Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De bioboer heeft meer biologisch zaad nodig

Home

Kees de Vré

Ook biologische boeren zijn veelal afhankelijk van de gangbare zaadbedrijven. Nederland speelde vanouds een grote rol bij de zaadveredeling maar veel kleine bedrijven zijn opgekocht door grote concerns. Verschraling dreigt en de biologische sector wordt de dupe.

Alle voedsel komt voort uit een zaadje. Dat geldt niet alleen voor de groenten- en fruitsoorten die mensen eten, maar ook voor het veevoer waarmee uiteindelijk het vlees wordt geproduceerd. Eeuwenlang was het werken met zaadgoed een vanzelfsprekende bezigheid van boeren. Een deel van de teelt was altijd bedoeld om zaad te kweken voor de volgende oogst. Ook gingen boeren zelf, later met speciale veredelaars, op zoek naar betere rassen via uitkruising van gewenste eigenschappen.

Die tijd is voorbij. Inmiddels hebben tien grote concerns ruim de helft van de zaadmarkt in handen. Zij bepalen steeds meer de toekomst van voeding, omdat deze multinationals met hun kennis en kapitaal de innovaties bepalen. Op nieuwe rassen worden tegenwoordig patenten aangevraagd en daarmee verdwijnen ze achter fabrieksmuren. Boeren hebben steeds minder toegang tot uitgangsmateriaal en verworden langzamerhand tot uitvoerders van de plannen van multinationals.

Die trend heeft ook gevolgen voor de biologische sector, zegt voorzitter Bert van Ruitenbeek van de Stichting Zaadgoed, die strijdt voor het behoud van een zo groot mogelijk variatie aan zaden. „Boeren krijgen steeds minder te zeggen over het zaadgoed, dat toch het fundament is van ons voedingssysteem. Bij de Amerikaanse voedselschrijver Michael Pollan las ik dat bijna 70 procent van het voedselaanbod in Amerikaanse supermarkten afkomstig is van slechts vier gewassen. Dat is toch een verschraling van ons voedselpatroon. De grote concerns richten zich op de meest efficiënte en dus rendabele gewassen.”

Omdat de biologische sector voor een belangrijk deel afhankelijk is van gangbare zaadbedrijven dreigt ook die sector verder te verschralen. Van Ruitenbeek: „Nederland speelt een hoofdrol in zaadveredeling wereldwijd. Dat gebeurde aanvankelijk met vele kleinere familiebedrijven, maar die worden stuk voor stuk opgekocht door de grote spelers. De Ruiter Seeds – ooit een familiebedrijf, later uitgegroeid tot een wereldspeler als het gaat om groentenzaden – werd bijvoorbeeld in 2008 overgenomen door het Amerikaanse concern Monsanto. Niet veel later maakte De Ruiter bekend te stoppen met de verkoop van biologisch zaad. Dat is voor onze sector opnieuw een forse aderlating en een verdere beperking van het rassenaanbod. Zaadgoed is cultureel erfgoed. De genetische basis van ons voedsel. Het aanbod moet zo breed mogelijk blijven. Ik vind die machtsconcentratie beangstigend. Zo’n multinational als Monsanto is hard op weg om de Microsoft van de zaadproductie te worden.”

Edith Lammerts van Bueren, hoogleraar biologische plantenveredeling in Wageningen, beaamt dat in de zaadsector steeds minder bedrijven steeds minder producten maken. „Er is duidelijk een ontwikkeling dat men bij veredeling gaat voor de meest productieve ouderlijnen. Kleine gewassen, als bij voorbeeld de knolvenkel, worden afgestoten. Dat is trouwens bij grote én kleine bedrijven het geval. Daar is de biologische sector de dupe van, want dat is toch een erg kleine markt.”

Acuut is de dreiging nog niet, stelt Lammerts. „Maar we hebben meer spelers nodig om het gehele gewenste assortiment aan bestaande rassen ook biologisch geproduceerd te krijgen en zover zijn we nog niet. Het ontwikkelen van nieuwe rassen doen nog maar weinig bedrijven. Daar mogen er best wel meer van zijn, want we willen naar 100 percent biologisch geproduceerd zaad in de sector. Dat is goed voor de biodiversiteit.”

Biodiversiteit is volgens Lammerts de sleutel tot een robuust landbouwsysteem met een groot regulerend vermogen dat niet afhankelijk is van chemische hulpmiddelen. „Daar passen multifunctionele rassen bij”, zegt Lammerts. „Neem bij voorbeeld graan. In de biologische sector gaat het niet alleen om de korrel voor goed bakmeel, maar ook om stro voor de compost, om een goed wortelstelsel en onkruidonderdrukkend vermogen. In de gangbare sector is alleen de graankorrel belangrijk. Stro is ballast en dus hebben veredelaars rassen ontwikkeld die kort van steel zijn. In de biologische sector zijn juist lange stengels van belang. Die geven meer stro en groeien hoger waardoor ze meer schaduw op het veld geven en onkruidgroei onderdrukt wordt.”

De biologische sector werkt deels nog steeds met gangbaar zaad, maar zou daar graag vanaf willen. Lammerts: „De biologische boeren zijn nog voor iets minder dan de helft afhankelijk van gangbare zaden. Wij willen graag naar 100 procent biologisch zaad. Voor aardappels en granen is dat al zo, maar ik vermoed dat we de grootste groei gehad hebben. De gemakkelijkste producten zijn al om. Nu is er een categorie gewassen aan de beurt die om economische redenen niet interessant is, zoals knolvenkel. Dan zijn er nog technische redenen. Bloemkool is erg lastig om biologisch te veredelen. Daarvoor zijn veel rassen nodig. Verder zijn er gewassen als veldsla met zaad-overdraagbare ziektes. Dan moet je eerst een resistentie inkruisen. Dat is nogal een werk.”

De biologische sector hoeft niet bij de pakken neer te zitten. Met extra inspanningen zijn er wel degelijk kansen, zegt hoogleraar Lammerts, die zelf ook bezig is met allerlei projecten. „Met tarwe bij voorbeeld. De Nederlandse biologische tarwesector heeft een nieuw ras nodig omdat van de nu gebruikte – de Lavett – de resistentie tegen roestschimmel langzaamaan verdwijnt. Maar om een nieuw ras rendabel te krijgen, heb je 50.000 hectare nodig. In Nederland heeft de biologische tarwesector maar 2000 hectare beschikbaar. Dat is te weinig om de investering terug te verdienen. Dus moet je andere wegen inslaan. Het Louis Bolk Instituut voor duurzame landbouw heeft alle ketenpartijen bij elkaar gebracht om het probleem op te lossen. Biologische bakkers bakken jaarlijks 8 miljoen broden. Met een opslag met 2 eurocent per brood kan je een fonds vormen om te investeren in veredeling. Er is nu een consortium gevormd met alle betrokkenen om dit te regelen. Die ketenbenadering zou wellicht de juiste aanpak voor ons probleem kunnen zijn.”

Naast dit soort afspraken in de keten zijn er altijd boeren en tuinders die tegen de stroom inroeien. Bart Vosselman is zo’n onverschrokken eenling. De in Wageningen afgestudeerde plantenveredelaar nam in 2007 het Groningse zaadbedrijf De Bolster over, een bedrijf dat zich al 25 jaar bezig houdt met klassiek veredeling. Vosselman, die met De Bolster verhuisde naar Epe, houdt zich bezig met tomaten, courgettes, pompoenen, rucola en tuinbonen. „Biologische veredeling is een must, dat is ons cultureel erfgoed. Kijk eens naar tomaten. Dat is toch een groot product, maar er worden daarvan geen biologische rassen geteeld, omdat het areaal te klein zou zijn en grote bedrijven er dus geen brood in zien. 99 Procent van de huidige biologische tomaten komt voort uit gangbare rassen die op steenwol zijn geteeld. Ik probeer een markt te creëren voor biologische tomatenzaden. Dan kan de sector groeien en ik kan meegroeien.”

Vosselman is nu bezig met het uitkruisen van rassen die goed smaken, niet barstgevoelig zijn, een hoge productie kennen en weinig voedingsstoffen nodig hebben. Het vergt jaren van engelengeduld voordat een nieuw ras klaar is voor de markt. Voor pompoenen, legt Vosselman uit, moet De Bolster jaarlijks drie tot vierduizend handmatige kruisingen verrichten. „Dat kost 600 uur arbeid, maar is noodzakelijk om ongewenste kruisbestuivingen te voorkomen. Acht tot tien jaar vergt een goed ras dat beter is dan dat van de concurrent.”

De veredelaar stuitte al werkende op een andere, onverwachte drempel. „Op een gegeven moment had ik pompoenen die lang houdbaar zijn en geweldig smaken. Maar ze waren groen-grijs en de Nederlander wil geen grijze, maar oranje pompoenen.” Inmiddels heeft Vosselman met succes twee soorten goed houdbare oranje pompoenen op de markt gebracht. Met de opbrengst kan hij zijn onderzoeksarbeid financieren zonder naar de bank te hoeven gaan.

Wetenschapper Lammerts van Bueren kent het verhaal van Bart Vosselman. „We moeten als sector extra inspanningen doen om zoiets als die groen-grijze pompoen, die van binnen trouwens oranje is, wél aan de man te brengen. Bart heeft een prachtig verhaal en de retail moet daarmee de boer op. Natuurvoedingswinkels en een verkooporganisatie als Odin met hun groentetassen en bijpassende nieuwsbrief hebben daar de mogelijkheden voor, maar in Nederland maken we er te weinig gebruik van. Soms doet de keten een poging, maar het moet structureler.”

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel