Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Cynische romans zijn niet cool meer

Home

Rob Schouten

Het is weer zover: de schrijver moet de straat op. Na Du Perron, de Vijftigers en de Maximalen is het nu Thomas Vaessens, hoogleraar te Amsterdam, die daartoe oproept. Met één verschil: volgens Vaessens hébben onze romanciers het engagement al ontdekt. Rob Schouten vraagt zich af of de hoogleraar gelijk heeft.

De afgelopen vijf jaar traden diverse jonge aanstormende geleerden als hoogleraar Moderne Letterkunde aan op belangrijke faculteiten Nederlands: Thomas Vaessens (1967) aan de Universiteit van Amsterdam, Geert Buelens (1971) aan de Universiteit Utrecht, Jos Joosten (1964) aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze zijn bijzonder actief, schrijven de ene studie na de andere, soms ook gezamenlijk, en vooral: ze hebben iets te vertellen, brengen niet slechts braaf in kaart wat in de letteren gebeurt, maar nemen stelling, proberen de boel op te schudden. Geen academisch geprevel binnen de muren van de alma mater: ze zoeken het publiek.

Dat zegt iets over hun eigen bevlogenheid, maar accentueert ook de ingedommelde positie van een vorige generatie neerlandici, die veeleer voor eigen parochie preekten. Neem nu Thomas Vaessens; zijn verlangen om zijn zegje te doen resulteerde in zijn zoveelste publicatie in korte tijd, ’De revanche van de roman’, een studie waarin hij stelling neemt tegen elitaire Feingeisten en een lans breekt voor een nieuw literair engagement onder schrijvers, zoals hij ook zelf laat zien dat de universiteit aansluiting zoekt bij de maatschappelijke werkelijkheid.

Vaessens oproep herinnert onvermijdelijk aan de cri de coeur van zijn collega Ton Anbeek, die in 1981 in een roemrucht artikel, ’Aanval en afstandelijkheid’, om meer straatrumoer in de literatuur verzocht. De Nederlandse roman was volgens Anbeek introspectief en wereldvreemd geworden en kon wel wat meer maatschappelijke betrokkenheid gebruiken.

Het lijkt wel een seizoenskwaal, om de zoveel decennia dreigt onze literatuur in te dommelen en heeft ze weer een prikkel nodig. Zo richtten voor de oorlog Du Perron en Ter Braak zich tegen de onthechte schoonheidsverering in de literatuur, de schrijver moest weer een vent worden, en na de oorlog verzetten de Vijftigers zich tegen de inmiddels alweer ingedutte geest van nette lettervrouwen en -meneren, waarna in de jaren tachtig de oproep tot meer laweit van Anbeek volgde en dan nu die van Vaessens. Zo om de kwarteeuw worden onze letteren uit de slaap gewekt.

Een verschil is er wel: Vaessens zíet nu ook al duidelijk tekenen van een mentaliteitsverandering. Daarover gaat zijn verhandeling. Er is ander weer op til en, dat manifesteert zich in het werk van een aantal interessante schrijvers van onze tijd.

In ’De revanche van de roman’ schetst Vaessens de ontwikkeling van de naoorlogse letteren. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw overheerste het humanistische ideaal in de literatuur. Literatuur was autonoom, beantwoordde aan eigen wetten en was bedoeld om de mens te verheffen en cultureel te vormen. De goede smaak werd bepaald door bevoogdende insiders. Vaessens noemt dat de ’humanistische positie’. Onder invloed van de massacultuur en de consumptiemaatschappij raken die oude ideeën over universele waarheden in de literatuur ondermijnd. Televisie, culturele diversificatie, schrijvers als Gerard Reve en Jan Cremer tornen aan de voormalige standaard en luiden een nieuw tijdperk in, waarin alles gerelativeerd wordt: het postmodernisme.

Men gelooft niet langer in de Grote Verhalen en aanvaardt geen literaire autoriteit meer. In de luchtige vorm van het postmodernisme is voortaan alles gepermitteerd: anything goes. Strengere academici (geïnspireerd door denkers als Foucault en Derrida) weten dat ook de zogenaamd zuivere literatuur vol waardeoordelen en manipulaties zit. De ’postmoderne deconstructie van het humanistisch discours’ noemt Vaessens dat, want bij al zijn hang naar engagement heeft hij zijn academisch jargon kennelijk nog niet direct bij de vuilnis gezet.

Vaessens vindt dat beide opvattingen niet goed functioneren: „Zowel van de humanistische als van de relativistische reactie op die cultuur (en op de ontwaarding van de literatuur die er deel van uitmaakt) is in de loop van de tijd steeds duidelijker geworden dat ze tekortschieten.’’ Namelijk in maatschappelijk engagement. De humanist blijft in de verheven autonomie van de roman geloven en „de aan absolute bindingsangst lijdende, totaal onthechte figuren in veel postmoderne romans lopen rond in een kille, uitzichtloze wereld waarin cynisme en oppervlakkigheid voor hip en cool doorgaan en waarin echt contact met anderen ver te zoeken is”.

Daarom pleit Vaessens krachtig voor een ’derde weg’ die hij beschouwt als de eindfase van het postmodernisme want hij noemt het ’laatpostmodernisme’: „Ik probeer de zoektocht van een zestal schrijvers naar nieuw engagement te duiden en te verklaren als reactie op de ontwaarding van de literatuur. Robert Vernooy, Frans Kellendonk, Joost Zwagerman, Arnon Grunberg, Marjolijn Februari en Charlotte Mutsaers: zes schrijvers op zoek naar urgentie. Ze willen dat literatuur er weer toe doet en dat zijzelf weer een rol gaan spelen in het publieke debat.”

De zes spelen een verschillende rol op die laatmodernistische ’derde weg’, tussen de splendid isolation van de humanistische schrijver en het onvruchtbare relativisme van de postmodernist.

De vergeten en allang uit de literatuur gestapte Robert Vernooy bijvoorbeeld, probeerde in zijn werk de alles relativerende ironie, die de boventoon in het postmodernistische schrijven was gaan vormen, te ontmantelen. Frans Kellendonk, die je volgens mij beter een prelaatpostmodernist (dat is niet grappig bedoeld) zou kunnen noemen, omdat zijn werk al in de jaren zeventig en tachtig geschreven werd, schreef met ’Mystiek lichaam’ een sceptisch en maatschappelijk betrokken boek over aids en racisme dat door de kritiek niet op waarde geschat werd. Zij vormen de miskende voorhoede van het nieuwe engagement.

Zwagerman en Grunberg (waarschijnlijk nogal verbaasd elkaar hier onder één noemer aan te treffen), voerden in hun respectievelijke romans ’Chaos en rumoer’ en ’De asielzoeker’ schrijvers op met een writers block die verscheurd worden door de oude universalistische pretenties van de literatuur en de nieuwe populistisch-ironische schrijfwijze. Zij brengen het dilemma van de moderne schrijver als het ware in kaart.

Vaessens twee laatste getuigen van de derde weg, Marjolijn Februari en Charlotte Mutsaers, moeten demonstreren dat zij – aanvankelijk typische vertegenwoordigers van het postmodernisme – in hun laatste boeken (Februari: ’De literaire kring’, Mutsaers: ’Koerier herfst’) aansluiting zoeken bij de werkelijkheid en de maatschappij van nu. Zij bewijzen in de praktijk dat schrijvers nieuwe wegen kiezen.

Vaessens geeft weliswaar rake interpretaties, maar of zes tamelijk willekeurige schrijvers met incidentele boeken representatief zijn voor het literair klimaat vraag ik me af. Levende literatuur laat zich nu eenmaal niet makkelijk in literair-historische vakjes stoppen. Waar moeten we bijvoorbeeld maatgevende auteurs als Connie Palmen of A.F.Th van der Heijden plaatsen? Zij (en ook hun lezers) lijken helemaal niet bezig met Vaessens derde weg. Ook de genoemde schrijvers voelen zich allicht ongemakkelijk in Vaessens sextet. Marjolijn Februari bijvoorbeeld liet weten dat ze in ’De literaire kring’ niet in de laatste plaats bijval had willen geven aan de zogeheten chicklit, en dat is natuurlijk niet het soort maatschappelijke betrokkenheid dat Vaessens voor ogen staat.

Zijn betoog lijkt me dan ook deels wishful thinking, die ik overigens kan meevoelen. Ik geloof dat de Nederlandse literatuur baat zou kunnen hebben bij een schrijver als Sartre. Alleen vereist dat niet in de eerste plaats een neus voor engagement (dat hebben ook slechte schrijvers) maar vooral een talent om daar een overtuigende vorm voor te vinden. Verder kun je je afvragen of de ’taak’ van de literator niet veeleer die van een indirect engagement is: ook zonder maatschappijbetrokken agenda kun je veranderingen bewerkstelligen. Zie Wolkers en Reve.

Niettemin getuigt ’De revanche van de roman’ van een gezonde onvrede met de altijd weer dreigende zelfsluiting van de literaire cultuur.

Overigens is die onvrede dunkt me niet in de laatste plaats ingegeven door een teleurstelling over de academische behandeling van literatuur, waar Vaessens als verse hoogleraar natuurlijk dagelijks mee te maken heeft. Ook daar strijden sinds jaar en dag twee richtingen om de macht, die van de aloude filologie, met haar aandacht voor het kunstwerk en zijn schepper, en die van de literatuursociologie die alles in een context plaatst en relativeert. En ook daarin zoekt Vaessens naar een derde weg: „Ik pleit dus voor een literatuurbeschouwing met een cultuurpolitieke agenda; een literatuurbeschouwing die zichzelf ten doel stelt de literaire cultuur te legitimeren in een tijd van afnemend soortelijk gewicht van de literatuur.”

Ik vind het een vroom streven. Jammer dat het, met name in het theoretisch gedeelte, nog altijd gepaard gaat met dat naargeestige literair-wetenschappelijke jargon van ’discours’, ’positie’, ’literair veld’ etcetera. Wat dat betreft moet Vaessens de sprong naar een groter publiek nog maken. Het jurylid Vaessens (van de Librisprijs 2009) heeft daar zo te zien minder moeite mee. De Librisjury stelde bij de bekendmaking van de nominaties onder meer vast ’dat de zogenaamde postmoderne roman uit het zicht is verdwenen’ en ’dat het ’literaire engagement’ terug is van weggeweest’. Het is wel duidelijk uit wiens koker dat komt.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel