Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Carel Beke 1913-2007

Home

Esther Hageman

Schrijven was voor Carel Beke, maker van de kinderboekenserie ’Pim Pandoer’, lang net zoiets als ademen. Maar opeens had hij er genoeg van.

Zijn vader wilde dat hij ook steenhouwer werd, net als hij. Maar daar voelde Carel Beke niet voor. Hij ging in 1928 toelatingsexamen doen op de bisschoppelijke kweekschool in Beverwijk, kreeg er sommen als „Een jongen moest een breuk vereenvoudigen. Hij kreeg 5/9 en had 5/6 moeten krijgen, omdat hij de teller 10 te klein nam. Welke was de onvereenvoudigde breuk?” en slaagde.

Maar eenmaal binnen vond hij het er eigenlijk niet leuk. Al op de eerste dag maakte hij een kalender die vier jaar besloeg. Daarop vinkte hij elke schooldag af. Van kindsbeen af hield hij een dagboek bij, in zijn kweekschooljaren deels in een zelfgemaakt geheimschrift. „Mie haibe pleef öl graith rathir”, noteerde hij in 1929. Zestig jaar later krabbelde hij daar naast: „Ik kan hier nu absoluut niets meer van lezen.”

Zijn moeder had tbc gekregen toen Carel en zijn broer nog klein waren. Nog voor zijn vierde kon hij schrijven en stuurde hij zijn moeder in het sanatorium briefkaarten, geadresseerd ’Aan mijn lieve moessie’. Ze overleed toen hij vijf was. Dat verlies is hij altijd blijven voelen. Zijn vader hertrouwde en kreeg met zijn tweede echtgenote nog twee dochters en een zoon. Maar Carel Beke hechtte zich niet zo aan dat gezin.

Onderwijzer zijn, op de Aloysiusschool in Schagen, beviel hem beter dan de kweekschool. In het culturele leven van Schagen werd hij een belangrijke motor. Tweemaal per jaar gaf zijn school een uitvoering die hij in zijn eentje droeg. Hij componeerde de muziek, hij maakte de decors, hij studeerde de liederen in met de kinderen (de ’Schager Krekeltjes’). Op de kweekschool had hij muziek leren noteren en hij schreef het ene lied na het andere. Al voor hij piano kon spelen – van zijn eerstverdiende geld kocht hij een Perzina-piano, want die had zulke mooie bassen – schreef hij er stukken voor.

Op de verjaardag van een collega ontmoette hij Mia, die in een manufacturenwinkel werkte. Hij adoreerde haar. Ze trouwden in 1936 en kregen tussen 1937 en 1959 zeven kinderen: vijf dochters, twee zoons. Maar als hij meer wilde verdienen moest het uit zijn met zijn gratis bijdragen aan de Schager cultuur. Dan moesten er aktes gehaald worden – hoofdonderwijzer, Duits, Frans – want alleen zo kon je in het onderwijs meer verdienen. In 1944 had hij ze op zak. Ze verhuisden, helemaal naar Arnhem. Daar ging Carel Beke werken op de Bonifatius-ulo.

Ze woonden er net, toen de complete stadsbevolking eind september naar de Veluwe werd geëvacueerd vanwege de slag om Arnhem. De Bekes belandden in Putten. Het was de enige keer in zijn leven dat Carel Beke ziek werd. Zo ziek, dat de Duitsers hem in bed lieten liggen toen ze in oktober de mannelijke bevolking van het dorp afvoerden – een represaille, na een aanslag van het verzet. Slechts een handvol mannen zou het overleven. Later schreef Beke in zijn dagboek dat het eigenlijk een schandaal was, hoe hij in die tijd petroleum verkwistte door bij dat licht zijn dagboek bij te werken. Maar in die jaren was schrijven voor Carel Beke zoiets als ademen: vanaf het moment dat hij het kon, moest hij het doen.

Met kinderboeken en -verhalen schrijven was hij al in zijn Schager jaren begonnen – alleen was er nog niets gepubliceerd. Dat gebeurde voor het eerst in 1947, toen een boek uitkwam dat hij al in 1940 schreef: ’De avonturen van Niekie Niemand’.

Het was het begin van een gestage stroom. Beke was productief. Na elke avondmaaltijd schoof hij het tafelkleed weg, reikte opzij naar de schrijfmachine, zette die op tafel en begon in een hoog tempo te tikken, zonder fouten of doorhalingen – zijn manuscripten zagen er ’schoon’ uit. Naast zo’n honderd kinderboeken heeft Beke talloze korte kinderverhalen geschreven – zo’n 1500, schat een zoon. Die leverde hij aan jeugdbladen: de Taptoe, de Engelbewaarder, De Verkenner, Roomse Jeugd. Vooral de Donald Duck betaalde goed. Zijn eigen kinderen lazen mee en maanden hem wel eens om een verhaal af te krijgen: „Schiet op pa, het wordt nu spannend.”

Als schrijver verdiende Carel Beke zoetjesaan meer dan als leraar Frans en Duits, vooral toen vanaf 1953 de Pim Pandoer-serie begon te lopen. Pim Pandoer is een soort James Bond voor jarenvijftig-tieners, maar dan met standplaats Arnhem. Maar Pandoer begon in boek 1 als een schurk die opium smokkelt. Hij is het alter ego van Fer Donkers (19), een Delftse student ’techniek en chemie’ die wraak wil nemen omdat zijn ouders en broers in een concentratiekamp vermoord zijn „alleen, omdat je vader heel in de verte van Joodse afkomst is”. Pim Pandoer wil „terugnemen wat de wereld mij afgenomen heeft. Hoe dan ook, dat doet er niet toe.”

Maar de schurk wordt ontmaskerd door Koos en Jenny Menning, een tweeling van veertien. Vanaf deel 2 is Pim Pandoer (nu afgestudeerd; hij werkt bij de Kema) veranderd in een held. Zijn zelfgebouwde duikboot is in deel 1 total loss geraakt, maar nu werkt Pandoer aan een amfibievoertuig – want de Pandoer-boeken knipoogden naar de moderne techniek. „Ik heb hersteld wat ik vroeger verkeerd deed. En dat is me heel wat waard”, sprak de voormalige drugshandelaar nu. Samen met Koos en Jenny rolt hij de ene keer een clandestien geldtransport op (Pim Pandoer in het web van de Rode Spin, 1954) en ontmaskert hij een andere keer juwelendieven (Pim Pandoer zet Parijs op stelten, 1956).

Tussen 1953 en 1969 schreef Beke bijna jaarlijks een verse Pim Pandoer – naast de andere kinderboeken die hij schreef, van een informatief werk, zoals ’Ruimtevaart’, tot meisjesboeken en leesboekjes voor de, al dan niet katholieke, lagere school. De Pandoers werden tot halverwege de jaren tachtig een paar maal herdrukt. Daarna niet meer. „Sommige jeugdboek-series – zoals de Kameleon – zijn blijvertjes en overleven generaties, andere sterven na jaren een stille dood. De Pim Pandoer-reeks van Carel Beeke is zo’n verliezer”, schreef jeugdboekenspecialist Berry Dongelmans een paar jaar terug.

Maar jaren voordat Pim Pandoer het in de verkoop niet langer goed deed, had Carel Beke in 1969 zelf zijn pen al neergelegd – zoals hij ook lange tijd geen piano meer aanraakte. Wat er is gebeurd, daarover verschillen de lezingen. Beke zelf – hij had een hekel aan interviews – zei er in een schaars interview in 2003 met De Gelderlander over: „Ik wist niet meer wat ik Pim Pandoer moest laten beleven.” Maar Beke’s zoon gelooft niet dat dat waar is. Voor scholieren die aanbelden omdat ze een werkstuk over Pim Pandoer wilden maken, lag een A4’tje klaar, waarop Beke alvast antwoord gaf op de onvermijdelijke vraag of hij nog boeken schreef. „Voorlopig niet”, had hij eerst opgetikt. Maar later streepte hij dat door en schreef er in handschrift bij: „Nee, niet meer.” De vraag waarom, die bleef op het A4’tje achterwege. Carel Beke beperkte zich verder tot zijn dagboek, vriendschappen die zich per brief afspeelden – hij ging nooit uit en ontving nooit bezoek – en gedichten, waarin hij zijn sombere, soms cynische kant liet zien.

Verzamelaar Eelco Walraven (1969) liet begin deze eeuw zijn zucht om alles van Pandoer compleet te hebben vergezeld gaan van een website. Hij meent een andere verklaring te hebben voor Beke’s einde als schrijver. In het archief van uitgever Malmberg kwam hij een boze brief van Beke tegen: hij had zijn boeken bij V & D in de ramsj zien liggen, wist van niks, en was er zeer verbolgen over. Later vroeg Walraven, journalist, Beke telefonisch om een interview. Hij weigerde en liet in dat gesprek merken dat hij niet met plezier terugkeek op zijn schrijversjaren. Walraven: „Hij zag ze als een jeugdzonde.” Over de Pandoer-verfilming, in 1975, was Beke zo weinig te spreken dat hij Joop van den Ende later nee verkocht toen die er voor RTL een tv-serie van wilde maken.

Veel Pim Pandoer-boeken spelen er, maar eigenlijk hebben Carel Beke en zijn vrouw het in Arnhem nooit echt naar hun zin gekregen. Toen hij met pensioen was, speelden ze met het idee terug te keren naar Noord-Holland. Ze keken vaak uit naar een huis daar, maar hebben de stap toch nooit gezet. Mia, die vaak ziek was, overleed in 1991. Na haar dood schreef Carel haar in een bloknoot brieven. ’Aan Mia, adres onbekend’, stond op de kaft.

Maar zoetjesaan werd Beke toch iets minder naar binnen gekeerd en op zichzelf. Had hij aanvankelijk helemaal niet zo’n zin om bij z’n kinderen te gaan eten, gaandeweg deed hij het wekelijks - de ene dag bij de een, de andere bij de ander. Hij had niet veel op met de hoge ouderdom. Als je een Mercedes bent geweest, wil je geen Lelijke Eend worden, zei hij dan. Zijn laatste anderhalf jaar bracht hij door in een verpleeghuis, na een beroerte. De laatste maanden, bedlegerig, maakte zijn rechterhand nog altijd schrijfbewegingen.

Vroeger verzon hij grafschriften voor zichzelf. Wat hem betreft mocht op zijn zerk wel staan: ’Carel Beke. Uitgekeken.’ Maar er is geen zerk. Carel Beke werd gecremeerd.

Carel Beke werd op 29 september 1913 in Alkmaar geboren. Hij overleed op 27 december 2007 in Velp.

Deel dit artikel