Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De eeuwige slaven van de Golf

Home

MAURICE BLESSING

Valt slavernij in Katar uit te bannen? Nee. Niet zolang ze lucratief en vanzelfsprekend blijft en de sjaria haar legitimeert.

Onze blanke gezichten boezemden blijkbaar vertrouwen in. De douanebeambte op de kade van Aboe Dhabi wuifde ons in ieder geval achteloos door. Maar het meisje dat na ons van boord ging had minder geluk. Zij werd naar het douanekantoor gesommeerd en vastgehouden totdat de commandant van het schip haar Nederlandse identiteit bevestigde. Later vernamen we dat de douaniers haar vanwege haar donkere, Zuid-Aziatische uiterlijk voor een geïmporteerde hoer hadden aangezien.

Een van de beroemdste reisboeken over de Golfregio is Jonathan Rabans 'Arabia Through the Looking Glass'. En inderdaad heeft een bezoek aan de Arabische Golfstaten wel iets weg van Alice' gang naar de keerzijde van de spiegel, in Lewis Carrolls klassieker 'Door de spiegel'. Aan deze zijde van de spiegel lijkt alles nog vertrouwd, maar eenmaal voorbij 'de passage' wacht de grote verrassing. En die is juist zo indringend, omdat ze toch ook weer heel herkenbaar is. Zo is het voor iemand uit Europa, waar Arabieren vaak de gediscrimineerde partij zijn, bijzonder desoriënterend om in het Midden-Oosten te worden geconfronteerd met hun opzichtige discriminatie en afkeer van mensen met een nog donkerder uiterlijk.

Het incident in Aboe Dhabi was het eerste in een deprimerende reeks. Wie een beetje bekend is met de mores in de Golf, schrikt niet snel meer van al die berichten over uitbuiting en mishandeling van Zuid- en Zuidoost-Aziatische arbeidsmigranten in de Arabische Golfstaten. Onlangs berichtte The Guardian dat deze zomer in Katar elke dag één Nepalese bouwvakker was bezweken bij de bouw van de stadions voor het WK-voetbal van 2022.

In ieder geval één Nederlandse oud-bewoner van de regio was verre van geschokt. Ex-voetballer Ronald de Boer, die in de herfst van zijn carrière in de Qatari League speelde en daarnaast ambassadeur was voor Katars WK-comité, verklaarde dat dit nieuws 'verschrikkelijk' was... 'voor het WK-comité'. "Ze balen daar ook van." Volgens De Boer zijn de schandalen een recent fenomeen. "Als je hier tien jaar geleden was, dat is niet te vergelijken. De ontwikkelingen gaan in zo'n rap tempo, dat is niet bij te houden. En dan worden fouten gemaakt."

Het is een deuntje dat je vaker hoort fluiten door belanghebbenden in de Golfregio: de ontwikkelingen hier gaan zó snel, dat zie jij als buitenstaander niet. En men is hier van goede wil, heus. Heb maar wat geduld en alles sal reg kom.

Maar zijn de rechteloosheid en uitbuiting van arbeidsmigranten in de Golf werkelijk een recent verschijnsel? De eerste gastarbeiders in de Arabische olie-industrie deden immers al in de jaren vijftig hun intrede - als het niet eerder is. En toen waren de werkomstandigheden niet veel beter. Bovendien namen deze buitenlandse werknemers de functie over die tot op dat moment door slaven werd vervuld. En die slaven kwamen - puur toeval? - voor een aanzienlijk deel uit dezelfde regio waar nu de meeste arbeidsmigranten in de Golf vandaan komen: het Indiase subcontinent (het tegenwoordige India, Pakistan, Bangladesh en Nepal) en Zuidoost-Azië. Ook zij werden in de Golf met het Arabische soedan ('zwarten') aangeduid, net als de Oost-Afrikanen. Dit woord was een synoniem geworden voor het woord abid, dienaren of slaven: zwart = slaaf.

En wat al even opmerkelijk is: zo'n honderd jaar geleden vernam je van westerse belanghebbenden dezelfde argumenten als die van Ronald de Boer. Neem nu Lusail City, de gigantische bouwput ten noorden van Doha. Hier moet het futuristische stadion verrijzen voor de openingswedstrijd en de finale van het WK - volgens The Guardian de dodelijkste bouwlocatie in het land. En wat wil het toeval: een eeuw geleden bevond zich vlak in de buurt de palm- en granaatappelplantage van een voorouder van de huidige emir, Katars 'Vader des Vaderlands' Jassim Al Thani. De arbeiders op zijn plantage waren zwarte Afrikaanse slaven.

Ook de Britse vertegenwoordiger in de Golfstaten, die Lusail in 1905 aandeed, baalde daar enorm van. De Arabische sjeikdommen in de Golf werden namelijk door de Britten beschouwd als een natuurlijke extensie van het Britse Rijk in India, en binnen dat Rijk was slavernij formeel niet langer toegestaan. Maar, zo wisten de Britten ook, de handel in slaven was op het Arabisch Schiereiland wijdverspreid, onomstreden en een van de weinige vaste inkomstenbronnen van koloniale steunpilaren als de Al Thani sjeiks. Bovendien, zo drukten de laatsten de Britten op het hart, was afschaffing 'niet te verenigen met de Koran'.

De Britten besloten dat geduld een schone zaak is, en dat vertrouwen uiteindelijk altijd zal worden beloond. De Golf maakte na de komst van de Britten immers een snelle economische en sociale transitie door. En de Britse beschaving werd onweerstaanbaar geacht, zelfs voor Arabieren. Waarom zouden ze de goede verhoudingen, zo belangrijk voor het vrijwaren van de handelsroutes naar India, op het spel zetten door zo'n relatief pietluttige kwestie op de spits te drijven? En dus werd in het verdrag dat de Britten in 1916 met de sjeik van Katar sloten wél de overzeese handel in slaven verboden, maar niet het bezit ervan of de handel over land. Hetzelfde procedé hadden zij eerder bij andere sjeiks in de regio toegepast, en die aanpak had niemand van de direct betrokkenen windeieren gelegd.

De geschiedenis van mensenhandel en uitbuiting in de Golfregio, en de daaruit voortvloeiende minachting voor de etnische groepen die vanouds zo 'dom' zijn om zich te laten uitpersen, is dus een tikje ouder dan de komst van de moderne gastarbeiders. Maar hoe oud is die minachting precies? En hoe diep is zij in de cultuur verankerd? Dat is allemaal best lastig vast te stellen, niet in de laatste plaats vanwege het absolute taboe dat in de Golf rust op het onderwerp 'slavernij'. In de nationale musea in de regio is geen verwijzing naar lokale Afrikanen of Zuid-Aziaten aan te treffen. De Golfstaten zijn altijd mono-etnisch geweest, als we de nationale geschiedschrijvers mogen geloven.

Gelukkig hebben westerse historici wel enige feiten boven tafel weten te krijgen. Zo zijn in het huidige Zuid-Irak de tot nu toe oudste bewijzen aangetroffen van grootschalige slavenhandel: de Ur-Nammu tabletten van circa 2300 voor Christus. De lange-afstandshandel in slaven, en hun grootschalige arbeidsinzet, is waarschijnlijk in dit deel van het Midden-Oosten, aan de Arabische Golf dus, 'uitgevonden'.

Dat is niet zo gek, want hier zijn ook de eerste expansieve agrarische staten ontstaan. Zij onderwierpen in militaire campagnes de naburige, zwakkere volkeren. Volwassen mannelijke gevangenen werden daarna meestal omgebracht, omdat zij lastig waren te controleren. Alleen jonge vrouwen en kinderen werden tot slaaf gemaakt. De laatsten hadden het bijkomende voordeel dat zij gemakkelijker de taal en cultuur van hun overweldiger overnamen, en dus beter inzetbaar waren voor een waaier aan militaire, productieve, huishoudelijke en seksuele diensten. Tot ver in de twintigste eeuw brachten kinderen en jonge, liefst lichter gekleurde, vrouwen in deze regio dan ook het meeste geld op. De enige volwassen mannen waarvoor een even hoge of zelfs hogere prijs werd betaald, waren eunuchen. Maar zij waren juist weer vanwege die gedwee makende ingreep zo waardevol.

De algemeen geaccepteerde praktijk van knechting en uitbuiting van overwonnen volkeren liet uiteraard zijn sporen na in de literatuur van de monotheïstische religies, die vanaf het eerste millennium voor Christus tussen de Middellandse Zee en Perzische Golf de kop opstaken. Zo valt in Deuteronomium 20 te lezen: "En de HEER, uw God, geeft u de belegerde stad in handen. Dan moet u alle mannelijke inwoners ter dood brengen. Maar de vrouwen en kinderen en het vee mag u roven."

De veel later opgetekende teksten van de Koran bevatten gelijksoortige passages. Het grote verschil is dat in het islamitische heilige boek de knechting van vreemde, overwonnen volkeren alleen profeten lijkt te zijn voorbehouden. Zoals in soera 8: 67: "Het past een profeet niet onderworpenen te bezitten totdat hij een verpletterende overwinning heeft behaald."

De schriftgeleerden van de drie monotheïstische religies in het Midden-Oosten concludeerden eensgezind dat slavernij een essentieel onderdeel vormt van de Goddelijke Ordening. Dat het vrijmaken van slaven in het hiernamaals wordt beloond als daad van barmhartigheid, deed daar niets aan af. Integendeel: vrijgemaakte slaven werden in de regel door nieuwe vervangen, zodat de handel en het gebruik op zich er zeker niet onder leden.

Het lot van de slaaf zelf werd beschouwd als - in de woorden van de vierde-eeuwse kerkvader Augustinus van Hippo - 'een gerechtvaardigde straf van God voor de zondaar'. De latere opstellers van de islamitische wet, de sjaria, konden zich aardig in deze definitie vinden. Zij trokken er de in deze context noodlottige conclusie uit dat alle inwoners van 'het Huis van Oorlog' (de niet-islamitische wereld) potentiële slaven waren.

De verspreiding van de islam over de kustgebieden van de Indische Oceaan, vanaf de zevende eeuw, gaf de aanzet tot een eeuwenlange bloei van de interregionale slavenhandel tussen de havens van Oost-Afrika, Arabië, India en Oost-Azië. Handelaren beschikten in deze onafzienbare economische ruimte over een gemeenschappelijke taal (het Arabisch) en een pakket religieuze verordeningen (de sjaria) die de transcontinentale slavenhandel vereenvoudigden, maar ook: moreel legitimeerden.

In de negentiende eeuw bereikte de slavenhandel in de landen rond de Indische Oceaan een nieuw hoogtepunt. Dit is opmerkelijk, omdat de Britten toen in dit deel van de wereld de lakens uitdeelden. En het was het Britse parlement dat het voortouw had genomen in de afschaffing van de trans-atlantische slavenhandel, door in 1807 de vermaarde Slave Trade Act aan te nemen. In 1834 werd ook de slavernij zelf formeel afgeschaft binnen het gehele Britse Rijk.

Maar zoals we al zagen, maakten de Britten voor de Arabieren een pragmatische uitzondering op hun anti-slavernijprincipes. De Arabische slavenhandelaren speelden daarbij handig in op de Britse angst 'de heilige regels van de islam' te overtreden. Zo accepteerden de Britse autoriteiten in 1870 de volgende opmerkelijke verklaring van een bedevaartganger naar Mekka, die met gloednieuwe bediendes van de hadj was teruggekeerd. "Wij moslims beschouwen het als een goede daad om slaven te bevrijden", aldus de pelgrim. "Ik heb er daarom eentje in Djedda en eentje in Mekka aangeschaft om ze weer in vrijheid te kunnen stellen. Maar ze bleven liever bij mij, zeiden ze. En omdat het kinderen zijn, die een voogd nodig hebben, zal ik uit liefdadigheid voor ze zorgen."

Ook de islamitische mahr (bruidsprijs) werd ingezet om religieus gesanctioneerd een slavin aan te schaffen. Dat volgens de islamitische wet de mahr voor de bruid zelf is bestemd, en niet voor degene die haar in de huwelijksmarkt zet, was een detail dat de Britten, met hun ostentatieve respect voor de islam, wel erg gemakkelijk over het hoofd zagen. Kadi's of islamitische rechters verdienden ook flink bij met het sluiten van in de soennitische traditie omstreden moeta, de tijdelijke plezierhuwelijken. 

Zo konden vrouwelijke slaven uit Syrië worden gedwongen tot een hele serie plezierhuwelijken voordat ze door hun laatste wettige echtgenoot ergens diep in Arabië werden afgedankt als huishoudster.

Overigens hadden de Britten, met al hun zelfvoldane verontwaardiging over de voortbloeiende slavenhandel op het Arabisch Schiereiland, de nodige boter op het hoofd. Wanneer slaven zich bij de Britse autoriteiten meldden om door hen bevrijd te worden - de Britten hadden zichzelf hiertoe in hun verdragen verplicht - of wanneer incidenteel een slaventransport werd onderschept, konden de vrijgemaakte slaven nog geenszins gaan en staan waar ze wilden. Over het algemeen wisten hun weldoeners weinig meer te verzinnen dan ze aan Europese of inheemse families in Mumbai als 'huishoudelijke hulp' aan te bieden.

Het zou tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat de Britse voogden de Arabische sjeiks dwongen korte metten te maken met de slavenhandel. "De problemen waarvoor we binnen de Verenigde Naties of elders zullen komen te staan als de slavenhandel in gebieden onder onze jurisdictie wordt ontdekt, kunnen we niet onderschatten," noteerde een hoge Britse ambtenaar in die dagen. "We moeten er duidelijk een eind aan maken, en snel ook."

De eerste echte doorbraak vond in Katar plaats. Want toen de sjeik van Katar vanaf 1949 flink begon te verdienen aan de olie-export, bleek afschaffing ineens wel degelijk bespreekbaar te zijn. In maart 1952 kondigde hij aan dat alle slaven in zijn domeinen zouden worden bevrijd, en dat de eigenaren financiële genoegdoening zouden ontvangen. Uiteindelijk ontvingen de Katarese slaveneigenaars voor 660 vrijgelaten slaven compensatie. Dat aantal was een stuk lager dan de eerder ingeschatte drieduizend lokale slaven, maar alle betrokkenen waren zo opgelucht dat dit enigma ongemoeid werd gelaten. De meeste slaven bleven trouwens bij hun meesters. Vooral de vrouwen hadden nauwelijks een alternatief, of het moest de publieke prostitutie zijn.

Minder inschikkelijk waren de heersende families in de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, waar de steeds driester optredende slavenhandelaren in de jaren vijftig zelfs westerse olie-ingenieurs onder vuur begonnen te nemen; de stijgende olie-inkomsten in Saoedi-Arabië hadden de vraag naar slaven en vooral slavinnen weer eens opgedreven. Zij bleven beweren dat afschaffing van de slavernij tegen de sjaria inging. En ze hadden geen geld, zeiden ze, om de eigenaren schadeloos te stellen.

Pas in de jaren zestig, toen ook hier de olie begon te stromen, gaven de sjeiks van de latere VAE toe aan de Britse eisen. In 1963 verklaarden zij dat 'slavernij, net als de slavenhandel, sinds lang is verboden in deze gebieden'. Nadat in 1970 met Britse steun de huidige sultan van Oman de macht had gegrepen, werd ook daar, als laatste Golfstaat, de slavernij onwettig.

Maar uiteindelijk zijn het niet de anti-slavernijwetten geweest die in deze regio een einde maakten aan de traditionele slavenhandel en -houderij. Aan het eind van de twintigste eeuw waren de traditionele vormen van slavernij eenvoudigweg achterhaald. Er waren nieuwe, veel lucratievere vormen van mensenhandel en -uitbuiting voor in de plaats gekomen. Die waren (en zijn) gebaseerd op een kapitalistisch systeem van 'vrije arbeid', dat verdacht veel weg heeft van de wijze waarop in de negentiende eeuw de contractarbeid van koeli's binnen en buiten Brits-India werd georganiseerd.

En opnieuw werd de mensenhandel op het Arabisch Schiereiland religieus gelegitimeerd. Een buitenlandse werknemer krijgt in de Golfstaten pas een visum als de werkgever voor hem of haar garant staat. Deze kafiel, zeg maar sponsor, neemt het paspoort in van zijn werknemer, die hij naar hartelust kan chanteren: de werknemer heeft op papier wel rechten, maar kan daar alleen op straffe van uitzetting een beroep op doen. Bahrein stelt officieel paal en perk aan dit systeem van kafala (een term uit de sjaria), maar gedoogt het ruimhartig. In Katar is de traditionele kafala legaal; buitenlandse kritiek erop wordt ook in de aanloop naar het WK genegeerd. Het zou enorm helpen als de moslimgeestelijkheid zich ertegen zou uitspreken, maar die zwijgt. Sommige islamisten pleiten zelfs onomwonden voor terugkeer naar de goede oude islamitische slavernij.

"De geschiedenis herhaalt zich niet, maar ze rijmt wel degelijk," zou Mark Twain hebben gezegd. Wat dat betekent, aanschouwen we dagelijks in discriminatie, uitbuiting en mishandeling van buitenlandse contractarbeiders, huishoudsters en prostituées in de Golf. In de discussie over slavernij komen alle lokale taboe-onderwerpen samen: politiek, religie en (gedwongen) seks. Driedubbel haraam dus. Zolang die millennia-oude geschiedenis van knechting taboe blijft, verandert er niets. Het zoveelste sportieve, verbroederende evenement, strengere regels die toch niet worden opgevolgd en geduld en vertrouwen helpen niets. En dat, Ronald de Boer, is toch best wel balen.

Maurice Blessing (1968) is arabist en publiceert over het Midden-Oosten en geschiedenis. Hij doceerde aan de UvA islamitisch recht en moraal (sjaria).

Deel dit artikel