegen Joden, christenen en Zoroasters [...] totdat ze moslim worden. Anders moeten ze de belasting voor niet-moslims betalen.’ [...] Indien er geen kalief is, dient de djihad nog steeds te worden uitgevoerd.”

Mijns inziens bestaat er geen meerderheid van gematigde moslims die de djihad als doctrine afwijst. De enige die tot nu toe een duidelijke stem tegen de djihad heeft laten horen, was Mahmoud Taha uit Soedan, leider van de Republican Brothers, een kleine beweging voor de hervorming van de islam, en schrijver van ’The Second Message of Islam’. Hij wilde alleen de koranteksten uit de eerste periode in Mekka erkennen als basis voor de islam. Daardoor zouden alle djihad-teksten buiten werking worden gesteld. De Al-Azhar-universiteit verklaarde hem afvallig, waarop hij in 1985 werd geëxecuteerd.

Ook bestaat er een klein clubje van intellectuelen die vooral wonen in het Westen, zoals de Soedanese mensenrechtenactivist Abdullahi An-naïm, hoogleraar rechtswetenschappen aan verschillende westerse universiteiten en de Algerijnse-Franse hoogleraar filosofie Mohammed Arkoun, verbonden aan de Sorbonne. Hun invloed beperkt zich tot de seculiere intelligentsia; zij bereiken de doorsneemoslim nauwelijks.

Moslims in het Westen verkeren in een bijzondere positie doordat ze als minderheid wonen tussen niet-moslims. Ook door de taalbarrière hebben ze moeilijk toegang tot de oorspronkelijke islamitische lectuur en zijn ze aangewezen op vertaalde werken. Mogelijkerwijs zijn ze daardoor niet altijd op de hoogte van de djihad-bepalingen, hoewel veel informatie ook op internet te vinden is. De internetfora die het dichtst bij de klassieke islamitische bronnen staan, worden hier gekwalificeerd als radicale sites.

De liefde van moslims voor hun Profeet en de behoefte om hem te zien als de volmaaktste persoon die ooit heeft geleefd, maakt dat zij een geïdealiseerd, geromantiseerd beeld van hem en van zijn boodschap zijn gaan vormen. De hoeveelheid excuses die intelligente moslims blijven bedenken om het geweld – dat duidelijk blijkt uit in de doctrines, de bronnen en geschiedenis – te verklaren en te legitimeren, is werkelijk enorm. Zij doen hun uiterste best het probleem te camoufleren. Ze zouden die energie beter kunnen besteden aan het zoeken naar oplossingen.

Sommige westerse moslims schamen zich wellicht voor de gewelddadige component van het islamitische gedachtegoed. Ze zouden liever een islam zien die verdraagzaamheid en barmhartigheid propageert. Die schaamte maakt dat ze met klem blijven ontkennen dat de djihad een gewone, officiële doctrine is van de gewone, officiële islam.

Maar ontkenning van feiten heeft nog nooit geholpen om ze te veranderen. Juist het benoemen ervan en tegelijkertijd afstand nemen van de gewelddadige geschiedenis is de weg naar verandering.

Deel dit artikel