Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De balkunstenaar moddert op het veld

Home

MATTY VERKAMMAN

Zaalvoetbal is een heerlijk spelletje om zelf te beoefenen. Als kijkspel, zeker aan de top, is het daarentegen vaak saai. Behalve als John de Bever en vooral Edwin Grünholz meedoen. Grünholz, op het veld semi-prof bij FC Den Haag, is een wonder van voetbaltechniek. Dit fenomeen is de grote man van het nationale team dat vanavond in Den Bosch tegen Slowakije - zonder Grünholz, want die moet op het veld met FC Den Haag bij FC Zwolle spelen - de laatste kwalificatiewedstrijd voor de EK- en WK-eindronde van volgend jaar in Spanje speelt.

De jongens van de Nederlandse ploeg wonnen eerder deze week achter elkaar van Tsjechië, Azerbeidjan en Polen. Zij maken een vrolijke indruk. Als vanouds heeft John de Bever het hoogste woord. De man die in de zaal een trucendoos op sportschoenen is, maar zijn ambitie als veldvoetballer bij de profs van Dordrecht '90 ondanks een nogal luidruchtig zelfvertrouwen in het niets zag eindigen, deze De Bever is ook nu weer nadrukkelijk aanwezig. In het verleden zei hij nogal eens onvriendelijke dingen over bondscoach Ron Groenewoud, maar even zo vrolijk draagt hij thans weer het oranjeshirt. Groenewoud kan wel lachen om De Bever. John ratelt maar door. “Ach, hij verzorgt altijd zelf zo'n beetje zijn eigen publiciteit. Van mij mag het hoor.” De hang naar aandacht ging op zeker moment bij De Bever zo ver, dat hij besloot een eigen top-zaalvoetbalteam in het leven te roepen: De Bever Boys. Het was een prijzig avontuur. Om enig idee te geven: van de veruit beste zaalvoetbalclub in Nederland, Bunga Melati, wordt wel beweerd dat de begroting de ton ruimschoots overschrijdt. In België gaat het er nog gekker aan toe. Grünholz bijvoorbeeld, de tovenaar, zou onlangs door Ford Genk een bedrag zijn geboden, dat nagenoeg gelijk was aan zijn loon als semi-profvoetballer bij FC Den Haag. In België is veel mogelijk, maar toch bleef Grünholz bij Bunga Melati. John de Bever grijpt zijn frankskes momenteel wel in Vlaanderland, bij FCK De Hommel.

Het Hollandse topzaalvoetbal is al jarenlang een zaak van winkels, restaurants en kleine bedrijven. Bunga Melati is een Indonesisch restaurant in Tilburg en van andere 'grote' clubs als 't Hoornsche Veerhuys, Schoenenreus, 't Stoepje en Kras Ster Vakanties gaat ook niet bepaald de allure uit die men in verband zal brengen met het begrip topsport. Ron Groenewoud is diep in zijn hart ook niet echt gelukkig met deze commerciële ontwikkeling. De discussie dat echte (veld)voetbalclubs als decor voor de ontwikkeling van dit spel veel gewenster zouden zijn, is al een oude. Toch heeft Groenewoud ook hier zijn bedenkingen over. “Van groot belang is dat we uiteindelijk terecht komen bij een situatie waarin een voetballer al op jonge leeftijd beslist of hij veldvoetballer of zaalvoetballer wil worden. Breng je het zaalvoetbal structureel onder bij de veldclubs dan zal dat de keuze van de echte talenten voor de zaal niet eenvoudiger maken. Je hebt nu eenmaal bij een veldclub altijd te maken met mensen, ook de spelers zelf natuurlijk, die allereerst naar de mogelijkheden op het veld kijken.”

In zijn twaalf man omvattende selectie die deze week internationaal bezig is, leeft het probleem van de ambitie voor het veld niet meer zo zeer. Groenewoud: “De meeste jongens spelen op het veld niet op een hoog niveau. Grünholz is dus een goeie bij FC Den Haag, Hennie Lettinck heeft bij FC Utrecht gezeten en nu in de hoofdklasse bij Holland, het verhaal van John de Bever is bekend, maar voor de rest variëert het vanaf de vierde klasse amateurs. Het is natuurlijk aantrekkelijk voor de jongens om op dit hoogste niveau zaalvoetbal te spelen. Je ziet wat van de wereld, je komt op de televisie. In 2000 is zaalvoetbal demonstratiesport op de Olympische Spelen en vermoedelijk wordt het ook wel een echte Olympische sport.”

Het walhalla voor zaalvoetballers is op dit moment Spanje. In dat land wordt een professionele competitie gespeeld, waarin een kleine honderd Brazilianen uitkomen. Ook in Italië komt deze ontwikkeling op gang. Groenewoud: “In Spanje wordt al gewerkt met licenties. Als je daar voor een zaalvoetballicentie kiest, kun je niet meer op het veld voetballen. De competitie wordt er op zondagochtend afgewerkt. Altijd wordt één wedstrijd rechtstreeks door de televisie uitgezonden, van de andere wedstrijden zijn ruime samenvattingen te zien.”

Toch heeft Spanje internationaal nog niet veel laten zien. Tot dusverre zijn twee WK-toernooien gespeeld. Brazilië was in 1989 de eerste wereldkampioen. In het Rotterdamse Ahoy' werd de Nederlandse ploeg in de finale met 6-2 verslagen. In 1992 behielden de Braziliaanse balgoochelaars hun titel. Brazilië heeft een schier-oneindig arsenaal aan zaalvoetballers. Het is het klassieke verhaal van de soepele jongens die op het strand of op hobbelige achteraf-veldjes alle geheimen van de bal hebben leren kennen.

De Oranje-ploeg mikt thans op twee eindtoernooien. De winnaar van de poule plaatst zich direct voor de EK- en WK-evenementen. Dat geldt ook voor de nummers één uit de twee andere Europese plaatsingsgroepen die thans in Italië en in Spanje worden afgewerkt. Van de drie groepen plaatsen zich ook nog de twee beste nummers twee voor de eindtoernooien. Beide toernooien worden in Spanje afgewerkt. In EK-verband wordt tussen 7 en 14 januari gespeeld, voor het WK in het najaar van 1996.

Teneinde dat doel te bereiken werken Groenewoud en zijn in zaalvoetbal gespecialiseerde assistent Nico Spreij op een andere manier dan doorgaans gebruikelijk is. Grofweg wordt met twee blokken gespeeld. Er kunnen hier en daar aanpassingen ontstaan, maar in principe speelt steeds het volledige Bunga Melati-blok Michel Wentzel, Hennie Lettinck, Joop Ludwig, John Keur, Edwin Grünholz. Als dat kwintet naar de bank gaat, stapt het tweede blok - met alleen doelman Wetzel als blijvertje - de zaal in: Henk Leatemia (Schoenenreus), John de Bever (FCK De Hommel), Hjalmar Hoekema ('t Hoornsche Veerhuys), Erik Merk (ZVK Hasselt). Via een maandenlange voorbereiding, hebben deze twee blokken de spelpatronen ingeslepen. Groenewoud vat de belangrijkste punten van de tactische aanpak als volgt samen: “Het gaat altijd om de patronen bij de aanvallende acties, de loopacties en de schijnloopacties. Zaalvoetbal is natuurlijk een aparte sport, maar het blijft ook in tactische zin veel overeenkomst houden met veldvoetbal. Je speelt vier tegen vier, nou, dat is ook heel bekend in de veldvoetbal-training. De posities zijn ook vergelijkbaar. Wij spelen ook met een linkerverdediger, een rechterverdediger, een verbindingsman en een diepe speler.”

Aanpassingen zijn zeker nu echter ook noodzakelijk. Al is het alleen maar door de bal die de wereldvoetbalfederatie FIFA verplicht heeft gesteld. Groenewoud: “We moeten spelen met een bal waar totaal geen leven in zit. Het is een bal die hooguit nog een half metertje stuitert wanneer je 'm vijf meter de lucht in gooit. Hoe raar het misschien ook klinkt, maar dan krijg je te maken met situaties die je bijvoorbeeld verplichten ineens met de punt van je schoen te schieten. Dat vindt niemand leuk, zo'n ouderwetse punter, maar in de zaal kun je er met deze bal zomaar mee scoren. Voor een keeper kan het de moeilijkste bal zijn.”

De allermoeilijkste ballen blijft Edwin Grünholz evenwel spelen. Zijn individuele spel en zijn combinatiegevoel met zijn Ome Joop (Ludwig) zijn fameus. Groenewoud: “Zaalvoetbal blijft bovenal een teamsport. Het is collectief aanvallen en verdedigen. Maar laat ik het zo zeggen: bij Grünholz vind ik het ook goed wanneer hij preventief verdedigt.” Het klinkt de balkunstenaar als muziek in de oren.

Deel dit artikel