Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De 27 van Murray en Verwey

Home

Paul Cliteur

Nederlanders zijn niet bang voor aanslagen, meldde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding. Ze maken zich drukker om de kredietcrisis. Toch is de dreiging voor sommigen helemaal niet abstract, schrijft Paul Cliteur. Zo vertelde Ahmed Aboutaleb, de nieuwe burgemeester van Rotterdam, onlangs dat hij niet meer naar de moskee durft. Waarom bleef het na deze bekentenis zo oorverdovend stil?

Elk land heeft eigen helden: mensen die iets doen dat boven de middelmaat uitstijgt, waardoor zij een voorbeeld worden voor anderen. Een van de Nederlandse helden is Rudolph Pabus Cleveringa (1894-1980). Hij was hoogleraar in de rechtsgeleerdheid, verbonden aan de Leidse universiteit. Zijn naam leeft nu nog voort door de moedige daad die hij verrichtte op 26 november 1940. Cleveringa hield toen een rede waarin hij protesteerde tegen het ontslag van Joodse hoogleraren dat door de Duitse bezetter was aangekondigd.

Cleveringa werd opgepakt door de Sicherheitspolizei en opgesloten. Daarop werd een studentenstaking georganiseerd. En tot aan 1945 bleef de universiteit van Leiden gesloten.

Voor een universiteit is deze geschiedenis natuurlijk om vele redenen interessant. Ze geeft haar een ’identiteit’. De Leidse universiteit heeft als officiële zinspreuk: Presidium Libertatis. Bolwerk van de vrijheid.

In een zekere zin was de situatie in 1940 overzichtelijk. Er was een duidelijke vijand: de Duitsers. En die Duitsers kon je herkennen aan de taal die ze spraken en aan de uniformen die ze droegen. Zij woonden ook op een duidelijk afgebakend geografisch gebied, dat ze overigens wel flink aan het uitbreiden waren. Precies daarom zaten ze ook bij ons.

Als we dat vergelijken met de situatie van tegenwoordig dan vallen zowel verschillen als overeenkomsten op. Ook tegenwoordig bestaat nog oorlog. En in zekere zin is Nederland nog steeds bij oorlogen en militaire acties betrokken. Wij zijn nu bijvoorbeeld in Afghanistan bezig met militaire operaties. Tegen wie zijn die gericht? Niet tegen de Afghaanse regering, ook niet tegen de Afghaanse bevolking, maar wel tegen een diffuse groep die je misschien nog het beste als ’de taliban’ zou kunnen aanduiden.

Voor andere landen geldt hetzelfde. De Amerikanen en de Britten zijn Irak binnengevallen en hebben daar een regime change tot stand gebracht. Waarom eigenlijk? Was dat alleen om de Irakezen te helpen? Niet alleen. Het gebeurde ook omdat het vermoeden bestond dat de Iraakse staat onderdak zou bieden aan terroristen.

Wie die terroristen precies zijn wordt om allerlei redenen niet zo duidelijk uitgesproken. In beginsel zijn natuurlijk vele soorten terroristen te onderscheiden. We hadden in de jaren zeventig de Rote Armee Fraktion. We hebben de Eta en andere individuen en groepen die bereid zijn geweld te gebruiken voor het realiseren van hun doelstellingen. Maar als het gaat om Irak, Iran en (zoals straks nog zal blijken) de hedendaagse terrorismedreiging in Europese landen dan is er voornamelijk sprake van één soort terrorisme: islamistisch terrorisme. Dat wil zeggen: een terrorisme dat zich baseert op een religieus-politieke ideologie die door de meerderheid van de deskundigen op dit terrein wordt aangeduid als ’islamisme’.

Dat islamisme is niet identiek aan de islam. Wel zoekt het aansluiting bij de meest fundamentalistische stromingen binnen de islam. De belangrijkste politieke activisten zijn Osama bin Laden (1957) en Ayman al-Zawahiri (1951 ). De belangrijkste ideologen zijn Sayyid Qutb (1906-1966), Ayatollah Khomeini (1902-1989), Hassan al-Banna (1906-1949) en Ibn Taymiyya (1263-1328). De religieuze terroristen die zich door het islamisme laten inspireren hebben de oorlog verklaard aan het Westen, de Verenigde Staten uiteraard voorop.

Met de informatie die we vandaag hebben moeten we misschien zeggen dat die religieuze terroristen zich niet voornamelijk in Irak bevonden. En over de vraag of die interventie in Irak achteraf gezien als geslaagd moet worden beschouwd zou veel te zeggen zijn. Maar wat we niet kunnen zeggen is dat die religieuze terroristen niet bestaan. Zij bestaan net zoals de Duitsers bestonden in 1940. De religieuze terroristen bestaan alleen wel op een heel andere manier dan de Duitsers uit 1940. Zij zijn veel minder duidelijk zichtbaar. Zij vormen een virtueel netwerk. Zij zijn verspreid over verscheidene staten. Zij hebben geen duidelijk grondgebied en geen leiding die voor de traditionele staten als aanspreekpunt kan dienen. Dat maakt die ’oorlog’ tegen het terrorisme – als je dat woord hier al zou willen gebruiken – in ieder geval tot een asymmetrische oorlog. De oorlog met, de strijd tegen, het conflict met het terrorisme is een oorlog of een strijd met een grotendeels onzichtbare vijand. Meer een guerrillaoorlog dan een gewone oorlog.

Eén terrorist hebben we aan het werk gezien in Nederland op 2 november 2004. Hij zit nu een levenslange gevangenisstraf uit. Een andere gooide een handgranaat naar de politie op 10 november 2004. Hij die zit ook in de gevangenis, voor vijftien jaar. Weer een ander was een terroristische aanslag aan het voorbereiden. Hij, Samir A., heeft een straf gekregen van acht jaar.

Justitie heeft nog op 23 januari 2008 geprobeerd om een hele groep, de zogeheten Hofstadgroep, veroordeeld te krijgen als ’criminele organisatie’, maar dat is mislukt. En aantal van hen loopt gewoon weer vrij rond.

Moeten we ons zorgen maken over religieus terrorisme?

Inmiddels hebben we ook andere zorgen gekregen. Nederlanders zijn minder bezorgd over de mogelijkheid van een terroristische aanslag, meldde het dagblad De Pers op 14 november 2008. Dat baseerde de krant op een rapport van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) waarin staat dat nog maar 13 procent van de Nederlanders bang is voor een terroristische aanslag.

Is dat gevoel nu gebaseerd op rationele overwegingen? Enerzijds niet. Het dreigingsniveau in Nederland is ’substantieel’ volgens de NCTb, en dat is het op één na hoogste niveau. Anderzijds is die achteloze houding ten aanzien van terrorismedreiging ook wel weer begrijpelijk. De kans is klein dat een modale Nederlander net in die trein of in dat vliegtuig zit waarop een aanslag wordt gepleegd. Kleiner dan de kans op een auto-ongeluk of een gewone hartaanval. Om van de effecten van de kredietcrisis nog maar te zwijgen.

Waar je dan alleen wel aan voorbijgaat is dat dit risico voor sommige mensen aanzienlijk groter is dan voor anderen. Een niet-modale Nederlander als Theo van Gogh bijvoorbeeld, liep rond augustus 2004 een aanzienlijk grotere kans met een terroristische aanslag te maken te krijgen dan de zorgeloze Nederlanders van dit moment. Waarom? Omdat hij iets had geschreven wat religieus terroristen niet willen lezen: kritiek op hun godsbeeld. Op 23 januari 2008 gaf Mohammed B. voor het Haagse gerechtshof wederom een toelichting op de moord die hij had gepleegd. Hij herhaalde wat hij eerder zei: dat het hier een principiële daad betrof die begrepen moest worden vanuit zijn religieuze overtuiging. Hij ziet het als zijn religieuze plicht iedereen om het leven te brengen die de Profeet of Allah kritiseert. Dat betekent dat de terroristische aanslag van 2 november 2004 gericht was op een beginsel, een principe waarop onze samenleving is gebaseerd.

Dat beginsel is het principe van de vrijheid van kritiek. Daarop is de wetenschap gebaseerd. Daarom hechten we waarde aan wat wordt genoemd de ’academische vrijheid’. Daarop is de democratie gebaseerd. Immers, de vervanging van politieke leiders in een democratie is nauw verbonden met het idee dat politiek beleid in het openbaar kan worden besproken en dat politieke leiders kunnen worden bekritiseerd.

Aan dat beginsel had de Duitse bezetter overigens ook een grote hekel. En wie daar eveneens een grote hekel aan had was Filips II die de religieuze fanaticus Balthasar Gerards in 1584 op pad stuurde om de ketter Willem van Oranje te doden. En aan die vrijheid van kritiek hebben ook de taliban een hekel met wie we nu overhoop liggen in zo’n afgelegen land als Afghanistan.

Maar die recente moord op 2 november 2004 is heel dichtbij: niet alleen in de tijd, maar ook in geografisch opzicht. De gebeurtenis vond plaats op Nederlands grondgebied.

Nu is in geleerde kringen en ook daarbuiten de consensus gegroeid dat als we ons maar fatsoenlijk uitdrukken, terroristen ons niet lastig zullen vallen. Dat is een zorgvuldig gekoesterde mythe. „Extremisme, in woord en daad, splijt de gemeenschap”, zei koningin Beatrix in haar Kersttoespraak van 2004. En wat zou het niet mooi zijn als terroristen niets anders waren dan opgefokte jongeren die zich ’beledigd’ voelen door nare cabaretiers, schofferende columnisten en pesterige filmmakers. Door mensen, kortom, die ’zinloos kwetsen’.

Maar zijn die terroristen wel zo ’gefrustreerd’ en ’beledigd’? Eén ding is zeker: zij zeggen zelf dat het om heel andere dingen gaat. Vanwaar dan die persistente wil bij de weldenkende elite om het boetekleed aan te trekken en religieus terrorisme te verklaren vanuit ’provocaties’ van kunstenaars, cabaretiers en cartoonisten?

Er is iemand die onbedoeld roet in het eten gooit. Dat is Ahmed Aboutaleb, de pasbenoemde burgemeester van Rotterdam.

Op de voorkant van Volkskrant magazine van 15 november 2008 stond een foto van Aboutaleb ter aankondiging van een interview met hem. De kop op de cover luidde: ’De moskee durf ik niet meer in’.

In het interview zegt Aboutaleb: „Vroeger ging ik naar de moskee.” Dan valt een korte stilte. En dan zegt hij: „Maar ik durf het niet meer. Zo simpel is het. Je durft het gewoon niet meer.”

Waarom durft de nieuwe burgemeester van Rotterdam de moskee niet meer in? Omdat hij tot mikpunt van terroristische belangstelling is gemaakt. Dat is overigens al jaren het geval. Het is begonnen na de moord op Theo van Gogh in 2004. In een interview met Arjan Visser in dit dagblad op 23 april 2005 zei Aboutaleb: „Ja, ik word bedreigd. Niet omdat ik mij beledigend over de islam of over de profeet heb uitgelaten. Maar omdat ik, in reactie op een publicatie over het boek ’De weg van de moslim’ – waarin staat dat homoseksuelen van vijfhoog naar beneden gegooid dienen te worden – heb gezegd dat het een oproep is tot het verrichten van een daad die in strijd is met de rechtsorde in Nederland. Zo simpel is het. Ik heb niet verwezen naar de islam, ik heb verwezen naar de wet. Ik ben wethouder, ik houd de wet. En in die wet staat, onder andere, dat het vermoorden van onze medemens niet is toegestaan.”

Dit is om verschillende redenen een interessante passage. De eerste is dat Aboutaleb zelf in april 2005 constateert dat hij wordt bedreigd, maar niet omdat hij zich negatief heeft uitgelaten over de islam. Uit het interview zou je kunnen opmaken dat Aboutaleb daar zelf in 2005 nog enigszins verbaasd over was. (Inmiddels weet hij meer over radicaal gedachtengoed en is hij, mag je aannemen, sadder and wiser.)

Aboutaleb wordt dus bedreigd omdat hij afstand heeft genomen van een radicaal islamistisch boek, ’De weg van de moslim’. Daarin stond dat geweld moet worden gebruikt tegen homoseksuelen. Waarom? Om geen andere reden dan dat zij homoseksueel zijn. Dat stuitte Aboutaleb tegen de borst en hij verzette zich daartegen. Maar met dat verzet riep hij de gramschap van de radicalen over zich af. Mohammed B., de moordenaar van Van Gogh, had ook een ’Open brief aan de wethouder van Amsterdam Aboutaleb’ geschreven. Die brief bevatte de volgende passage: „Het zou ons uitermate verheugen wanneer wij de sharia zouden inluiden met het te pletter laten neervallen van meneer Wilders van de Euromast.”

Extremisten hebben kennelijk iets met het te pletter dan wel met hun hoofd naar beneden laten vallen van andersdenkenden. Aboutaleb stuitte dat tegen de borst en hij zei dat ook.

Vreemd genoeg is het na dat laatste interview met Aboutaleb op 15 november 2008 opvallend stil gebleven. Zeker, er is over hem bijna elke dag in de kranten geschreven, maar over allerlei ditjes en datjes – over wie hem zal opvolgen en zo. Niet over dit pijnlijke punt dat op gespannen voet staat met de nationale mythe die wil dat terrorismedreiging een reactie is op provocaties.

Door zo expliciet stelling te nemen tegen geweld tegen homoseksuelen deed Aboutaleb iets dat hem dicht in de buurt brengt van Cleveringa. Hij nam stelling tegen geweld, gericht tegen mensen op grond van wat zij zijn: in het geval van Cleveringa de Joden, in het geval van Aboutaleb homoseksuelen. En hij doet dat met een zin die getuigt van een bijna ontwapenende nuchterheid: „En in die wet staat, onder andere, dat het vermoorden van onze medemens niet is toegestaan.”

In beide gevallen, zowel bij Cleveringa als bij Aboutaleb, bleek dat niet helemaal gevaarloos. In het geval van Cleveringa was het gevaar heel duidelijk en de reactie op zijn rede was dan ook onmiddellijk. In het geval van Aboutaleb was dat – voor hem zelf althans direct na 2004 – een beetje onverwacht. Nu is hem die radicale ideologie wél bekend. Hij heeft de negatieve effecten daarvan aan den lijve ervaren. In het recente interview in Volkskrant magazine gaat hij ook in op de effecten van bedreiging op zijn gezin.

„Enorm. Enorm”, zegt hij. „Kinderen weten niet wat hun overkomt. Op een dag prijken er vier foto’s op de voorpagina van De Telegraaf, onder de kop ’Dodenlijst’. Daar sta ik dus tussen. Páts. Diezelfde foto wordt ook ’s avonds getoond in het Journaal – dat is dus de voorpagina van Nederland. Iedereen kijkt ernaar. En je kind moet gewoon de dag daarop weer naar school.”

Als je dat leest dan besef je ineens weer dat voor sommige mensen terrorisme helemaal niet zo ver weg is. Aboutaleb maakt zich naar alle waarschijnlijkheid meer zorgen over terrorisme (net als de 13 procent van de NCTb ) dan over de kredietcrisis (waarmee volgens de recente enquête van het NCTb meer dan 50 procent van de Nederlanders nu gepreoccupeerd is).

Laten we de zaak in een wat breder perspectief plaatsen. Hoeveel Aboutalebs zijn er eigenlijk? Onlangs gaf het Britse Centre for Social Cohesion een rapport uit onder de titel ’Victims of Intimidation’, geschreven door de Brit Douglas Murray en de Nederlander Johan Pieter Verwey. De ondertitel luidt: ’Freedom of Speech within Europe’s Muslim Communities’. Het rapport portretteert 27 politici, kunstenaars, journalisten en academici die tot voorwerp van terroristische aandacht zijn gemaakt op grond van wat zij zijn en wat zij hebben gezegd – bijvoorbeeld over de islam, over homoseksualiteit, geloofsbeleving of iets anders dat extremisten een doorn in het oog is. Ik stel voor ze ’De 27 van Murray en Verwey’ te noemen.

De lijst wordt aangevoerd door Ahmed Aboutaleb, en dan gevolgd door Mimount Bousakla, Ekin Deligöz, Ehsan Jami, Naser Khader, Samira Munir, Nyamko Sabuni, Manu Sareen, Magdi Allam, Reda Hassaine, Nosheen Ilyas, Mohamed Sifaoui, Mina Ahadi, Ayaan Hirsi Ali, Seyran Ates, Mansur Escudero, Maryam Namazie, Kadra Noor, Afshin Ellian, Salman Rushdie, Mohammad Anwar Shaikh, Ibn Warraq, Rachid Ben Ali, Sooreh Hera, Shabana Rehman, Omar Sharif, Deepika Thathaal.

Dat zijn allemaal mensen die iets van een islamitische achtergrond hebben en vanwege die achtergrond in combinatie met wat zij hebben gezegd of gezongen (zoals Deepika Thathaal, beter bekend als Deeyah) of gefotografeerd (zoals Soorah Hera) of geschilderd (zoals Rachid Ben Ali) aan dreigingen blootstaan.

Deze 27 mensen zijn voor mij eigentijdse Cleveringa’s. Zij zijn de confrontatie aangegaan met een machtige vijand: het islamisme en het religieuze terrorisme dat daarop gebaseerd is. Zij doen dat omdat dit in het voordeel is van moslims, in het voordeel van de islam, maar ook in het voordeel van anderszins gelovigen en natuurlijk ook de ongelovigen. Dit is een zaak die de traditionele grenzen van geloof en ongeloof, nationaliteit, ras en geslacht overschrijdt.

Maar in al die Europese landen tekent zich hetzelfde patroon af. De 27 mensen die het rapport portretteert krijgen onherroepelijk te maken met vier machten.

De eerste macht is die van de terroristen zelf. Terroristen reageren op kritiek met geweld. Zij spreken niet. Zij schrijven niet. Zij argumenteren niet. Net zoals de Duitsers in 1940 ook niet in discussie gingen met Cleveringa.

De tweede macht waarmee die 27 protagonisten van de vrijheid van expressie te maken krijgen is de politiek-correcte intelligentsia. Dat zijn de opinieleiders, de universitaire geleerden, de mensen die sleutelfuncties vervullen bij debatcentra, het overgrote deel van de columnisten en commentatoren van kwaliteitskranten. Hoe merkwaardig het ook mag klinken, zij staan in meerderheid niet aan de kant van de 27 critici van het islamisme en terrorisme. De intelligentsia zegt: hebben jullie het geweld niet over jezelf afgeroepen? Heb je de terroristen niet beledigd? Was het nodig om een sigaret op te steken in een kruitfabriek? Je weet toch dat je in een andere tijd leeft dan twintig jaar geleden? Was je toon wel goed? Waarom niet de ’gematigde’ Verlichting verdedigd? Kon je niet stilletjes van je geloof afvallen? Waarom al dat lawaai?

De derde macht is de overheid die verantwoordelijk is voor hun en ons aller veiligheid (het geweldsmonopolie berust tenslotte bij de staat). Zij kan eigenlijk niet veel doen aan het feit dat het nationale territoir wordt geschonden door terroristen. Het wrangste voorbeeld daarvan is natuurlijk dat terroristen in 2001 een min of meer levende bom zomaar de Twin Towers in konden vliegen. In de asymmetrische oorlogsvoering die kenmerkend is voor het hedendaagse terrorisme bleek het mogelijk een gevoelige slag toe te brengen aan de machtigste natie ter wereld. Maar denk niet te snel dat alleen de VS daar last van hebben. Een home grown terrorist die zich heeft voorgenomen de gangen na te gaan van een man in Amsterdam-Oost en bereid is geduldig te wachten op het moment waarop hij letterlijk zijn ’slag kan slaan’, heeft in een open samenleving als de Nederlandse alle kansen.

Het enige wat een criticus van het terrorisme kan doen die zelf het voorwerp van terroristische dreiging is geworden, is vragen aan de overheid (en daarmee aan de samenleving) of ze bereid is financieel te investeren in de bescherming van zijn persoon. Soms neemt dat vragen heel letterlijke vormen aan, zoals bij de voormalige Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali die in de Verenigde Staten letterlijk met de pet rondgaat voor haar eigen leven. Het is de verdienste van het rapport van Murray en Verwey dat het ons ervan doordringt dat de situatie van Hirsi Ali niet uniek is.

De fotografe Sooreh Hera (ook een van de geportretteerden in het rapport) is een vluchtelinge uit Iran die hier dacht vrijheid te vinden. Haar werk mocht niet geëxposeerd worden in het Haagse Gemeentemuseum van directeur Wim van Krimpen. Hij vond dat ’uitlokking’. De burgemeester van Den Haag, Wim Deetman, steunde de museumdirecteur in het weren van de kunstenares en stak zelfs een belerend betoog af over ’genocide’ tijdens de opening van de tentoonstelling waarop het werk van Hera dus niet te zien was (De Pers, 16 december 2007).

Dit alles leert ons dat wie eenmaal de gramschap van de terroristen heeft opgeroepen maar zeer ten dele kan rekenen op steun van de Nederlandse overheid en van de Nederlandse intelligentsia. Waar hij ironisch genoeg wel op kan rekenen is op het consistente gedrag van de terroristen.

De vierde macht ten slotte waarmee een criticus van islamisme en terrorisme te maken heeft is de zwijgende meerderheid. Dat zijn diegenen die op het hek zitten en die constateren dat het een ingewikkeld vraagstuk betreft waarvan zij zich het liefst afzijdig houden. Zij leveren de gedoogsteun voor de tweede en de derde macht.

Het is treurig om te constateren, maar tussen die vier machten wordt bijna elke criticus van islamisme en terrorisme vermorzeld. Ze krijgen gezondheidsproblemen zoals Taslima Nasreen. Zij duiken min of meer onder. Zij verhuizen vanuit Europa naar de Verenigde Staten (Hirsi Ali, Deeyah). Of zij radicaliseren zelf heel sterk – natuurlijk, dat kan ook.

De historicus Jonathan Israel heeft ongelijk: de ’radicale Verlichting’ mag dan in de zeventiende eeuw Europa hebben veranderd, in de eenentwintigste eeuw is het de positie van een kleine minderheid. De marges die de Verlichting mag aannemen worden veel sterker bepaald door religieus terroristen dan menigeen denkt. In die zin is terrorisme dus wel effectief.

Als je dat allemaal op je laat inwerken dan komt een duidelijk beeld naar voren: de positie van ’De 27 van Murray en Verwey’ is bepaald precair. Dat heeft zeker niet alleen te maken met de besluitvaardige en consistente houding van terroristen, maar ook met de wankelmoedigheid van overheden in democratische rechtsstaten. En met de houding van de liberaal-progressieve elite.

Deel dit artikel