Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

dagboek over Wolkers / ’Zo is het genoeg'

Home

Onno Blom

Onno Blom, de biograaf van Jan Wolkers, hield een dagboek bij van zijn contact met de vorige week overleden Jan Wolkers, zijn vrouw Karina en zijn zonen Bob en Tom.

17 oktober 2007

Als het vliegtuig uit Rome in Rotterdam landt, geeft mijn gsm aan dat ik een oproep heb gemist. Ik besteed er even geen aandacht aan. Het is al laat en ik wil naar huis. Als ik om kwart voor twaalf de koffer in de gang zet en de verwarming aandoe, wordt er gebeld. Het is Karina Wolkers. Ze vraagt: ’Waar ben je?’ Ik denk ogenblikkelijk: O, mijn god. Helaas schrik ik niet tevergeefs. Karina zegt: ’Jan is stervende. Vertel het alsjeblieft nog aan niemand, maar ik moest het je zeggen. Ik zou graag willen dat je me helpt in de dagen na Jans dood, iedereen belt en de pers te woord staat als het zover is. Je bent de aangewezen persoon.’

Mijn handen voelen ijskoud aan en ik weet niets uit te brengen. In het Gemini ziekenhuis in Den Helder – waar Jan lag vanwege een ontsteking aan zijn voet – heeft men afgelopen maandag geconstateerd dat zijn lever niet meer werkte. Jan had levercirrose en kennelijk is die ziekte onzichtbaar voortgewoekerd. De doktoren konden niets meer voor hem doen, en dinsdag mocht Jan, zoals hij de hele week al had gewild, terug naar huis. Bob en Tom, zijn zonen, zijn onmiddellijk naar huis gekomen en gisteren hebben ze een heerlijke middag gehad met z’n vieren. Herinneringen opgehaald. Gelachen.

Vorige week donderdag, 11 oktober, heb ik Jan voor het laatst gezien. Hij had gevraagd of ik op bezoek kwam in het ziekenhuis. Toen ik in de hal stond te wachten, zag ik Karina het terrein oprijden in de oude Volvo. Ik liep naar buiten, zoende haar in de lucht omdat ik heel erg verkouden was, en nam twee enorme boodschappentassen van haar over, die vol hapjes, drankjes, een thermoskan koffie en een doos met taartjes bleken te zitten. ’Dan hebben we tenminste wat lekkers te eten.’

Met de lift zoefden we naar boven en gingen de kamer in, waar Jan in een grote ziekenhuisstoel naast zijn bed zat. Hij begroette mij hartelijk, ik voelde me een beetje opgelaten, zoals altijd in ziekenhuizen. Het is toch alsof je iemands slaapkamer binnenkomt en even onder de lakens kijkt. Het licht valt in brede banen door de grote ramen en stelt ongenadig aan het daglicht bloot hoe broos Jan is geworden. Zijn vel is haast van wit doorschijnend papier en zijn lichaam lijkt plots drie, vier maten te klein geworden voor een van zijn bekende stoere blauwe sportvesten – ditmaal met de grote letters FRANCIA.

Karina vertelde dat Jan afgelopen dinsdagnacht ineens erg ziek werd. Hij kreeg koorts en begon te ijlen. De grote teen van de rechtervoet – ’jij bent de biograaf, jij moet weten welke teen het precies is,’ lachte Karina – zwol helemaal op. Uiteindelijk brak de ontsteking open en kwam er een ’lavastroom’ van rotzooi uit. ’In allemaal prachtige kleuren, die je zo in het atelier zou kunnen mengen,’ zei Karina. Die nacht was helemaal een soapopera, vervolgde ze. ’In dezelfde nacht dat Jan zo lag te ijlen, werd de kat steeds zieker. Die lag in een doos naast mijn bed. Ik aaide de poes, die plotseling ophield met spinnen – en stierf. Vincent, de Van Gogh-rode poes, is inmiddels in de tuin begraven naast zusje Knorretje, aan de voet van de tulpenboom. Na Karina’s verhaal citeerde Jan Shakespeare uit het hoofd: ’Nooit komen rampen alleen, maar met tal, als stille verspieders.’

Jan vertelde dat de doktoren, toen ze zijn teen hebben opengesneden om de rest van het ontstekingsvocht eruit te halen, hem hadden verdoofd met een ruggeprik. ’Vanaf hier,’ hij wijst naar zijn middel, ’tot helemaal beneden voelde ik niets meer. Dat was heerlijk! Ik wilde dat het altijd zo zou blijven.’ Het bleef even stil. Toen zei Jan: ’Ik moet niet vergeten naar de doodgraver te gaan om mij opnieuw te laten opmeten en een nieuwe kist te laten maken. Nu mijn voeten zijn ingezwachteld ben ik namelijk langer.’ De zuster kwam binnen met een pilletje. ’Als het maar niet de gifpil is,’ zei Jan.

Ik vroeg hem of hij eigenlijk al wist wat hij wilde na zijn dood. ’Cremeren, natuurlijk! Begraven vind ik gruwelijk.’ In een van zijn boeken komt de fantasie voor dat het lijkensap van zijn ouders over dat van zijn broer Gerrit – die in 1944 op jonge leeftijd stierf aan difterie – zou druipen. ’Nee, ik wil verbrand worden. En mijn as mag onder de tulpenboom, naast Knorretje. Gewoon vrij, niet in een urn. Ik ben bang dat ik dan ga roepen: help, ik wil eruit!’

Ik vertelde Jan dat ik samen met Werry Crone, de fotograaf van Trouw, een serie voor de krant heb gemaakt over schrijversgraven, en dat wij ons ooit rot hebben gezocht naar de urn van de dichter Slauerhoff op een heuvel bij crematorium Westerveld. Prompt citeert Jan uit het hoofd de eerste strofe van ’In Memoriam Slauerhoff’ van Roland Holst: ’Soms kon de zachtheid die hij steeds verbeet / nog schuw een uitweg naar zijn ogen vinden: een mild licht door die scherven, waarin leed / door wrok was stukgebroken tot ellenden.’

Karina ging intussen aan het ziekenhuisbed onvermoeibaar door met het uitdelen van lekkernijen. Na de taartjes kwam er een stapel heerlijke zalmsandwiches uit één van de tassen. Jan zat venijnig te glimlachen. Met scherpe stem: ’Schrijver brengt biograaf om, staat er over een paar dagen in de krant. Na het eten van een broodje vis legde hij het loodje. De mosselen smaakten al niet zo lekker, maar dit was de genadeslag.’

Jan vertelde dat hij ’een stout plan’ had opgevat. Hij had de timmerman thuis in het atelier een nieuw groot doek van twee bij twee meter laten opspannen. Dat was verbazingwekkend, want Jan had mij eerder verteld dat hij na het afmaken van het schitterende gele grote doek had moeten vaststellen dat hij daartoe fysiek nooit meer in staat zou zijn. Hij kwam simpelweg het trapje voor het doek niet meer op en af. Kon het doek niet meer invliegen, en met het penseel als degen het gevecht aangaan met de verf. ’Ik weet het,’ zei Jan. ’Maar ik had zo’n zin in het schilderen van een winterlandschap. Nu ja, door niets te schilderen is het ook gelukt: het sneeuwwitte doek ís al een winterlandschap.’

Om drie uur ’s middags vertrok ik. Ik beloofde hem over een week te bellen, op de dag dat ik uit Rome terug zou zijn. ’Rome, heerlijk. Veel plezier en ik zie je volgende week. Dan ben ik ook weg van deze verdoemde plek.’ Omdat ik verkouden ben, kus ik hem niet ten afscheid, maar pak zijn handen in de mijne – en voel hoe licht, benig en onwerkelijk zacht die zijn. Hij knijpt zachtjes en laat los. Hij zwaait vrolijk als ik de hoek omsla.

18 oktober

Ik bel naar Texel en krijg Bob aan de telefoon. Hij klinkt buitengewoon helder en verstandig. Bob zegt: ’Ik ben allemachtig dankbaar dat Jan terug is gekomen op Texel. Het lijkt ook wel of hij daarop heeft gewacht om te sterven. Jan ligt nu in een hele diepe slaap.’ Bob vertelt hoe Jan dinsdagmiddag terugkeerde en dat hem werd gevraagd of hij in bed wilde gaan liggen, maar dat hij daar niets van wilde weten. Jan zei: ’Ik wil in mijn stoel zitten en naar buiten kijken.’ Hij zat steevast op de kop van de tafel, met zijn gezicht naar de ramen in de ronde muur die een uitzicht bieden op de tuin en de weilanden. Toen Jan eenmaal zat, hebben ze samen baklava gegeten, Grieks honinggebak. ’Heerlijk vond hij dat,’ zei Bob. ’Hij zei: ik moet goed eten om wat aan te sterken. Jan kwam ook goed over, hij leek zijn stem terug te krijgen, hij leek wel in orde, daar waren we het helemaal over eens.’

Midden in de nacht werd Jan wakker en vroeg aan Karina of hij wat mocht drinken. Karina is toen uit de keuken wat granaatappelsap gaan halen. ’Mag ik ook nog wat eten?’ zei Jan. ’Ik heb honger.’ Daarop keerde Karina terug naar de keuken en maakte twee boterhammen met bessengelei. Jan at drie stukjes, en kauwde en kauwde. ’Je moet niet alleen kauwen,’ zei Karina, ’maar ook eten.’ Ze lachte. ’Zo is het genoeg,’ zei Jan. Hij lachte terug naar Karina en viel in slaap.

’Zo is het genoeg.’ Achteraf waren dat zijn laatste woorden. Want uit de diepe slaap waarin hij verzeilde, verkeerde hij twee volle dagen lang - en zou hij nooit meer wakker worden. Het vreemde is: zijn gedicht ’Winterslaap’, dat deel uitmaakt van ’Een drieluik van herinnering en dood’ lijkt zijn eigen dood precies te beschrijven, inclusief de boterham met jam:

De winterslaap

Als de sneeuw niet meer

Smelten wil,

Een boterham met dubbel jam

De mond niet opent,

een oog kijkt eerder scheel

naar een gebroken ruit –

Dan hangt men lakens voor het raam,

De kille bloedsomloop

Zakt naar de modder,

Er is geen wakker worden aan.

’s Avonds laat belt Karina nog even op. ’De jongens denken dat het nog even duurt, maar ik weet dat het vannacht zal gebeuren. Als het zover is, bel ik je – en hoop ik dat je morgen komt.’

19 oktober

Diep in de nacht gaat de telefoon. In het duister klinkt Karina’s stem. ’Dag lieve Onno, het is zover. Jan is een paar minuten geleden gestorven. Heel rustig. Om half twee precies. Ik ga nu de jongens wakker maken en zie je morgen.’ Pas een paar uur later kan ik de slaap weer vatten. Duizend gedachten spoken door mijn hoofd.

Ik jakker met de auto over de snelweg en langs de lange weg door Noord-Holland naar de boot in Den Helder. Ik passeer vlak voor de kassa nog twee andere auto’s, vlieg de hoge baan op, maak een scherpe bocht en dender de boot op. ’Dat heb je netjes gedaan,’ zegt de man van de veerdienst droogjes.

Ik arriveer vlak na de begrafenisondernemer. Karina wil graag dat ik ook met hem de zaken regel en de afscheidsbijeenkomst voorbereid. Het is meteen duidelijk waar die plechtigheid moet plaatsvinden: op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam, waar het Theo Thijssen Monument van Jan staat.

Als Karina en ik weer alleen zijn, lopen we samen naar Jan. Hij ligt in zijn slaapkamer op bed. Hij ziet er prachtig uit, rustig. Een getemde leeuw met witte manen. Zijn oranje T-shirt en mooie, blauwe vest doen pijn aan mijn ogen. Ik heb de neiging om hem even zacht aan te raken. Toch doe ik het niet. Ik huiver, de koude angst bevangt mij even en ik moet denken aan de scene in De doodshoofdvlinder, waarin Jan heeft beschreven dat hij samen met zijn moeder voor het bed stond in zijn ouderlijk huis, waar zijn vader lag opgebaard:

’Ineens liep hij naar het hoofdeinde, boog zich over zijn vader heen en zoende hem op het voorhoofd. Om haar te laten zien hoeveel hij van die man hield. Tegelijkertijd voelde hij een pijn in zijn nek schieten alsof hij een klap kreeg. Zijn vader was ijskoud. Als een stenen vloer in een kelder. Hij dacht dat hij nog nooit zoiets kouds gevoeld had. Het leek wel of er ijs onder die huid zat. Zijn mond ging ervan gloeien. Met zijn ogen dicht bleef hij staan met het onwezenlijke angstgevoel dat er aan alle kanten een afgrond om hem heen was.’

Ik duizel en wankel de kamer uit.

Op mij rust de verschrikkelijke taak om een aantal van de belangrijkste mensen in te lichten, vóór het nieuws in de publiciteit komt. Karina kan dat niet opbrengen: ’Ik ben nu helder, maar weet niet hoe ik me zou voelen als ik ieders verdriet erbij moet dragen.’ Ik bel Jans oudste zonen, Eric en Jeroen. Daarna volgen een paar van de vrienden en mensen in de nabije omgeving, van wie we hopen dat ze ook willen spreken op de afscheidsbijeenkomst: Pieter Broertjes, Robbert Ammerlaan, Remco Campert. In die uren daarna blijkt al dat het nieuws niet in de hand kan worden gehouden. Robbert belt mij om een uur of drie – terwijl we nog bezig zijn een persbericht te maken – dat Nova op de hoogte is van de dood van Jan. Als ik ophang, na een gesprek van nog geen vijf minuten, staan er zestien berichten op mijn telefoon.

Binnen hebben Karina en de jongens bijna de hele avond televisie zitten kijken. Dat werkt heel goed, want ze lachen zich rot bij de oude beelden van Jan die keer op keer voorbijkomen.

20 oktober

’s Ochtends vroeg ga ik met mijn geliefde Lot en Karina het atelier binnen waar Jan ligt opgebaard. In een rechte, ruwhouten kist, onder zijn laatste grote doek, een schitterend geel schilderij in de kleur van de bladen van de tulpenboom in de herfst. Hij ziet er goed, maar verschrikkelijk dood uit. Het is misschien raar om op te schrijven, maar ik merk dat er gradaties van dood bestaan. Jan is héél erg dood. Tot nu toe heb ik een tikje verdoofd doorgelopen, al mijn aandacht en energie gestoken in het te woord staan van iedereen. Maar nu ik zie hoe Karina zachtjes met Jan praat en hem een sigaartje en ’vuur voor onderweg’ meegeeft in de kist, breek ik even in duizend stukken.

Er komen vrienden langs, de meesten nemen iets moois mee. Iemand brengt de tube verf die Jan had laten bestellen voor zijn nieuwe doek, dat dus eeuwig wit zal blijven. De kleur: Marszwart. Het is opvallend hoe sterk Karina is. Zij is de moeder van iedereen. Ze verdient zelf troost, maar is in staat om die aan iedereen te schenken. Aan het einde van de dag rijd ik terug naar Leiden.

21 oktober

Om negen uur springen we weer in de auto om naar Texel te gaan. De kamer is al vol mensen. Langzaam maar zeker komt de lijst met sprekers rond die het woord zullen voeren.

22 oktober

Met de boot van twaalf uur komen we aan de vaste wal en rijden naar Amsterdam, op weg naar de Nieuwe Ooster, de begraafplaats. Een uur later arriveert ook een grote ploeg mensen van de NOS, die de afscheidsbijeenkomst willen uitzenden. Vanaf de begraafplaats gaat het rechtstreeks naar Studio Plantage, waar ik optreed in De Wereld Draait Door.

23 oktober

Ik ga terug naar huis, werk koortsachtig aan mijn openingswoord voor de afscheidsbijeenkomst en aan dit kleine dagboek. Het is een race tegen de klok – en die ellendige telefoon blijft maar rinkelen. Gelukkig is het hele draaiboek voor morgen klaar, en heeft gistermiddag ook Remco Campert toegezegd om een gedicht te komen lezen. Het ontroerde me om hem aan de telefoon te hebben. Remco en Jan waren zeer op elkaar gesteld. Remco is nog een van de allerlaatste generatiegenoten van Jan die nog in leven is.

Tussen al het geregel door heb ik ook Gerrit Komrij nog even aan de lijn. Hij zegt: ’Ik had eigenlijk een rouwadvertentie willen plaatsen, waar ik in had willen zetten: ’Eert uw schrijvers, maar wacht niet tot ze dood zijn.’ Hij heeft gelijk.

Ik denk aan het moment dat Jan zijn huis voor de laatste maal zal verlaten en met de boot van Texel afgaat, en voorgoed het water van de Styx oversteekt.

Deel dit artikel