Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Collaboratie Tweede-Wereldoorlog / Heulen met de vijand

Home

door Jan Bezemer

In een kast op het ministerie van justitie stond nog zo'n 1,6 meter archiefmateriaal. De jurist Joggle Meihuizen dook er in en ontdekte dat er gevoelig materiaal was achtergehouden. Het bedrijfsleven werkte op grote schaal samen met de Duitse bezetter. En na de oorlog leek er geen haan naar te kraaien, de elite hield elkaar de hand boven het hoofd. Meihuizen schreef er een dik boek over.

,,Waarom zijn mijn zestig verzetsvrienden doodgeschoten, vermoord, gemarteld, of voor hun leven invalide?'' Rechercheur G.J. van de Waal, die in de Tweede Wereldoorlog bekend stond onder de naam Mees, is nog steeds verbitterd. Hij heeft van nabij en met eigen ogen gezien hoe er na de oorlog geen berechting was van een collaborerende elite. Hij zag hoe het 'wij-circuit' van hoge ambtenaren en vooraanstaande industriëlen, dat onmiddellijk en zelfs met enige gretigheid de Duitsers wapens, uniformen en bunkers leverde, destijds de dans ontsprong. Een poging van rechercheur Van de Waal om als klokkenluider alles naar buiten te brengen mislukt en hij wordt als incompetent terzijde geschoven.

Het is een van de vele voorbeelden hoe direct na de oorlog, 'van binnenuit' de rechtsgang wordt tegengewerkt en de 'economische collaboratie' wordt vergoeilijkt en ontzien. En in sommige gevallen uiterst willekeurig berecht.

De voorbeelden zijn te vinden in het boek: 'Noodzakelijk Kwaad' van de jurist Joggli Meihuizen, over de bestraffing van de economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Een dik boekwerk van 850 bladzijden dat korte metten maakt met de tot op heden aangehangen vooronderstelling dat bij die berechting geen sprake is geweest van klassejustitie. Meihuizen toont in zijn promotie aan, dat de berechting uiterst willekeurig was, dat de elite werd ontzien, terwijl de bakker en de groenteboer die aan de Duitsers leverden, forse straffen kregen. Nederland was gezagsgetrouw en, 'Meneer de directeur arresteren deed men niet zomaar'.

Meihuizen signaleert dat in de lente van 1944 meer dan 40 procent van de industrie voor de Duitsers werkt. Na de oorlog worden 30.000 dossiers van collaboratie opgemaakt, waarvan 20.000 nooit in behandeling zijn genomen. ,,Dit wettigt de stelling dat de mislukking van de bestraffing van economische collaboratie bewust is bewerkstelligd.''

Ook collega rechercheurs van Van de Waal konden op forse tegenwerking rekenen. Zo werd de voorganger van Van de Waal, onderzoeker Van Gool al eerder in discrediet gebracht. Hij zou bereid zijn geweest voor geld dossiers van verdachten te vernietigen. Hij bleek onschuldig. Verdachte collaborateurs die zijn doortastende aanpak vreesden hebben hem valselijk beschuldigd, en kregen daarbij ruime steun van het Utrechts Nieuwsblad. Van Gool is in ere hersteld, maar volgens Meihuizen staat vast dat met de arrestatie van Van Gool het onderzoek naar collaboratie van onder meer Werkspoor om zeep is geholpen.

De gang van zaken rond Werkspoor is een toonbeeld van de naoorlogse rechtspraak. Werkspoor was in die tijd de grootste machinefabriek van Nederland. Het bedrijf, maar vooral de directeur van Werkspoor ir.M.H.Dammesr. zouden naar de verwachting van het Openbaar Ministerie 'zonder beinvloeding van buitenaf, met aan zekerheid grenzenden waarschijnlijkheid zijn veroordeeld'. Damme sr. is echter in 1949 'geclausureerd en onvoorwaardelijk' buiten vervolging gesteld.

Meihuizen: 'In de zaak Werkspoor zijn belangrijke maatschappelijke krachten achter de schermen actief geweest om de rechtsgang te beinvloeden.' Dat kwam ondermeer omdat Damme sr. een vooraanstaand lid was van het 'wij circuit': Hij was voorzitter van de Stichting van de Arbeid, commissaris van de Nederlandsche Bank en bevriend met de socialistische premier Willem Drees, met de liberale politicus en werkgeversvoorzitter mr. D. U. Stikker en kwam bij prins Bernhard over de vloer.

Bovendien was Werkspoor in de race om voor 200 miljoen gulden aan spoorwegmaterieel aan Argentinië te leveren. In die tijd een mega-order, die zeer van belang werd geacht voor de wederopbouw van ons land. En daarmee had het kabinet Drees een belangrijk argument in handen om Damme sr., zoals zoveel andere vooraanstaande industriëlen, te ontzien. Het land moest weer opgebouwd worden en de industrie, die de oorlog zo goed had doorstaan, was daarbij broodnodig. Meihuizen noemt dat 'opportunisme in dienst van de wederopbouw'

Dat de megaorder binnengehaald moest worden blijkt wel uit het feit dat Werkspoor gesanctioneerd 30 miljoen gulden aan steekpenningen mocht betalen aan dictator Juan Peron. Prins Bernhard mocht in 1951 aan Evita Peron het Grootkruis in de Orde van Oranje Nassau uitreiken. Het idee was van diezelfde Stikker, in zijn functie als minister van buitenlandse zaken, onder het motto, 'het kost zo weinig en het geeft zoveel genoegen'. Bovendien had prins Bernhard voor Evita Peron 'een paarlen collier' ter waarde van dertigduizend gulden meegekregen.

De overheersende gedachte van de wederopbouw en de noodzaak om het bedrijfsleven niet teveel voor de voeten te lopen heeft tot een stroom aan 'demarches' (beïnvloeding van de rechtsgang) geleid door achtereenvolgende ministers van justitie, die daarbij werden geholpen door bevriende 'captains of industry'. Een centrale figuur in dit spel was mr.dr.JDonner, president van de Hoge Raad en voorzitter van de Centrale Zuiveringsraad voor het bedrijfsleven. De invloedrijke jurist was als geen ander van mening dat Nederland 'vooruit moest zien en niet terugkijken'.

Mr. Donner zag ook goed dat collaboratie zo algemeen was geweest, dat strikte berechting een gigantische slachting zou opleveren. Meihuizen stelt echter ook vast dat Donner 'volkomen tot het wij-circuit behoorde' en tijdens de oorlog nog lang op zijn post bij de Hoge Raad is gebleven. De vraag voor Donner is dan ook 'Wie heeft er werkelijk schone handen?' en hij stelt alles in het werk om de bijzondere rechtspleging zo snel mogelijk te beëindigen.

Bij de naoorlogse berechting en zuivering heeft de houding van de overheid in de oorlog een grote rol gespeeld. Werkgevers in de metaalindustrie, scheepswerven als Gusto en De Schelde, zijn met enige gretigheid voor de Duitsers gaan werken, maar de vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid in bezettingstijd, de hoogste ambtenaren op de ministeries, hebben die metaalwerkgevers en later de textielindustrie en de bouwnijverheid een vrijbrief gegeven om met de Duitsers in zee te gaan. De metaalwerkgevers zochten en kregen steun van mensen als H.M. Hirschfeld, secretaris-generaal van het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart.

Een doortastende aanpak van de collaboratie zou grote gevolgen moeten hebben voor de rijksoverheid zelf. Maar Hirschfeld en zijn collega's gingen vrijuit en 'daarin kwam tot uiting', zo schrijft Meihuizen, dat 'de overheid de trap niet van bovenaf wenste schoon te vegen.' Niet voor niets claimen de werkgevers in hun verweer na de oorlog een soortgelijke coulante behandeling als de ambtelijke top van de overheid.

Tekenend voor de sfeer in de naoorlogse jaren is het verhoor in 1947 van de 68-jarige D.CEndertjr., door de voorzitter van de Groningse kamer van de zuiveringsraad, mr A.J.Sauer. Endert, topman van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, stond politiek als 'goed' bekend en werd niet vervolgd voor collaboratie. In die rol houdt Endert, net als zijn collega's Stikker en Frits Philips een soort kruistocht voor ondernemers die in het nauw dreigen te raken.

Endert haalt voor zijn verdediging woorden van koningin Wilhelmina aan, die in mei 1940 in Londen zei (in de woorden van Endert), 'Dat we rustig moeten blijven en doorwerken'.

Voorzitter: ,,Het uitvoeren van opdrachten voor de Duitse Wehrmacht is iets anders dan rustig blijven.''

Endert: ,,Inderdaad, maar we hadden zeer grote moeilijkheden.(.........) Ik zie het nog als een force majeur.

Voorzitter: ,,Als u het moest overdoen, zou u dan weer zeggen het is force majeur?''

Endert: ,,Ja, Absoluut!''

Voorzitter: ,,Zou u nu weer zeggen, dat het force majeur is en bent u nu nog steeds van mening, dat de handelwijze, die u gevolgd hebt de juiste is geweest, ondanks het feit, dat uitvoeren van Duitse opdrachten verboden was; dit is mij volkomen onduidelijk en dit kan toch niet in overeenstemming zijn met Uw inslag!''

Endert: ,,Meneer de President, ik heb nooit getwijfeld aan H.M. de Koningin en ik blijf erbij dat we de enig juiste weg bewandeld hebben; dit heeft er wel degelijk iets mee te maken en dit komt wel degelijk door mijn instelling. Het is absoluut de enige mogelijkheid geweest om onze menschen te houden en ik heb het ook openlijk in mijn jaarverslag vermeld.(....) Meneer de President, wij zijn op onze posten gebleven. Als je dat allemaal en nog meer hebt meegemaakt en als er dan nog na de bevrijding menschen zijn, die meenen en zeggen, dat je niet genoeg gedaan hebt, dan voel je wel even heel veel! (de heer Endert is zeer bewogen).''

Voorzitter: ,,Het spijt me mijnheer Endert, maar het is niet mijn bedoeling geweest u te kwetsen.''

Meihuizen werpt nieuw licht op de vervolging van economische collaboratie. Hij is daar zeer bij geholpen door de vondst van 1,6 meter ingedikt archiefmateriaal, dat bij het ministerie van justitie in een kast bleek te staan. ,,Bij mijn bronnenonderzoek stuitte ik steeds op hiaten. Er waren duidelijk dingen weggelaten. Bij navraag op justitie vertelde de archivaris dat gevoelig materiaal was achtergehouden en niet met de rest was overgedragen aan de Rijksdienst voor Oorlogsdocumentatie. Het achtergehouden archief bood bewijzen en aanknopingspunten voor betrokkenheid van de overheid en demarches van de elite om vervolging van collaboratie te voorkomen of te traineren.

De studie van de Amsterdamse hoogleraar prof. mr. A.D.Belinfante was toonaangevend als het om de bijzondere rechtspleging gaat. In het werk 'In plaats van bijltjesdag' stelt hij dat er geen sprake is geweest van klassejustitie. Meihuizen toont mede op basis van het achtergebleven archief het tegendeel aan. Meihuizen verwondert zich erover dat Belinfante die wel wist van de kast op justitie, daar verder niets mee heeft gedaan. 'Dat is toch raar om daar volstrekt langsheen te kijken?'.

Niet alleen papieren bronnen hebben Meihuizen veel inzicht verschaft, ook interviews met betrokkenen hebben veel opgehelderd en toegevoegd. ,,Kennelijk waren sommigen bereid om, soms letterlijk met de dood voor ogen, nog eens goed de waarheid te vertellen.''

Zo vertelde Donner hem dat hij 'geheel in zijn eentje, in drie weken tijd Den Hollander had gezuiverd.' Toen Stikker deze passage over zijn vriend Den Hollander onder ogen kwam heeft hij Meihuizen dringend verzocht deze tekst te schrappen en nooit weer te gebruiken. Kennelijk wilde hij niet dat de indruk ontstond dat de omstreden Den Hollander, directeur van het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen, dat munitie voor de Duitsers maakte, ten onrechte was gezuiverd. Een kwart eeuw geleden lag dat allemaal nog zeer gevoelig. 'Ik denk dan ook dat dit boek 25 jaar geleden niet had kunnen verschijnen. Of het had tenminste een explosie van processen opgeleverd.'

Meihuizen stuit bij zijn ontleding van het verleden op ontluisterende feiten, die een harder oordeel over collaboratie en de berechting daarvan rechtvaardigen. Maar zijn boek geeft een goed beeld van de spanning en de dilemma's die de bezetting en 'het op je post blijven' opleverden. Meihuizen: ,,Toegegeven er was maar een manier om aan collaboratie te ontkomen en dat was massaal zelfmoord plegen. Massaal de zee in lopen.''

Noodzakelijk Kwaad; De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog.

Joggli Meihuizen. Uitgeverij Boom. 45 euro.

Deel dit artikel