Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De Bersiap: een vergeten golf van etnisch geweld

Home

INTERVIEW MEINDERT VAN DER KAAIJ

Geen ander land heeft de moord op zoveel medeburgers zo gelaten geaccepteerd als Nederland in de Bersiapperiode. Historicus Frederick spreekt van 'post-koloniaal geheugenverlies'.

De Amerikaanse historicus William H. Frederick (72) heeft praktisch zijn hele wetenschappelijke carrière gewijd aan de geschiedenis van Indonesië. Nooit echter heeft hij goed begrepen waarom Nederland zich zo bar weinig gelegen heeft laten liggen aan de Bersiap, de periode waarin de waanzin de naar onafhankelijkheid snakkende Indonesiërs in de greep kreeg.

Frederick wil de ogen van Nederlanders openen voor de golf van etnisch geweld die begon in oktober 1945. Nederlanders - net bevrijd uit Japanse interneringskampen -, Indo's en minderheden zoals Molukkers, Chinezen en Timorezen waren plotseling hun leven niet zeker. Jonge Indonesische strijders zagen in de door Soekarno uitgeroepen republiek een vrijbrief om te moorden. Zij wilden voorkomen dat Nederland na de capitulatie van Japan in staat zou zijn om het koloniale gezag te herstellen. Er vielen duizenden slachtoffers.

De Bersiapperiode is zonder twijfel een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Indonesië én die van Nederland, zegt Frederick. Hij kent geen ander land dat de moord op zoveel medeburgers zo gelaten heeft geaccepteerd en vervolgens is vergeten.

Hebben Nederlandse autoriteiten die gruwelijke periode weggedrukt omdat die de onmacht van de toenmalige Nederlandse overheid onbarmhartig in het daglicht stelde?

"Dat is niet de belangrijkste reden, hoewel dat wellicht heeft meegespeeld. Ik geloof dat het eerder te maken heeft met de Nederlandse terughoudendheid, tot op de dag van vandaag, om de Indonesische revolutie te erkennen als een echte revolutie die buitensporig gewelddadig en complex was. Ik bespeur nog steeds de tendens bij zowel niet-Indonesiërs als Indonesiërs om die revolutie als min of meer onschuldig en, althans op wereldschaal, als niet zo gewelddadig te beschouwen. De cijfers - genocide op minstens 20.000 mensen, een veelvoud daarvan aan moorden op Indonesiërs en een totaal dodenaantal tussen de 250.000 en 300.000 - wijzen op een andere werkelijkheid.

"Maar ook kan hebben meegespeeld, zeg ik even in een sombere opwelling van realisme, dat men zich heeft gerealiseerd dat een tijdig en volledig begrip van de Bersiap de deur zou hebben opengezet voor schadeclaims tegen de Nederlandse overheid.

"Het verbaast me wel dat de Bersiap geen grotere rol in de Nederlandse media heeft gespeeld. De Indische gemeenschap was misschien bang dat ze als huilebalken zouden worden weggezet of dat ze eenvoudigweg niet zouden worden geloofd, omdat ze het zelf nauwelijks konden geloven. Herman Bussemaker maakte de Bersiap zelf mee en schreef er een indringend en volledig boek over ('Bersiap! Opstand in het paradijs'), maar gebruikte nergens de term massamoord of genocide. Waarom niet? Ik heb geen flauw idee."

Hoe komt het dat de begrippen Bersiap of Bersiaptijd in Nederland zo weinig bekendheid hebben?

"Het begrip Bersiap (wees paraat) kent een Indonesische oorsprong en is later door de slachtoffers overgenomen. In Indonesië is het begrip, al dan niet bewust, snel verdwenen. Vreemd genoeg is dat ook in Nederland gebeurd. In de Tweede Kamer bijvoorbeeld is het voor het eerst in 1948 gebruikt en daarna tot 1950 nog twee keer, maar daarna is het verdwenen.

"Het valt me op dat Nederland zo weinig kennis over of sympathie voor de slachtoffers had. De herinnering aan die periode is levend gehouden door de Indische en Nederlandse families die onder de Bersiap hebben geleden. Ik denk dat de feiten wijder verspreid waren dan we nu aannemen, maar er werd voor 1969 niet in het openbaar over gepraat. De jongere generaties weten er niets meer van tenzij hun ouders daarover hebben verteld. Maar ik ken genoeg slachtoffers die zelfs tegenover hun kinderen weigeren daarover te praten.

"We hebben te maken met post-koloniaal geheugenverlies, waarvan we ons kunnen afvragen in hoeverre dat doelbewust is. Natuurlijk zwijgt in Indonesië iedereen erover. Mensen die na de revolutie zijn geboren, weigeren het zelfs te geloven als ik daarover begin. Ze noemen het Nederlandse propaganda."

Frederick beschrijft in zijn artikel in Journal of Genocide Research hoe de Bersiap verliep in de stad Surabaya op Oost-Java. De spanningen liepen daar hoog op door het zogeheten vlagincident op 19 september 1945, waarbij een prominent Indo-leider werd vermoord door Indonesische jongeren, omdat hij met een Nederlandse vlag stond te zwaaien. Indonesiërs kregen kort daarna de beschikking over grote hoeveelheden wapens afkomstig van het Japanse leger. Het geweld in Surabaya begon met de executie van Japanse gevangenen door een Indonesische bende die vervolgens leiders van de politieke partij PRI dwong om letterlijk het bloed van de zwaarden te likken.

Het vormde de voorbode van 'bloody Monday' op 15 oktober toen grote aantallen Nederlanders en Indo's gevangen werden genomen en onder meer naar de Simpang Club werden gebracht, een etablissement dat voor de oorlog alleen voor blanken toegankelijk was. Daar hoorden en zagen gevangenen meer dan de bedoeling was, volgens Frederick.

Gevangenen moesten zich tot hun ondergoed uitkleden en werden daarna geschopt en geslagen en bewerkt met knuppels en geweerkolven. Daarna was er een tribunaal waarin zogenaamd recht werd gesproken. Deze tribunalen wekken volgens Frederick de indruk dat zaken van hogerhand zorgvuldig gepland waren. Enkele overlevenden die toestemming kregen om naar het toilet te gaan, kwamen in ruimten waar zij bloedige lichaamsdelen op de grond zagen liggen en waar dode lichamen aan het plafond hingen. Volgens getuigen verdwenen veel lichamen in het kanaal achter de Simpang Club.

"Het hele wrange is dat er op het terrein van de Simpang Club een monument is verrezen", vertelt Frederick, "dat de anti-koloniale strijd en nationale trots verheerlijkt. Geen woord over wie daar zijn vermoord, waarom en door wie. Het laat zien dat naties normaal gesproken niet de kans grijpen om de minder plezierige kanten van hun geschiedenis te onthullen."

In hoeverre waren politieke leiders bij de moorden betrokken? Was de Bersiap van bovenaf georganiseerd?

"Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag. Bepaalde leiders van de pemuda's (laagopgeleide jongeren - red.) planden een voedselboycot van Nederlanders en Indo's. Mogelijk gebeurde dat op gezag van hogerhand. Het is mogelijk dat het idee om mensen te arresteren en gevangen te zetten via dezelfde lijnen is gelopen. Was het een vooropgezet plan om die gearresteerde mensen ook te vermoorden? Dat betwijfel ik. De jonge, heethoofdige en radicale leiders rekenden er niet op dat sommigen van hun vrienden zo opgingen in het moorden, aangewakkerd door de geur van bloed. Daarnaast onderschatten ze het enthousiasme waarmee minder hoog opgeleide jongeren aan het moorden sloegen.

"Toen het moorden eenmaal wijdverbreid was, was het eigenlijk ook te laat en had de PRI de handen vol aan damage control door te ontkennen dat de genocide had plaatsgevonden. Of leiders als Soekarno en Hatta op dat moment al weet hadden van de genocide, dat weet ik niet. Ze wisten wel dat er iets verschrikkelijks te gebeuren stond dat ze niet in de hand konden houden.

"De manier om jonge radicalen in de hand te houden was door het leger opdracht te geven Nederlanders te arresteren. In Surabaya werkten het leger en jongeren voor een deel zelfs samen. Uiteindelijk kreeg het leger de zaak in de hand en evacueerde het de Nederlanders die de geweldsgolf hadden overleefd naar voormalige Japanse interneringskampen, omdat dat de enige manier was om hen te beschermen."

Waren zij gijzelaars?

"In essentie wel, denk ik. De Indonesische regering wilde niet dat zij afgeslacht werden, want wat heb je aan dode gijzelaars? De gevangen genomen Nederlanders speelden een rol bij de onderhandelingen over onafhankelijkheid. Enkelen van de politieke en militaire elite zullen wellicht ook enige sympathie en mededogen hebben gehad met hun gevangenen, maar niet veel. Een interessante en nooit onderzochte vraag is wat Nederlandse politici en gezagsdragers eind 1945 wisten en/of geloofden van de verhalen over de moordpartijen."

Wat kunt u zeggen over de motieven van de pemuda's?

"We weten natuurlijk niet wat precies in de hoofden van de daders op dat moment omging. Maar duidelijk is dat zij erop uit waren om het Nederlandse smaldeel kapot te maken, zodat zij geen hulp konden bieden aan Nederlandse strijdkrachten. Er zijn veel pogingen gedaan om de daden van de pemuda's psychologisch te verklaren, maar ik vind dat riskant, omdat je gaat generaliseren."

In uw stuk in Journal of Genocide Research beweert u dat de Bersiap niet een paar maanden duurde, zoals tot nu toe wordt aangenomen, maar veel langer en dat er zelfs sprake was van een tweede Bersiap.

"Het bewijs hiervoor komt uit talloze rapporten van militaire en lokale overheden die er in heroverde gebieden kwamen na de eerste politionele actie. Velen stuitten op massagraven - met lijken van Nederlanders, Indo's en Chinezen - en plaatsen waar nog sporen waren van moorden en executies. Dit soort zaken werden ook na de tweede politionele actie ontdekt."

"Het karakter van die 'tweede' Bersiap was wel anders dan de eerste. Die werd niet uitgevoerd door pemuda's, want die waren daar niet, maar door dorpelingen die daartoe waren aangezet door militairen en milities. Veel hiervan is door autoriteiten afgedaan als 'rampok' (roof of plundering), maar ik heb daar ernstige twijfels over."

Er is veel onzekerheid over de vraag hoeveel mensen tijdens de Bersiap zijn vermoord. Die hebben sinds 1945 tussen de 3500 en de 28.000 geschommeld. Wat denkt u?

"Dit is een geweldig probleem. Intuïtief, na jaren onderzoek in papieren die wel beschikbaar zijn, vrees ik dat de hoge getallen het meest waarschijnlijk zijn. De Indische Pensioenraad verklaarde op een zeker moment dat er 20.000 vermisten waren. Tel dat maar op bij het aantal mensen, 8.000, van wie we zeker weten dat zij tijdens de Bersiap zijn overleden. Het archief van de Pensioenraad ligt uit elkaar, dus het valt niet mee om dat getal van 20.000 te reconstrueren. Het is duidelijk dat het aantal slachtoffers een urgent onderzoeksprobleem is."

In uw artikel in het genocidetijdschrift schrijft u vooral over de incidenten in Oost-Java. Hoe zat het met dit geweld in andere delen van het land?

"Het meeste en het meest extreme geweld kwam voor in Jakarta en steden van Oost-Java, Bandung bijvoorbeeld, en op een kleinere schaal in Centraal-Java. Er was ook geweld op Sumatra, maar omdat daar minder Nederlanders en Indo's waren, richtte dat zich meer op de elite.

"Op andere plekken in de archipel voorkwamen Australische en andere troepen dat het geweld op grote schaal kon plaatsvinden; ook waren daar veel minder Nederlanders dan op Java."

De Nederlandse regering heeft het verzoek van drie belangrijke instituten om een diepgravend onderzoek te doen naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië naast zich neergelegd. Wat vindt u daarvan?

"De argumentatie van minister Timmermans van buitenlandse zaken dat instituten dit onderzoek maar uit hun eigen budget moeten financieren, vind ik zeer mager. We weten dat een grootschalig onderzoek kostbaar is en dat het Niod, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie dat niet kunnen bekostigen in tijden dat ze bovendien van diezelfde regering hard moeten bezuinigen.

"De echte reden ligt volgens mij eerder op diplomatiek terrein. Ik begrijp dat de Indonesische regering geen zin in een onderzoek heeft, omdat ze niet trots zullen zijn op de Bersiap. Ook begrijp ik dat Nederlandse diplomaten in Jakarta van een onderzoek nerveus worden, omdat dit hun leven gecompliceerder kan maken. Waarom Timmermans zich door Indonesië iets laat zeggen over wat historici in Nederland mogen bestuderen, is me een raadsel.

"Natuurlijk is dat onderzoek hoogst noodzakelijk. Het gevaar is dat Nederland voor altijd blijft zitten met een simplistisch en volkomen verkeerd beeld van de dekolonisatie. Vanuit een historiografisch perspectief bestaat het gevaar dat de naoorlogse periode bevroren blijft in een simpel zwart-tegen-wit-, goed-tegen-slecht-tableau, dat ons werkelijk helemaal niets leert over de werkelijkheid van de van beide zijden gewelddadige dekolonisatie. Het leert ons ook helemaal niets over de rollen die voormalige koloniale grootmachten en de voormalige koloniën in de huidige wereld moeten spelen. Dat klinkt behoorlijk pompeus, maar het is wel waar."

Deel dit artikel