Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De eeuwige kloof tussen burger en politiek

Home

Nico de Fijter en Sandra Kooke

De ongenoegen van de burger met de politiek is van alle tijden, zeggen deskundigen. Zij maken korte metten met de mythe Pim Fortuyn het begin was van een onvredegolf. En bestaat die kloof eigenlijk wel? Antwoord op vijf vragen.

Rita Verdonk kan met haar Trots op Nederland (TON) volgens peilingen rekenen op 22 Kamerzetels; Geert Wilders en zijn PVV op 18 zetels. De twee VVD-verlaters wisten de afgelopen weken de ogen van het land op zich gericht. Leidde het Kamerdebat over Wilders’ film, Fitna, tot een novum in de parlementaire geschiedenis (het Kamerlid beschuldigde het kabinet tijdens dat debat van leugens en bedrog – een derde van de Nederlandse bevolking steunde Wilders daarin), Verdonk trok vooral de aandacht met haar vaartocht en feestje ter gelegenheid van de lancering van haar TON-programma. Het kabinet, intussen, geniet nog slechts het vertrouwen van een klein deel van de Nederlandse bevolking.

Die politieke realiteit heeft geleid tot zorgen en verzuchtingen over de staat van de Nederlandse democratie, over de gapende kloof tussen burger en politiek, over de grote ontevredenheid onder het electoraat, over het gebrek aan vertrouwen in de overheid, over het verdwijnende politieke midden en de populariteit van de politieke flanken.

Zijn die zorgen terecht? Raakt het Nederlandse democratische stelsel in de knel? Vijf vragen.

Is de onvrede groter dan vroeger?

„Dat valt reuze mee”, zegt de Leidse hoogleraar kiezersonderzoek Joop van Holsteyn. „Onvrede onder kiezers is van alle tijden. Daarom zijn er ook zoveel verschillende partijen in dit land. De opkomst bij Kamerverkiezingen is onveranderd behoorlijk hoog.”

Bovendien, zegt hij, de twee parlementariërs die op dit moment de onvrede lijken te vertegenwoordigen – Wilders en Verdonk – maken zelf ook deel uit van de politiek. „Ze zetten zich wel af tegen het establishment, maar dat is de gebruikelijke claim van nieuwe politieke bewegingen. Boer Koekoek en D66 deden dat vroeger ook. D66 ging zelfs verder: die partij wilde het bestel helemaal opblazen.”

In de samenleving is er eigenlijk altijd een groep – tussen de 10 en 20 procent – die ontevreden is, stelt Paul Frissen, hoogleraar bestuurskunde aan de Tilburgse universiteit en decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag. „Er is weinig nieuws onder de zon. Het klagen over de democratie is zo oud als de democratie zelf. Mopperaars zijn eigen aan democratie. Het is een politiek stelsel dat voortdurend kritische reflectie behoeft. Over de onvrede hoeven we ons geen zorgen te maken. Zijn we nog in staat tot een gezonde, kritische reflectie – daar maak ik me veel meer zorgen over.”

Maar de vrij hevige electorale schommelingen van de laatste jaren dan – zowel in verkiezingsuitslagen als virtueel, in de peilingen? Duiden die niet op toenemende onvrede onder de bevolking en daarmee op een groeiende kloof met de politiek? Nee, zegt Van Holsteyn. „Het Nederlandse electoraat is buitengewoon standvastig. Aan de oppervlakte zien we wel bewegingen, maar de onderliggende patronen blijven stabiel. Toen Pim Fortuyn de politieke arena betrad, sprak men van een ruk naar rechts en een verhard minderhedenstandpunt. Maar de kiezers dachten al heel lang zo. Ze hadden nu eindelijk iemand om op te stemmen die hun standpunt in de politiek verwoordde. De kiezers zijn niet van mening veranderd, de partijen zijn van mening veranderd.”

Wilders en Verdonk, betoogt Frissen, zijn op dit moment de stromen die de onvrede in de samenleving kanaliseren. „De volgende keer zijn dat weer anderen.”

De vervreemding en het cynisme over de politiek hebben zich de laatste jaren geuit in de verkiezingsuitslagen, zegt Gerrit Voerman van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen aan de Universiteit Groningen. „We zagen het het met de opkomst van Fortuyn en de LPF. Daarna wonnen de SP en, bij de Europese verkiezingen, Paul van Buitenen met Europa Transparant. Dat zijn beide ook anti-systeempartijen, protestpartijen, al verdwijnt dat aureool zo langzamerhand bij de SP. In 2006 zag je vervolgens de winst van de PVV en opnieuw de SP.”

Natuurlijk, zegt Frissen, de tijd dat de grote klassieke partijen onderling de macht verdeelden is voorbij. Het politieke landschap is onrustiger geworden. „Maar dat geldt voor de hele maatschappij. Heftigheid in de samenleving uit zich in electorale bewegingen. Als het onrustig is in de samenleving – door internationalisering, terrorisme, economische problemen, noem maar op – zou het heel vreemd zijn als die onrust in de politiek en de electorale bewegingen volledig achterwege blijft. Maar laten we ook de zogenaamde rust en stabiliteit van vroeger alsjeblieft niet overschatten.”

Maar, zegt Voerman, de instabiliteit is wel toegenomen. „Dat is in 1994 begonnen. Het paarse kabinet van PvdA, D66 en VVD was een novum. Vanaf 2002 zag je vervolgens twee kabinetten die niet de volle termijn halen. CDA, VVD en LPF hielden het enkele maanden vol, CDA, VVD en D66 duurde drie jaar en Balkenende III was een rompkabinet van korte duur. Nu regeert voor het eerst de ChristenUnie mee. Heel stabiel oogt het nog niet.” Tegelijkertijd: „Begin jaren zeventig hadden we ook een periode met veel nieuwe partijen en nieuwe coalities. Ook dat was een instabiele periode.”

Het is een misverstand, zegt Frissen, dat veel veranderingen in de politiek duiden op groeiende instabiliteit en onvrede. „De democratie is altijd in ontwikkeling. Dat is een van haar eigenschappen. Je zou zelfs kunnen betogen dat in de ideale democratische samenleving alle kiezers zwevende kiezers zijn. Dat ze keer op keer op volstrekt zelfstandige wijze een nieuwe keuze maken. Natuurlijk zal dat in de praktijk voor een fikse chaos zorgen. Een land is wel gebaat bij enige continuïteit in zijn bestuur.”

Is de klacht over de kloof tussen burgers en politiek nieuw?

Bepaald niet. Zowel burgers als politici klagen er al decennialang over. Zo maar een paar voorbeelden. In 1966 werd Nieuw Links opgericht, een vernieuwingsbeweging binnen de PvdA, die onder meer pleitte voor een verkleining van de kloof tussen burger en politiek. De politicologen en PvdA-ideologen Joop van den Berg en Henk Molleman publiceerden in 1974 het boek ’Crisis in de Nederlandse politiek’ waarin ze stelden dat Den Haag steeds minder in staat was de burger te bereiken. De metafoor die het Haagse Binnenhof als kaasstolp voorstelt, is van Van den Berg. In 1990 concludeerde een commissie onder leiding van CDA-politicus Deetman dat het gat tussen burgers en politiek zó groot was geworden dat met recht van een ’legitimiteitscrisis’ kon worden gesproken. Deetman kwam met een lange lijst voorstellen om het gat te dichten. Bij zijn aantreden, in 1994, stelde het eerste kabinet-Kok zich ten doel ’de afstand tussen burgers en bestuur te verkleinen’. De 100-dagentournee door het land van het huidige kabinet had hetzelfde doel voor ogen. Trouw-columnist Willem Breedveld schetste een kleine vijftien jaar geleden de toenmalige kritiek op de kloof tussen burgers en politiek: ’De politiek wil niet luisteren, heet het. Het politieke toneel is in handen van een zeer klein aantal personen. De politici die tot deze groep behoren, staan buiten de maatschappij en zitten gevangen in het benauwde Haagse beleidscircuit’. Precies dezelfde kritiek was vorige week nog te horen uit de mond van TON-voorvrouw Rita Verdonk.

In 1994 concludeerden de politicologen Van Gunsteren en Andeweg dat de kloof zich wellicht nog het best laat vergelijken met het monster van Loch Ness: het geloof erin is hardnekkig, het duikt keer op keer op, maar een echt bewijs voor het bestaan ervan is amper te geven.

„Als onvrede onder kiezers van alle tijden is”, zegt Frissen, „dan is de klacht over de kloof dat ook.”

Is de kloof eigenlijk wel een probleem?

Nee, zegt Frissen. „Sterker nog: de kloof is veel te klein. Dát is het probleem. Politici denken telkens: we moeten de kloof overbruggen, dus gaan we nu heel goed naar die burger luisteren en vervolgens al zijn problemen oplossen. Fout. Een representatieve democratie heeft die kloof hard nodig. Ga maar na: de Verdonk-aanhang zegt: wij willen én van de files af én we willen belastingverlaging. Die twee zijn niet te verenigen. In een representatieve democratie luister je naar de wensen van een bevolking, maar ga je vervolgens, op afstand van die bevolking, op zoek naar oplossingen die zoveel mogelijk mensen en de samenleving als geheel dienen. De kunst zit ’m in een goede, zelfstandige analyse van de problemen in de samenleving en het, in een democratisch debat, zoeken naar oplossingen. We moeten terug naar een politiek van grote lijnen, van checks and balances, weg van de veeleisende burger. Daar komt bij: elke probleem dat door de politiek wordt opgelost, wordt op bureaucratische wijze opgelost. Dat is inherent aan het systeem. Maar waar leidt die bureaucratie toe? Juist: nog meer ontevredenheid.”

Daar komt bij, zegt Voerman, dat het nog maar de vraag is of burgers wel overal over willen kiezen. „Je geeft als kiezer je vertrouwen aan een politicus die jouw belangen behartigt. Dan krijg je niet altijd precies je zin, maar dat hoort erbij. Tegelijkertijd: dat een derde van de bevolking met Wilders denkt dat het kabinet liegt, vind ik wel zorgelijk.”

De kloof tussen burger en politiek en de hardnekkige Haagse pogingen tot het slechten ervan brengen politici in een tweespalt, zegt de Amsterdamse politicoloog en hoogleraar Maarten Hajer. „Bestuurders worden gedwongen twee talen te spreken. In een zaaltje of op tv moeten ze begrijpelijk zijn voor alle mensen. Maar in hun functie, bijvoorbeeld in de Tweede Kamer, moeten ze juist distantie uitstralen, het verschil laten zien. Dan moeten ze een beetje gedragen spreken, waardigheid uitstralen. Wat je nu gewaar wordt in het parlement – de kleding, het gedrag, de spreekstijl en woordkeus – doet afbreuk aan het belang van het bestuur.”

Hebben nieuwe bewegingen, zoals van Wilders en Verdonk, de toekomst?

PVV en TON zijn geen klassieke politieke partijen. Ze hebben geen leden die meedenken en -praten over de koers en de organisatie. „Ontevreden burgers hebben een afkeer van het politieke bestel”, zegt Voerman. „Ze vinden hun belangen niet behartigd door gevestigde partijen, die geen contact met de samenleving zouden hebben. De oude politieke partijen worstelen met dat imago, de nieuwe bewegingen van Wilders en Verdonk maken er gebruik van. Ze stellen zichzelf tegenover de ’verzuurde bestuurselite van de oude politiek, die aan het pluche kleeft en het contact met de samenleving kwijt is’. Die ’neuzelen’ maar wat of zijn ’knettergek’. Hun aantrekkingskracht is dat ze eenvoudige antwoorden hebben op complexe problemen. Immigratie stopzetten, files oplossen. Voor de oplossing van zo’n probleem denkt Verdonk uit de samenleving een antwoord te krijgen. Van de man die met zijn laarzen in de praktijk staat.”

Het is het klassieke discours van de populist, zegt Frissen. „Verdonk zegt: ik overbrug de kloof, ik neem alle obstakels weg die tussen ons in staan. Dat is typische populistentaal die ze uiteindelijk niet waar zal kunnen maken. Gewoon omdat de representatieve democratie zo niet functioneert.”

Voerman ziet echter genoeg ruimte voor de ledenloze bewegingen, zeker nu de loyaliteit aan de oude partijen afneemt. „De uitslagen van verkiezingen worden steeds grilliger. Partijen schieten van winst naar nederlaag, binnen een paar maanden. Dat biedt ruimte aan nieuwe partijen, maar de oude verdwijnen nog niet. De nieuwe partijen hoeven geen eendagsvliegen te zijn. Berlusconi gaat ook al jaren mee. Maar ze zijn wel kwetsbaar. Vanwege die ene leider, maar ook vanwege het ontbreken van een organisatie met procedures, tradities, wijze mannen en vrouwen. Toen er in 2001 ruzie in het CDA ontstond tussen Van Rij en De Hoop Scheffer, kon Balkenende naar voren worden geschoven als partijleider. De LPF explodeerde bij gebrek aan structuren en eminences grises. Een partij heeft interne stabiliteit nodig. Deze ledenloze bewegingen zijn afhankelijk van media-aandacht of geldschieters, bij gebrek aan ledencontributie. Ze hebben geld nodig voor spindoctors, marketing, het kopen van zendtijd. De achterban mag meelopen, maar heeft weinig zeggenschap.”

Dat Verdonk een grote aantrekkingskracht heeft, hoeft helemaal niet te verbazen, zegt Van Holsteyn. „Bij de laatste verkiezingen, toen ze nog op de VVD-lijst stond, haalde ze enorm veel voorkeursstemmen binnen. Die aanhang heeft ze nu meegenomen. De potentiële aanhang van Verdonk, en ook van Wilders, bevindt aan de rechterkant van het politieke spectrum. CDA, VVD, Verdonk en Wilders strijden goeddeels om dezelfde kiezers. Ik ben vooral heel benieuwd hoe het CDA zich wat dat betreft de komende tijd gaat houden.” Van Holsteyn vindt nog veel te vroeg om nu al van een verandering van de democratie te beschouwen. „Verdonk en Wilders spelen het spel van de democratie gewoon mee.”

Wat moeten de gevestigde partijen doen?

„Als zij voortdurend gaan reageren op relletjes, kan er een flinke kiezersverschuiving optreden”, denkt Hajer. „Maar als ze geprikkeld worden om beter te laten zien waarom ze zo handelen en aan kunnen tonen wat ze ermee bereiken, kunnen ze verder komen. Ik ben daar niet pessimistisch over. Maar dan moet dit kabinet wel de rit uit weten te zitten, zodat het met een positief resultaat de verkiezingen ingaat. De Kamer zou nu de aandacht moeten vestigen op de grote thema’s: economie, milieu, mobiliteit, migratie, criminaliteit. Leg uit welke maatregelen je neemt om het doel te bereiken. Die duidelijkheid is nodig om de onmacht en irritatie bij mensen weg te nemen. Wij zijn een nuchter land. Geef nuchter aan wat de grote lijnen zijn en dan snapt de burger het wel.”

Maar dat is niet wat er nu gebeurt, zegt Frissen. „Gevestigde partijen schuiven, door de populistische toon van Wilders en Verdonk, op in diezelfde populistische richting. En dat is precies wat ze niet moeten doen. Ze zijn te veel door angst gevoed. Ze moeten hun rug recht houden. Daar zijn, gelukkig, nog voorbeelden van: politici als de ministers Donner en Hirsch Ballin en in vroeger tijden Frits Bolkestein en Ien Dales. Die wisten daar weerstand tegen te bieden, onttrokken zich aan de hijgerigheid van de media en kwamen desalniettemin met goede oplossingen voor problemen in de samenleving. Helaas laat de huidige regering haar oren veel te veel hangen naar de ontevreden burger en de populistische politici.”

Hajer noemt het gebrek aan vertrouwen in de overheid een ’kwestie van achterstallig onderhoud’. „Mensen weten veel te weinig af van politiek en bestuur. In het onderwijs zou heel nadrukkelijk aandacht moeten zijn voor hoe het politieke systeem werkt. Er is nu veel aandacht voor geschiedenis, maar er is relatief weinig interesse voor de staatsvorming, voor onze overheidsinstituties. Als je niet weet hoe politiek werkt, is het niet gek dat je politici niet op hun blauwe ogen gelooft. Mensen moeten zich weer realiseren dat het bestuur van de burgers is en in hun voordeel werkt. Dat kan via het onderwijs. Maar de politiek moet ook beter uitdragen wat voor goeds het systeem teweeg brengt. Voor mensen is ook van belang dat ze zelf ervaring opdoen met het bestuur. Veel bestuurders bedenken zelf iets en verordonneren dat aan de samenleving. Maar burgers hebben ook kennis. Betrek ze bij de plannen. Bestuurders zijn vaak angstig voor het gedoe dat dan ontstaat, maar anders komt het gedoe achteraf.”

Voerman wijst op de veranderingen binnen de oude politieke partijen. „Na Fortuyn zijn andere onderwerpen in de partijprogramma’s aan de orde gekomen. Leden hebben meer invloed gekregen op de keuze van de partijvoorzitter of partijleider. Dat is van de laatste vijf jaar.”

Volgens Van Holsteyn verdienen de jongste politieke ontwikkelingen ook een optimistische benadering: „Dit is een levende democratie. Ze ving de LPF op – die kon zelfs meeregeren – en nu vangt ze weer iets nieuws op. Dat is toch prachtig. Dit is geen crisis, de democratie is sterk genoeg.”

Deel dit artikel