Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dat rotbestel van ons is beter dan Van Mierlo dacht

Home

Hans Goslinga

In Nederland kunnen de kiezers de macht niet wegstemmen. Ze kunnen slechts een klein deel van de macht wegsturen. Het CDA komt altijd terug, of het nu wint of verliest. Aldus sprak een mismoedige Hans van Mierlo in een vraaggesprek met deze krant in 1993, een jaar voordat het aantreden van een paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 zijn woorden zou logenstraffen.

Twee decennia verder kunnen we vaststellen dat zijn letterlijke ongelijk verre wordt overtroffen door zijn dichterlijke gelijk. De christen-democraten zijn niet uit de regering weg te slaan, zelfs niet na een halvering van hun kiezersaanhang.

Nu ging het Van Mierlo niet om het CDA op zich, bezwoer hij, maar om ons stelsel dat de kiezers directe invloed op de machtsvorming onthoudt. In die zin werd zijn klacht niet weggenomen door de paarse coalitie. De centrale positie in die tot dan ongekende combinatie werd ingenomen door de PvdA die na vijf jaar bezuinigingen bijna net zo hard door de kiezers was afgestraft als het CDA. Van Mierlo vond het echter al een vernieuwing op zich, dat de christen-democraten na driekwart eeuw onafgebroken regeermacht een keer buiten de deur konden worden gehouden. Hij verkeerde in de positie die doorbraak te forceren en buitte die ten volle uit.

Met zijn ijveren voor een fundamentele vernieuwing van ons bestel in de richting van directe democratie heeft hij nooit een voet aan de grond gekregen. De drie grote volkspartijen hebben dat uit beduchtheid voor verlies van macht en invloed altijd weten tegen te houden. Misschien verandert dat nu zij niet langer kunnen rekenen op een vaste aanhang en het proces van machtsvorming door de versplintering gecompliceerder wordt. De Leidse politicologen Andeweg en Thomassen pleitten vorige week in deze krant voor hervormingen in de geest van Van Mierlo. Zij menen dat het stelsel nog altijd is gericht op afspiegeling van de verhoudingen, terwijl bij de kiezers de behoefte groeit om te kunnen afrekenen.

De politicologen leiden dat af uit de verliezen die regerende coalities de afgelopen twintig jaar hebben geleden met flinke uitschieters in 1994, 2002 en 2010. Dat lijkt een iets te vlotte en ook niet erg nauwkeurige conclusie. Het eerste paarse kabinet-Kok boekte bij de verkiezingen van 1998 netto winst. In 2003 leed de coalitie van CDA, VVD en LPF weliswaar een fors netto verlies, maar daarbij gingen de kiezers genuanceerd en zelfs trefzeker te werk.
Zij straften vooral de LPF af, die er in het eerste kabinet-Balkenende en in de Kamer een potje van had gemaakt. Niet onlogisch was daarom dat CDA en VVD, die beide licht hadden gewonnen, een stabielere derde partner zochten (D66) en doorregeerden.

Het is onduidelijk waarom dit verfijnde stelsel in democratisch opzicht zou onderdoen voor een zoveel grover systeem, waarbij de kiezers slechts de keuze hebben tussen voor en tegen. Daarbij moet dan in aanmerking worden genomen dat ook in zo'n systeem de macht uiteindelijk in het midden ligt, omdat daar de kiezers zitten die bij verkiezingen de doorslag geven. Een tweedeling biedt alleen maar schijnduidelijkheid en ontneemt de kiezers de mogelijkheid nuances aan te brengen.

Het lijdt geen twijfel dat ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging goed, zo niet perfect aansloot bij de verzuilde natie, zoals ook Andeweg en Thomassen constateren. Nu de samenleving is ontzuild en geïndividualiseerd, is het echter onlogisch naar een systeem over te schakelen met een veel grovere representatie. Dat zou neerkomen op een versimpeling van de volkswil en een uitnodiging tot polarisatie. In een samenleving met een verscheidenheid aan culturen en identiteiten ligt het veel meer voor de hand de kunst meester te worden met verschillen om te gaan.

Nog een voordeel van ons stelsel is dat het dwingt tot redelijkheid en matiging van de machtswil. Het vergt van de regerende meerderheid terdege rekening te houden met de wensen en belangen van minderheden in de oppositie. Ideaal is het stelsel niet; de machtsvorming na verkiezingen blijft een gesloten en daardoor onbevredigend proces, maar het alternatief van een twee-blokkensysteem lijkt in democratisch opzicht geen stap vooruit. Ook twijfelachtig is of het de bestuurskracht vergroot, zoals nog wel eens wordt gesuggereerd. In het Nederland van vóór 1918 konden de Schoolstrijd en de strijd voor het algemeen kiesrecht zich decennialang voortslepen en een wig drijven in de natie. Er kwam pas een eind aan toen de liberaal Cort van der Linden het brede compromis zocht en daarmee de basis legde voor de coalitiedemocratie.

In de totstandkoming van het kabinet-Rutte is aanvankelijk het begin gezien van een nieuwe tweedeling in de Nederlandse politiek in een rechts en een links blok. De hoofdrolspelers, de liberale leider zelf voorop, gaven daar ook aanleiding toe met revanchistisch klinkende uitspraken. In de praktijk loopt het niet zo'n vaart, vooral doordat het kabinet in de meest zwaarwichtige beslissingen, zoals deze week over de Libië-missie en de centrale bevoegdheden van Europese Unie en eerder over de politiemissie naar Kunduz, op steun van de oppositie is aangewezen. Op zulke cruciale momenten blijkt hoe marginaal de positie van de gedogende PVV is en hoezeer het midden, weer inclusief de tijdelijk afzijdige PvdA, nog altijd de grote lijnen van de buitenlandse politiek trekt.

In Nederland kunnen de kiezers de macht niet wegsturen, maar wel bijsturen. Dat is misschien wel effectiever en democratischer dan het verstrekken van een direct mandaat aan een bestuurder voor vier jaar. Ons stelsel dwingt bestuurders voortdurend met hun omgeving rekening te houden, waardoor hun macht relatief blijft.

Deel dit artikel