Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De erfenis van Mels Crouwel

Home

Henny de Lange

Scheidend rijksbouwmeester Mels Crouwel zette de verrommeling van Nederland op de agenda. Het is een probleem dat zich niet in een paar jaar tijd laat oplossen.

In het buitenland hebben Nederlandse architecten een grote naam. „Onze architectuur is zelfs een exportproduct”, constateert rijksbouwmeester Mels Crouwel. „Maar hier in eigen land heeft de verrommeling kunnen toeslaan doordat we de denkkracht van onze ontwerpers niet of te laat inschakelen. Dat wringt. Mijn dringende advies aan de overheid is dan ook om architecten al in een vroeg stadium mee te laten praten over projecten die beeldbepalend zijn voor het landschap.”

Binnenkort neemt Mels Crouwel (1953) na bijna vier jaar afscheid als rijksbouwmeester om zich weer volledig te richten op zijn eigen architectenbureau, Van Benthem Crouwel. Misschien zien we over pakweg twintig jaar de resultaten van zijn adviezen als rijksbouwmeester terug, zegt hij. Dat is niet cynisch bedoeld. Bouw en planning zijn nu eenmaal een traag proces. „Die lelijke bedrijventerreinen langs de snelwegen haal ik niet even weg.”

Over de functie van rijksbouwmeester, die de kwaliteit van de architectuur zowel binnen de rijksoverheid als daarbuiten moet stimuleren, bestaan veel misverstanden. Vaak wordt gedacht dat de rijksbouwmeester bepaalt hoe Nederland er uitziet. Maar zijn middelen zijn beperkt.

Een eeuw geleden ontwierp deze functionaris zelf rijksgebouwen. Sinds de Tweede Wereldoorlog bestaat zijn rol vooral uit het gevraagd en ongevraagd adviseren van de rijksoverheid, bijvoorbeeld bij de keuze van architecten voor rijksgebouwen. Tegenwoordig gebeurt dat in een parttimefunctie.

Crouwel werkt drie dagen als rijksbouwmeester. Daarmee lijkt deze functie behoorlijk uitgehold, maar volgens Crouwel heeft het atelier van de rijksbouwmeester, waar ongeveer dertig mensen werken, de afgelopen jaren zijn invloed kunnen verbreden. Ging het voorheen voornamelijk over de architectuur van gebouwen, nu adviseert hij ook over het landschap, de infrastructuur en het cultureel erfgoed. Omdat dat te veel is voor één persoon, zijn daar ook rijksadviseurs voor aangesteld, respectievelijk Dirk Sijmons, Jan Brouwer en Fons Asselbergs.

„Bij de aanleg van een snelweg gaat het om veel meer dan alleen die weg. Dan praat je ook over de stedenbouwkundige inpassing, de gevolgen voor het landschap en effecten voor het milieu.” In de praktijk betekent dat voor het college van rijksadviseurs overleg met een heel rijtje departementen.

Er is wel eens geopperd dat er een nieuw ministerie zou moeten komen dat alle zaken behandelt die te maken hebben met de inrichting van het land, om de verkokering te doorbreken. „Of dat werkelijk moet gebeuren, weet ik niet. Wel ben ik van mening dat een integrale aanpak noodzakelijk is”, stelt Crouwel. „Het besef is er wel, maar de praktijk is weerbarstig.”

Toch heeft Crouwel niet het gevoel dat hij de afgelopen jaren weinig voor elkaar heeft gekregen of aan de leiband van de politiek heeft gelopen. Toen hij een paar jaar geleden de verrommeling van het landschap aan de orde wilde stellen in een artikel dat hij had geschreven voor NRC Handelsblad, meldde hij dat vooraf aan de toenmalige minister Dekker (Vrom). In eerste instantie zei ze: ’Dat ga je toch niet zo publiceren.’

Crouwel: „Er zaten ook een paar ambtenaren bij en die vonden dat ik wel een beetje gelijk had. De minister zei toen: ’Dan moeten we daar ook wat aan doen.’ Ik vind dat je je als rijksbouwmeester als onafhankelijk vakman moet opstellen en niet te dicht tegen de politiek aan gaan zitten. Dat kán ook in dit land. Maar omgekeerd moet je je realiseren dat je middelen beperkt zijn en dat elders de beslissingen worden genomen. Ik kan geen besluiten nemen, maar ik heb bestuurders vaak wel met argumenten kunnen overtuigen dat ze nog eens goed naar een plan moesten kijken.”

Het stadsbestuur van Utrecht deed dat bijvoorbeeld met het plan voor de bouw van een 262 meter hoge toren, de Belle van Zuylen, in het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn. „Ik heb niets tegen hoogbouw, maar toen de minister mij om advies vroeg over die toren, kwam ik tot de conclusie dat die zo extreem veel hoger is dan de omgeving dat de effecten te groot waren. De wethouder van Utrecht zei tegen mij: ’Daar heb je niks over te zeggen. We hebben niet eens om je advies gevraagd.’ Nee, maar ik mag ook ongevraagd advies uitbrengen. Mijn bemoeienis heeft ertoe geleid dat het ontwerp nu wordt aangepast.”

In de Hoeksche Waard boekte de rijksbouwmeester succes met zijn voorstel af te zien van een bedrijventerrein, terwijl hem alleen maar was gevraagd hoe een bedrijventerrein zo netjes mogelijk ingepast zou kunnen worden in het landschap. „Ik vroeg me af of de Rotterdamse haven dat terrein wel nodig heeft. Is het niet een grotere uitdaging om bestaande haventerreinen te herstructureren?” Crouwel erkent dat hij verder weinig had kunnen doen als de Rotterdamse havenautoriteiten voet bij stuk hadden gehouden. „Maar het gaat er in mijn functie ook om om mensen op nieuwe gedachten te brengen.”

De grootste ’zeperd’ als rijksbouwmeester was voor hem de kwestie van de onderdoorgang voor fietsers onder het Rijksmuseum in Amsterdam. In het verbouwingsplan van de architecten Cruz en Ortiz zou deze worden verplaatst, maar na hevige protesten moesten de architecten hun ontwerp aanpassen. Crouwel: „Het was gewoon het beste plan voor het museum. Vervolgens komt er een enorme lobby op gang van de fietsersbond en vanuit Amsterdam-Zuid, waar ik zelf woon, en het plan verdwijnt van tafel. Daar kun je niets tegen doen, ook niet als rijksbouwmeester. Argumenten verliezen het dan van emoties.”

Van recentere datum is de discussie over het ecohuis in Steenwijkerwold, een voorbeeld van duurzaam bouwen, dat tegen de zin van Crouwel werd gesloopt. „Ik vind dat jammer, omdat daarvan een verkeerd signaal uitgaat. Ik moet er wel bij zeggen dat ik met mijn bezwaren gewoon te laat was. Toch wilde ik wel mijn mening duidelijk maken.”

Duurzaam bouwen is een belangrijke kwestie geweest voor Crouwel en hij gaat ervan uit dat dat ook het geval zal zijn voor zijn opvolger, architect Liesbeth van der Pol. Alle nieuwe kantoren van de rijksoverheid zullen nog duurzamer moeten worden, en dat gaat veel verder dan ’een houten gebouw met gras op het dak’.”

Wat hij tot slot ook als een succes beschouwt, is de nieuwe architectuurnota, die binnenkort aan de Tweede Kamer wordt gepresenteerd. Op de (nog niet gepubliceerde) inhoud heeft hij voldoende invloed kunnen uitoefenen. De openingszin had hij zelf kunnen schrijven, verklapt hij alvast; de vaststelling dat we onze architectuur succesvol exporteren, maar in eigen land de verrommeling hebben laten toeslaan.

Dat heeft niet alleen met de decentralisatie te maken, zegt Crouwel. „De verrommeling is al ontstaan toen er nog sprake was van een centrale regie. Economische motieven en subsidiestromen hebben een grotere invloed gehad. Als je elke boer die een windmolen op zijn land zet subsidie geeft, staat zo de hele polder vol. Ook het systeem dat gemeenten geld krijgen op basis van het aantal inwoners heeft bijgedragen aan de wildgroei aan bedrijventerreinen, omdat alle gemeenten dan een positieve rekensom maken gebaseerd op groei. Langs de A12 kom je om de vijf kilometer een bedrijventerrein tegen. Waarom hebben die gemeenten niet gekozen voor één groot terrein? Dat is toch veel efficiënter en dan houd je ook nog geld over om er iets moois van te maken.”

Deel dit artikel