Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De bovenmeester en de loopjongen

Home

door Jan Dirk Snel

Wim Kok gaf kroonprins Willem-Alexander een schrobbering omdat deze 'persoonlijk getinte opmerkingen' zou hebben gemaakt inzake de discussie over de vader van zijn vriendin, Jorge Zorreguieta. Historicus Jan Dirk Snel legt uit dat Kok met zijn optreden de Grondwet schond. ,,Wim Kok deed alsof Willem-Alexander zijn ondergeschikte was, terwijl de Grondwet aan de koning toch onschendbaarheid toekent.''

Niet kroonprins Willem-Alexander ging veertien dagen geleden in de fout, maar premier Wim Kok. De Nederlandse minister-president schond niet alleen de monarchie, maar ook de Grondwet.

Het begon zo veelbelovend. Nadat maandenlang allerlei lieden hadden lopen rondbazuinen dat Jorge Zorreguieta niet deugde, zonder dat ze daar ook maar het minste of geringste spoortje bewijs voor hadden, kwamen de journalisten Jan Thielen en Edwin Koopman het vorige weekend eindelijk met gedegen onderzoek waaruit bleek dat er wel degelijk ernstige vragen te stellen zijn bij het optreden van de Argentijn in de jaren zeventig. Kroonprins Willem-Alexander reageerde verstandig. Hij juichte het onderzoek toe en in een vraaggesprek wees hij ondertussen nog op een 'open bron' die de Nederlandse pers tot dusverre over het hoofd had gezien. Niets mis mee, ook al bleek het om een brief van oud-dictator Videla te gaan; ook zo'n document behoort op zijn waarde beoordeeld te worden. Wie het optreden van de prins in de Nederlandse club in New York aanschouwde, zag iemand die opgewassen was tegen zijn moeilijke taak. Willem-Alexander reageerde menselijk en waardig, emotioneel en toch ingehouden. Vertrouwenwekkend.

Tot premier Kok woensdag besloot er een potje te maken. Er was helemaal niets aan de hand, dus de premier had helemaal zijn mond niet hoeven open te doen. Maar als hij dan toch iets had willen zeggen, dan had hij de prins gewoon moeten verdedigen en de pers moeten voorhouden dat die niets uitzonderlijks had gezegd. Dat vereist de grondwettelijke ministeriële verantwoordelijkheid nu eenmaal van hem. Maar in plaats daarvan besloot Wim Kok om Willem-Alexander als een klein jongetje in de hoek te zetten en hem een flinke schrobbering te geven. Zo bont als het NOS-journaal en vele kranten het maakten, was het gelukkig niet, maar het optreden van Kok was zonder meer onwaardig. Hij deed alsof Willem-Alexander zijn ondergeschikte was, terwijl de Grondwet aan de koning, en als afgeleide daarvan aan de vermoedelijk toekomstige koning (en andere leden van het koninklijk huis), toch onschendbaarheid toekent. Men kan Koks optreden daarom niet anders kenschetsen dan als een schending van de Grondwet.

Behalve uit de hem kenmerkende chagrijnigheid - heel Nederland wacht op de krantenkop 'Kok vandaag niet korzelig' - kwam het optreden van de minister-president waarschijnlijk voort uit een volkomen onjuiste en gevaarlijke interpretatie van artikel 42, lid 2, van de Grondwet: 'De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.'

De onschendbaarheid van de Koning dook voor het eerst op in de Grondwet van 1806, toen Nederland in Lodewijk Napoleon zijn eerste koning kreeg. De onschendbaarheid betekende dat geen enkel ander orgaan een dwingend gezag over de koning kon uitoefenen. In de Grondwetten van 1814, 1815 en 1840 ontbrak de formule, maar de gedachte werd staatsrechtelijk wel gehandhaafd.

Toen bij de fluwelen revolutie van 1848 Thorbecke een nieuwe Grondwet mocht opstellen, waarin het parlement - tot 1922 overigens nog geen democratische instelling - grotere controlerende bevoegdheden kreeg, besloot hij terug te grijpen op de oude formule inclusief de oude betekenis: de koning werd weer expliciet onschendbaar verklaard. Maar omdat het regeringsbeleid tegelijk wel tot voorwerp van politieke kritiek werd gemaakt, bedacht hij dat de ministers daarvoor verantwoordelijk waren. Zij en niet de koning waren degenen die in de Staten-Generaal over alle aspecten van het beleid verantwoording moesten afleggen.

Wie dat beleid maakte, was daarmee nog niet uitgemaakt. Toen koning Willem III in 1853 een redevoering hield die Thorbecke, op dat moment minister, niet voor zijn verantwoording kon nemen, belegde hij niet à la Wim Kok een persconferentie om de koning een flinke terechtwijzing te geven, maar trad hij af, waardoor de koning iemand kon benoemen die zijn beleid wél wilde verdedigen. Pas zo'n twee decennia na de invoering van de Grondwet, in de jaren 1866 tot 1868, werd in een langdurig en ingewikkeld politiek gevecht bepaald dat kabinetten voortaan primair het vertrouwen van het parlement dienden te hebben. De politieke rol van de koning werd daardoor kleiner, maar aan de onschendbaarheid werd niets afgedaan.

Omdat kabinetten voortaan afhingen van het vertrouwen van de Kamer, ontstond er een zekere spanning. De ministers moesten de koning verdedigen, maar op hun beurt mochten zij van de koning verwachten dat hij hun beleid niet zou afvallen. Daardoor mag er van de koning, of tegenwoordig van de koningin en andere leden van het koninklijk huis, enige politieke terughoudendheid verwacht worden, ook al schrijft de wet dat niet voor en genieten ze dezelfde grondwettelijke vrijheid van meningsuiting als elke andere Nederlander (waar de onschendbaarheid als extra voorrecht dan nog eens bovenop komt).

De laatste jaren echter is een volkomen andere interpretatie van de koninklijke onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid in het publieke vertoog binnengeslopen. Zonder blikken of blozen vertelde Nova-presentatrice Margriet Vroomans vorige week 'dat alles wat de prins zegt, voor rekening van de minister-president komt. Dat is nu eenmaal vastgelegd in de Grondwet'. Volslagen quatsch natuurlijk en alleen maar een bewijs dat ze waarschijnlijk nog nooit in de Grondwet gekeken heeft, maar het is een misverstand dat zeer wijdverbreid is. Ook de op dit gebied deskundige journalist Harry van Wijnen ging in zijn vorig jaar verschenen boek 'De macht van de kroon' van deze opvatting uit, zonder ook maar een moment op het idee te komen dat je zoiets zou moeten toelichten. En bijna de gehele journalistiek blijkt tegenwoordig hetzelfde te denken. Tja, en in deze algehele verwarring krijgt premier Kok de kans nog een stapje verder te gaan en de zaak om te draaien: de kroonprins zou alleen mogen zeggen wat hem, Wim Kok, in de kraam te pas komt. Willem-Alexander als loopjongen.

Staatsrecht is voor een groot deel gewoonterecht. Het ligt niet op papier vast en het kan voortdurend aan de eisen van de tijd worden aangepast. Maar het is uitgesloten dat artikel 42, lid 2, ooit zou kunnen betekenen dat Kok naar believen leden van het koninklijk huis standjes kan geven en zo hun waardigheid mag schenden. Wetsuitleg waarbij onschendbaarheid gaat betekenen dat het koninklijk huis monddood gemaakt wordt en volkomen onder curatele geplaatst wordt, kan nooit deugen.

Het is ook niet zo moeilijk om de grenzen te bepalen die leden van het koninklijk huis in acht zouden moeten nemen. De koningin is lid van de regering en de kroonprins wordt dat naar verwachting in de toekomst. Welnu, de Grondwet schrijft voor dat de ministerraad de eenheid van het regeringsbeleid bevordert (artikel 45, lid 3). Het koninklijke lid van de regering wordt daarbij weliswaar niet genoemd, maar van de koningin en de kroonprins mag verwacht worden dat ze deze eenheid van het regeringsbeleid niet afvallen. Zoals ministers zich dienen te onthouden van openlijke kritiek op het beleid van collega's, zo zouden koningin en kroonprins zich dienen te onthouden van expliciete kritiek op het regeringsbeleid. Met andere woorden: Zoals Jan Pronk het beleid van zijn collega Herfkens niet onderuit behoort te halen, zo horen Beatrix en Willem-Alexander niet te zeggen dat de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening een waardeloos stuk is. En verder zouden de koningin en de kroonprins precies dezelfde vrijheid van spreken dienen te hebben als ministers, al doen ze er verstandig aan zich ietwat

In meer autocratische tijden zou Wim Kok wegens het crimen laesae majestatis, majesteitsschennis, al lang naar Loevestein zijn afgevoerd. Gelukkig hebben we tegenwoordig een rechtstaat. Maar om de constitutionele verhoudingen binnen deze rechtstaat weer op orde te krijgen, is er heel wat werk aan de winkel

1. Allereerst voor Wim Kok. Hij dient ruiterlijk zijn verontschuldigingen aan Willem-Alexander aan te bieden en in de Kamer te verklaren dat zijn schending van de Grondwet een zaak was van 'eens maar nooit meer'. Zuiverder zou het misschien zijn als hij opstapte.

2. Vervolgens voor de Tweede Kamer. Vrijwel alle fracties hebben vorige week onbesuisd hun instemming met het onconstitutionele optreden van de premier betuigd en daarmee hun controlerende taak verwaarloosd. Ook als men bijvoorbeeld de verwijzing van de kroonprins naar de brief van Videla niet zo verstandig vindt, hoeft dat nog geen bijval voor Kok te betekenen, integendeel.

3. Maar ook het koningshuis zou zijn optreden moeten herzien. Willem-Alexander en Beatrix zouden er goed aan doen een verklaring uit te geven waarin ze voor hun grondwettelijke vrijheden opkomen. Koningin en kroonprins zouden zich niet weer in het huidige keurslijf moeten laten dwingen. Ze dienen bij alle openlijke optredens en bij gesprekken met buitenlandse gasten net zo citeerbaar te zijn als ministers dat zijn. Alleen consequente openheid kan de huidige schandaalsfeer verdrijven.

4. De Rijksvoorlichtingsdienst zou van zijn taak ten aanzien van het koningshuis ontheven dienen te worden. Zoals elke minister zijn eigen voorlichters heeft, zo dient het koninklijk huis een eigen Koninklijke Voorlichtingsdienst te krijgen, die verder afstaat van betutteling door de minister-president. De RVD is voor een groot deel verantwoordelijk voor de sfeer van geheimzinnigheid en de daaruit voortvloeiende 'schandalen' rond het koningshuis. Directeur Eef Brouwers stond afgelopen week naast Kok en is daardoor al te gecompromitteerd geraakt.

5. En de Nederlandse journalistiek zou eens diep de hand in eigen boezem moeten steken. Hoe komt het dat iedereen elkaar vorige week napraatte en het had over de 'blunders' en de 'uitglijders' van de kroonprins zonder aan te geven waarin die dan wel bestonden? Waarom aten alle journalisten uit de hand van de premier? Waarom keek niemand eens wat er echt in de Grondwet staat?

Overigens hebben deskundigen als prof. Paul de Waard en Gerrit Brokx natuurlijk het volste recht te roepen wat ze willen. Want in de huidige tijd kan de koninklijke 'onschendbaarheid' niet meer betekenen dat er geen maatschappelijke kritiek op het koningshuis is toegestaan.

De zogenaamde schandalen aangaande de monarchie zijn pas begonnen sinds Wim Kok minister-president is. Ook al was hij geen staatsrechtsgeleerde, Ruud Lubbers had tenminste wél gevoel voor de juiste constitutionele en menselijke verhoudingen. Wim Kok echter legt enghartige maatstaven aan, die niet op de constitutie gebaseerd zijn en hem en het koninklijk huis voortdurend in de problemen brengen.

Als Willem-Alexander en Maxima Zorreguieta willen gaan trouwen, doen ze er goed aan te wachten tot na 2002, als Wim Kok weg is. Koningin Beatrix kan weliswaar niet bepalen wie er minister-president wordt, maar ze kan wel wat sturen bij de kabinetsformatie. Het is te hopen dat er dan een minister-president komt, die beschikt over de juiste constitutionele wijsheid.

Deel dit artikel