Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Curaçao heeft nog steeds moeite met z'n slavenopstand

Home

HARO HIELKEMA

DEN HAAG - Curaçao viert vandaag géén nationale feestdag. Ook na twee honderd jaar is 17 augustus er nog steeds geen bijzondere datum. Historisch besef is bij Antillianen kennelijk niet erg diep geworteld, ook niet als het gaat om een van de belangrijkste momenten in de ontwikkeling van Curaçao.

De slavenopstand die in 1795, vandaag twee eeuwen geleden, uitbrak op plantage Knip, en die zich als een vlek over het eiland verspreidde, is nog altijd een teer onderwerp. Geen officiële kranslegging, geen nationaal monument, geen boulevard om de leider van de opstand Tula te eren. In Venezuela struikel je over de 'Simons', de kinderen die vernoemd zijn naar de grote vrijheidsheld Simon Bolivar. Maar op Curaçao zal geen ouder zijn kind Tula noemen, of de andere rebellenleider Bashan Karpata.

Van Peter Stuyvesant, de Nederlander die als eerste gouverneur van de Westindische Compagnie het eiland koloniseerde en er een perfect station voor de slavenhandel van maakte, staat een stoer standbeeld in Willemstad en heeft een van Curaçaos grootste scholen de naam gekregen. Tula is alleen vernoemd in een paar achteraf-straatjes. En 'het obeliskje van 1 meter 20' dat de overheid enige decennia geleden als herinnering aan de opstand liet oprichten, is volgens Ronnie Capriles Martina 'ook geen gezicht'.

Ook na twee honderd jaar is Curaçao nog steeds niet klaar om Tula en zijn opstand de erkenning te geven die zij verdienen, vindt de woordvoerder van de gevolmachtigde minister van de Antillen in Nederland. Terwijl het wat hem betreft om een 'heldendaad' ging, waarvoor Tula en anderen achteraf op een 'godsgruwelijke wijze' terechtgesteld zijn.

Tula was een zwarte slaaf op Knip, een plantage in het westen van Curaçao. Op de ochtend van 17 augustus 1795 weigerde hij met zo'n veertig andere slaven aan het werk te gaan, uit onvrede over hun behandeling. De planter verwees Tula door naar de directeur van de Compagnie. Daarop vertrokken de opstandigen naar andere plantages, bevrijdden daar slaven die opgesloten zaten en maakten wapens buit op fort St. Kruis.

Zo'n duizend man trok zo over het eiland, met een spoor van vernielingen. Pogingen van een pater om de gemoederen te sussen mislukten en uiteindelijk werd de opstand hardhandig door de overheid neergeslagen. Drie blanken en zeker honderd slaven vonden de dood. De leiders van de rebellie werden ter dood gebracht: Tula werd levend geradbraakt, in het gezicht geblakerd en met een bijl onthoofd, Karpata moest bij die terechtstelling toekijken om hetzelfde lot te ondergaan. Hun hoofden werden op een rad te kijk gezet, de lichamen in zee gegooid.

Onder langdurige geseling en andere mishandelingen had Tula bekend dat hij zich had laten inspireren door de Franse revolutie en de bevrijding van de slaven op Haïti. Ook op Curaçao moest de slavernij afgeschaft worden, vond hij en daartoe diende er een einde te komen aan de blanke overheersing. Na Tula's dood kregen de planters opdracht hun personeel beter te behandelen; zo kwamen er voorschriften voor een maximale werktijd en een minimale verstrekking van voesel en kleding. Maar het zou nog tot 1863 duren, voordat Nederland de slavernij afschafte (vele jaren na Engeland en Frankrijk).

De opstand van 1795 is pas recent aan serieus onderzoek onderworpen. In Nederland is steeds een heel negatief beeld geschetst, Tula en Karpata waren boeven en moordenaars. Maar dat gold ook op Curaçao. “Hun namen en daden waren in mijn schooltijd taboe”, zegt Ronnie Martina (62). “Ik leerde alles over de Tachtigjarige Oorlog, de Bartholomeüsnacht en de 'helden' Tromp en Stuyvesant. Maar van Tula wist ik niks, dat hoorde ik buiten school. En als er over hem gesproken werd, ging het over 'die schurk'. Te lang is ons ingeprent dat er op 17 augustus niets te vieren viel, dat het maar om een paar opstandige slaven ging die niet eens gesteund werden door anderen.”

Vijfentwintig jaar geleden maakte een Nederlandse beeldhouwster een standbeeld van Tula, vertelt Martina: “Een mooie, naakte, jonge neger die fier opkijkt en de ketenen aan zijn polsen van elkaar rukt. Er kwam een storm van protest, het beeld werd afgekraakt, de symboliek werd nauwelijks begrepen. We moesten de tijd van de slavernij nu maar eens vergeten, zeiden Antillianen - dezelfde figuren die in Nederland met verve Leidens ontzet vieren, inclusief haring en witte brood, hutspot met klapstuk en soms nog druiven toe. Tula was een zwarte, werd met nadruk gezegd: daar kon lang niet iedereen op het eiland, met name blanken, zich mee vereenzelvigen. Alsof ze in Amerika geen nationale Martin Luther King-dag hebben. Tula zou ook een 'schurk' zijn in plaats van een vrijheidsstrijder. Laten we het daar niet over hebben. De meeste helden uit de geschiedenis zijn door hun tegenstanders als schurken bestempeld. Kijk maar naar Bolivar of Mandela. En de laatste drogreden van verontwaardiging was: hoe durf je op het eiland een 'naakt' neer te zetten.”

Het Tula-beeld kreeg geen plaats op Curaçao, de maakster nam het mee naar Nederland en het staat nu ergens vergeten in Winschoten. Martina: “Ik zit helemaal niet op een beeld van Tula te wachten, in deze tijd is persoonsverheerlijking uit den boze. Op de Antillen word je al doodgegooid met borstbeelden en plaquettes en Man of the Year-programma's. Ik ben ook niet voor een nationale vrije dag, dat kunnen we ons gezien onze economische toestand niet permitteren: we hèbben al zoveel vrije dagen. Maar ik wil wel een mooi architectonisch gedenkteken, sober maar kunst, waarin alle mensen die zich sinds 1795 hebben ingezet voor de emancipatie en de afschaffing van de slavernij worden geëerd.”

Het gaat Martina niet om wrok over het neerslaan van de opstand of over de wreedheden, maar om de geschiedenis van verreweg de meeste Curaçaoënaars. “Heel veel mensen hebben hun Afrikaanse afkomst willen verloochenen, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk onze 'meesters' na te boetseren: met sterke chemicaliën proberen je haar te ontkroezen, je huid met allerlei crèmes te bleken en zo meer. En nog steeds is er veel schaamte onder Antillianen dat ze afstammen van slaven. Zwart zijn is geen pré. Pas toen Antilliaanse jongeren in Nederland gingen studeren, is er sprake van een gevoel van trots en bewustwording. Het zou goed zijn als we meer aandacht zouden geven aan onze Afro-Antilliaanse achtergrond. Dat is een stuk geschiedenis die wij hebben overgeslagen.”

Deel dit artikel