Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De dominee die bij leven al heilig was

Home

Gerrit-Jan KleinJan

De ultra-orthodoxe dominee en oud-slager Frans Mallan werd bij leven al als een heilige gezien. Nu hij is overleden, dichten zijn volgelingen hem een plaats naast Christus toe. „Mallan is een soort Petrus geworden.”

Heiligenlevens zijn schaars, dat weet elke katholiek. Protestanten denken vaak dat heiligen een typisch rooms fenomeen zijn, maar uit die droom heeft de dissertatie van cultuurhistoricus John Exalto hen geholpen: ook de meest virulente antipapisten kennen hun heiligen. Die verschillen van de katholieke pendanten, want je kunt niet tot hen om voorspraak bij God bidden, maar ze bestaan wel. Exalto, verbonden aan de Vrije Universiteit, beschreef er in 2005 een aantal, en voegde er later aan toe dat de laatste gereformeerde heilige nog onder ons was: dominee Frans Mallan.

Deze zomer verwisselde deze voorganger uit de zeer behoudende gereformeerde gemeenten in Nederland het tijdelijke met het eeuwige. Mallan, het best te omschrijven als de rechtsbuiten van orthodox-protestants Nederland, werd al decennia lang beschouwd als living saint.

In het geloofsleven van menig gelovige uit zijn kerk vervulde hij een sleutelfunctie. Zo kreeg hij brieven van kerkgangers met daarin uitvoerige beschrijvingen van het bekeringsproces van de afzender. De vraag was dan of Mallan wilde beoordelen of de hemel (soms) dan wel de hel (meestal) in het verschiet lag.

Toen de 85-jarige op 8 juli de laatste adem uitblies, bestond er bij zijn volgelingen geen enkele twijfel over: Mallan leeft in de hemel verder – een hele prestatie in het strenge kerkverband, waar geloofd wordt dat het overgrote deel van de mensheid (inclusief kerkgangers) het hellevuur wacht. Op de uitvaartplechtigheid, zes dagen na het overlijden, werden verkeersregelaars ingezet om de menigte van vijfduizend personen over vier kerken te verdelen. Een straat werd afgezet, pendelbussen reden af en aan.

De dominee uit Alblasserdam vormt het (voorlopige) sluitstuk van een traditie die teruggaat tot de zeventiende eeuw, waarin bevindelijk-gereformeerde voormannen als een uitverkoren intermediair tussen God en mensen fungeren. Hun volgelingen zien de mannen Gods als rechtstreekse opvolgers van de oudtestamentische profeten. Ze genieten groot gezag, bekritiseerd worden ze nauwelijks.

De afgelopen twee maanden kwam een stroom berichten, verhalen en artikelen op gang in vooral reformatorische media waarin de uitzonderlijkheid van ex-slager Mallan nog eens werd benadrukt. Ook uit de rouwannonces blijkt welke status de predikant genoot. Hij heet een ’niet aflatend verdediger van de leer die naar de godzaligheid is’. In familiekring was Mallan niet alleen vader, oom of zwager maar ook dominee – welke rol daarvan het zwaarst woog, wisselde. Zo noemde een schoonzuster haar zwager Frans nooit bij zijn voornaam. Hij op zijn beurt was natuurlijk méér dan een slager, hij meldde met stelligheid dat hij in rechte lijn afstamde van de apostel Paulus.

Fred van Lieburg, historicus aan de Vrije Universiteit, heeft een bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van het piëtisme. De hoogleraar bestudeert de donkerste variant van het calvinisme al jaren. Hij schreef er verschillende boeken over. Zelf opgegroeid in een bevindelijk milieu, kent hij de wereld niet alleen uit de theorie. Zijn moeder bijvoorbeeld zat op de lagere school slechts een klas hoger dan de latere dominee Mallan.

Hoe komt het dat de predikant, die meer dan tienduizend keer de kansel beklom in eigen kring niet als een gewone sterveling werd gezien? Van Lieburg: „Mallan wordt gezien als de ultieme bekeerde.” Een beeld dat niet zomaar ontstond, weet de historicus. „Het werd gecultiveerd, niet in de laatste plaats door de predikant zelf.” Zo vertelde Mallan het Reformatorisch Dagblad meer dan eens dat hij al als zesjarig jochie wist dat hij dominee ’moest’ worden. Spelen deed hij niet, hij las liever. Brakels ’Redelijke Godsdienst’ bijvoorbeeld, een dogmatiek uit de piëtistische traditie anno 1700 – de kleine Frans las het boek ’in de oude druk’.

Van Lieburg: „Dat zoiets op jonge leeftijd al werd gestimuleerd, valt te verklaren uit een wisselwerking tussen de eigen psychologie en de omgeving waar dit gedrag het kenmerk is van het ware geloof. Dat versterkt elkaar. De jongen ziet zich als geroepene en de omgeving bevestigt dat. Ik bedoel dat niet neerbuigend, maar het lijkt op een narcistische beleving. God bewijst zijn genade slechts aan een enkeling. Mallan belichaamde dat, met een ware, diepe bekering.”

Een correct verlopen bekeringsproces dat zich volgens de allerbevindelijkste protestanten in een vast patroon voltrekt, is cruciaal voor de geloofwaardigheid van een bekeringsverhaal. Mallan was iemand bij wie het allemaal klopte. Daarom deden twijfelende bekeerlingen een beroep op zijn expertise.

„Mallan wist zijn hele zielstoestand uit te rafelen”, zegt Anne van der Meiden. De oud-hoogleraar geldt net als Van Lieburg als kenner van het bevindelijke protestantisme. Ook hij schreef er een boek over, ’De zwartekousenkerken’. „Wie zijn ziel kan ontrafelen, heeft de grootste aanhang”, vervolgt Van der Meiden. „Het wordt gezien als bijzondere profetische gave. ‘Dat is ’n echte’, wordt dan gezegd.”

In de rouwannonces – we telden er minstens 23, waaronder een namens zes stichtingen en drie deputaatschappen – bleek al snel om welk een uitzonderlijk mens het hier ging. Volgens Van der Meiden is de mooiste aanduiding van Mallan die van een ’goed afgestorven dienaar, Mijn Vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren’. Precies dat mysterieuze bijbelcitaat stond boven een van de advertenties. De referentie aan de profeet Elia, die met de ’wagen Israëls’ rechtstreeks naar de hemel ging, is in deze kringen alleen weggelegd voor de grootste gelovigen.

Juist in de sterk gepolariseerde haarkloverijen zag Mallan zijn theologische gelijk. „De rol van verdediger van het ware geloof is nog zoiets waaruit zijn heiligheid blijkt”, zegt Van Lieburg. „We hebben het over een hedendaagse profeet die zichzelf in apostolische successie van protestantse oudvaders zag staan en geen tegenspraak duldde. Mallan had een obsessie voor het handhaven van de waarheid. In essentie gaat het hierom: hij dacht dat God maar een kleine kring tot zijn kinderen maakt – de happy few, om het zo te zeggen. Mallan hoorde daar bij. Op grond daarvan dacht hij te kunnen beoordelen wat goed en fout was.”

Een houding, merkt Van Lieburg fijntjes op, die heel tegenstrijdig is met het protestantse dogma dat een sterveling niet kan bemiddelen tussen God en mensen.

Anne van der Meiden denkt dat er ook een machtspolitiek aspect aan het quotum op bekeringen zit. „Ik denk dat de bekeerden de spoeling bewust dun houden. Juist die monopoliepositie maakt hen zo bijzonder. Figuren als Mallan waren en zijn zich erg bewust van die rol. Hoe groter de club wordt, hoe minder bijzonder zij zijn.” Na de dood van Mallan ging in de familiekring het verhaal van zijn verscheiden meteen vergezeld van de zinsnede ’hij heeft de dood niet gezien’, een verwijzing naar het bijbelboek Hebreeën dat bericht dat de legendarische Henoch de dood niet zag.

Dat betekende dat bij Mallan famous last words ontbraken, maar dat gaf niets: de predikant was van een andere orde dan de doorsnee sterveling. Op de rouwannonce wordt de parallel doorgevoerd; daarboven staat ’God nam hem weg’. Ook dat is een citaat over Henoch, uit het bijbelboek Genesis.

In de uitvaartplechtigheid was merkbaar op welke wijze aan Mallan heiligheid werd toegeschreven. Niet door er in die termen over te spreken, maar door twee opmerkelijke formuleringen. De eerste betrof de omschrijving van het begraven ná de rouwdienst. Men zou de overledene ’toevertrouwen aan de schoot der aarde’. Mallan had zelf in uitvaartdiensten van volgens hem onbekeerde familieleden gesproken van ’nederdalen in de groeve van vertering’.

Technisch gezien zit in die formuleringen geen verschil – de schoot der aarde verteert het stoffelijk overschot. Toch proeft de goede verstaander het verschil: hier werd een bekeerde, een man Gods naar de laatste rustplaats begeleid. Hier hing, als in de klassieke roomse heiligenlevens, geen ontbindingsreuk, maar een geur van heiligheid.

Nog veel krasser maakte de dienstdoende predikant Jochum Roos het, toen hij tijdens de uitvaart sprak over de postume rol die aan de ’vader van het kerkverband’ toekwam. Hij zou met Christus over iedere eeuwige bestemming oordelen. Is de paus nog formeel de plaatsbekleder van Christus op aarde, hier werd Mallan de scherprechter naast Christus. Een rol die Mallan, wist Roos, zonder hartzeer voor de zeer velen die hij naar de hel zou verwijzen, zal vervullen.

Een preekcitaat: „Eens zullen wij staan voor die witte troon. Dan zal vader en grootvader aan de rechterhand [van Christus] staan. () Zal dan dominee Mallan, als gerechtvaardigd zondaar, instemmen met het oordeel dat geveld zal worden?”

Van Lieburg heeft het fragment op een cassettebandje beluisterd. Hij zegt: „Op zichzelf is het een dogmatisch geijkte gedachte dat aardse banden in de hemel wegvallen. De huiveringwekkende schildering van het laatste oordeel is een retorisch middel om te waarschuwen. Kinderen raken zo’n beeld van hun zwartgeklede dominee in een wit gewaad niet meer kwijt.”

Anne van der Meiden over dezelfde passage: „De predestinatie staat hier ver boven de genade.”

Hoe dan ook, uit de passage blijkt duidelijk dat Mallan een heilige is. Van der Meiden: „Zo zullen ze het zelf nooit noemen, dat is rooms. Maar uit alles in de preek valt af te leiden dat we te maken hebben met iemand van een uitzonderlijke positie.”

Van Lieburg: „Uit de hele entourage blijkt: Mallan is nu een soort Petrusfiguur geworden. Hij was hier beneden al een ’Wachter Sions’ (titel van zijn kerkelijk weekblad, red.) maar hij is het vanaf nu ook daarboven.”

Deel dit artikel