Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Cabaretier George van Houts: 'Ik ben meer dan de zielige man die te vroeg zijn vrouw verloor'

Home

Arjan Visser

© Mark Kohn
tien geboden

In de serie 'tien geboden' interviewt Arjan Visser bekende en minder bekende Nederlanders aan de hand van de Bijbelse tien geboden over hun leven, wereldbeeld en religie. Deze week: cabaretier George van Houts.

George van Houts (Zaandam, 1958) ontwikkelde in 2012 samen met Tom de Ket, het idee om als ‘De Verleiders’ maatschappelijk gevoelige thema’s in theatervoorstellingen te verwerken. Voor het thema ‘complottheorieën’ was bij de mede-Verleiders weinig animo. Vandaar een solo-voorstelling: ‘Kom Plot’, tot 31 mei in diverse theaters te zien.

Lees verder na de advertentie

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ik begrijp wel dat je een houvast nodig hebt, een altaartje om bij te bidden of je zonden te overdenken, maar het gaat natuurlijk helemaal mis als je gaat geloven in een God die door instituten is bedacht. Godsdienst is het ware kwaad. Godsdienst gaat over macht en onderdrukking. Ik zou de wereldreligies dolgraag in een voorstelling aan willen pakken, maar niet zoals Richard Dawkins die met zijn strijd tegen het geloof weer een nieuw dogma heeft gecreëerd. Ik ben een humanist. Uiteindelijk kijk ik vooral met mededogen naar mijn gelovige medemensen.”

Provocatie is goed, zolang het over kwesties gaat; je moet er niet op uit zijn om iemand kapot te maken

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Voor Mammon moet ik oppassen; om de zoveel tijd spreek ik mezelf toe en zeg dat het leven niet alleen maar draait om geld verdienen. O, en ik ben wel een trouw dienaar van koning alcohol. Ik drink een fles wijn per dag. Geen rode wijn, want dan kak ik in, maar witte, die me vrolijk houdt en tegelijkertijd voor een prettige verdoving zorgt. Alchohol geeft mijn hersens rust.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Provocatie is goed, zolang het over kwesties gaat; je moet er niet op uit zijn om iemand kapot te maken. Ik haat clowns, maar er is er één, Leo Bassi, die je als geen ander kan laten zien hoe makkelijk het is om misleid te worden. Aan het begin van de laatste voorstelling die ik van hem heb gezien, zei hij: ‘At the end of the evening, I can make you burn cars in the street’.

Zover kwam het niet, maar toen hij – naakt, met honing ingesmeerd en met veren beplakt – van de Kleine Komedie naar het Rembrandtplein marcheerde, werd hij door minstens tweehonderd bezoekers van de voorstelling gevolgd. Een lelijk, kaal, dik mannetje van zestig, een duivel, een derwisj, die je meesleurt in zijn gekte, gekker en gekker, tot je plotseling tot stilstand komt en denkt: waar ben ik in godsnaam mee bezig?”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Als ik geen deadline heb, doe ik niks. Diep van binnen ben ik lui.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn ouders hadden een slecht huwelijk. Er was veel kabaal in huis. Mijn vader was de onderliggende partij; hij werd gekleineerd en gekoeioneerd. Taferelen die in ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf?’ niet zouden mistaan. Zij was heel gemeen en hij sloot zich steeds meer af, waardoor zij er nog een schepje bovenop deed en hij zich verder terugtrok – het ging van kwaad naar erger. Toen ik eenmaal uit huis was, kwam er zelfs fysiek geweld aan te pas. Ze hadden nooit moeten trouwen. Het was een misverstand.

Mijn moeder zei vaak tegen mij dat ik nooit geboren had mogen worden

Ze hadden elkaar bij het amateurtoneel leren kennen. Mijn vader was tweeëndertig en woonde nog bij zijn ouders. Zijn moeder, mijn oma, was doof. Ze was een achterdochtige vrouw die voortdurend dacht dat de mensen over haar roddelden. Door die situatie thuis was mijn vader niet zo goed in het leggen van contacten; hij hield zich liever stil. Mijn moeder was de dochter van een rijke kaasboer. Haar broers en zussen hadden gestudeerd, maar toen haar vader in 1942 overleed, werd zij als zestienjarig meisje van school gehaald om in de huishouding te gaan werken. Ze is op haar drieëntwintigste min of meer gevlucht, samen met mijn vader. Ze dacht dat hij een kunstenaar was, maar hij bleek een reclametekenaar te zijn. Dat was, denk ik, haar eerste deceptie. Toch zijn de beginjaren van hun huwelijk goed geweest. Het ging pas mis toen het vierde kind werd geboren. Dat was ik. Mijn moeder zei vaak tegen mij dat ik nooit geboren had mogen worden. En dat gold ook voor het zusje dat na mij kwam. ‘Jullie belemmeren mij in mijn ontwikkeling als vrouw,’ zei ze dan.

Mijn vader stortte zich helemaal op zijn werk. Het lukte me nauwelijks om een beetje bij hem in de buurt te komen. Ik probeerde, toen ik wat ouder werd, op hem in te praten: ‘Geef dat wijf een schop! Trek de wijde wereld in!’ ‘Ah jongen,’ piepte hij dan, ‘dat gaat toch niet?’ Hij was altijd bang. Vond zichzelf ook veel te zwak. Op een dag – hij was inmiddels al 63 of 64, heb ik hem geregisseerd in een stuk van de Zaandamse toneelvereniging waarvan ze allebei nog lid waren. Toen ik mijn vader de rol van koning gaf, besloot mijn moeder uit nijd de club te verlaten. Zij was toch de actrice van hun tweeën? Zij had altijd mooie rollen, mijn vader speelde meestal de bediende. En dit keer was hij de koning. Hij kwam helemaal los, het was echt geweldig om te zien. Hij speelde een man die zich helemaal niets van zijn vrouw aantrok. Ik gaf hem de rol die ik hem in het echte leven zo had gegund.

Niet lang na zijn succes als mad king kreeg hij een aantal hersenbloedingen. Hij heeft nog drie jaar, levensmoe, in een verpleeghuis gelegen waar wij, de kinderen, om beurten langsgingen om hem uit bed te halen of er juist weer in te stoppen. Ook in die jaren was hij bang, dit keer voor de straf die hem te wachten stond, omdat hij zeker wist dat hij op z’n kop zou gaan krijgen voor de fouten die hij tijdens zijn leven had gemaakt. Een treurig einde.

Mijn moeder, die zijn gruwelijke lijdensweg van dichtbij had meegemaakt, nam zich voor om het lot in eigen hand te houden. Ik weet voor 95,5 procent zeker dat ze op haar tachtigste een einde aan haar leven heeft gemaakt. Alle kinderen waren in het land. De lichten in haar kamer waren aan, de deur was niet op slot. En het laatste wat ze, een paar dagen eerder, tegen me had gezegd was: ‘Wees niet bang, maar plotseling zal ik er niet meer zijn.’ Het was een goede beslissing. Heel dapper. Ik hoop dat ik tegen die tijd net zo sterk zal zijn.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Laatst was ik bij een geweldige theatervoorstelling: deel drie van ­‘George en Eran lossen de wereldvrede op’. ­George komt uit Syrië en Eran uit Israël. Ze hebben elkaar op de Toneelschool leren kennen en werken al vijf jaar aan dit project. Op een zeker moment stelden ze vragen aan het publiek. Wat zou u over hebben voor de wereldvrede? Een pink? Een jaarsalaris? Er gingen steeds wel een paar handen omhoog, maar toen ze vroegen wie er bereid was een moord te plegen voor de wereldvrede, bleek ik de enige vrijwilliger te zijn. Het was een filosofische vraag, een denkexperiment. Ik stelde me voor hoe ik, door een hitleriaanse verschijning uit de weg te ruimen, miljoenen levens zou kunnen redden. En als het kwaad er mooi en onschuldig uitziet zeg je? O ja... Nu maak je het me lastig. Mag ik daar nog iets langer over nadenken?”

Ik had zoveel narigheid gezien vroeger, thuis, dat ik iemand was geworden die altijd de lieve vrede wilde bewaren

VII Gij zult niet echtbreken

“Van mijn zesentwintigste tot mijn dertigste heb ik mezelf enorm beklaagd: ik zou nooit een geschikte partner vinden, ik zou eenzaam en alleen aan drank en drugs ten onder gaan. Tijdens een zeiltocht in de Caribische zee – dat is een verhaal apart – ben ik tot inkeer gekomen. Ik hanteer sindsdien een nieuwe leefregel: je accepteert de dingen zoals ze zijn, en als je dat niet kan, moet je er iets aan doen. Ik ontmoette Leonoor. Maar over haar wil ik, eigenlijk om diezelfde reden, in het openbaar niet meer praten. Ik heb tijdens haar ziekte en na haar dood, in 2013, een taboe willen doorbreken door er wél over te praten, maar inmiddels is voor iedereen beter als we die geschiedenis laten rusten. Bovendien wil ik door; ik ben meer dan de zielige man die te vroeg zijn vrouw verloor. Ik ben al weer een paar jaar gelukkig met Annedien, mijn nieuwe vrouw, en haar twee kinderen, mijn cadeaukinderen. Ze leert me nieuwe dingen, zoals ruzie maken. Ik had zoveel narigheid gezien vroeger, thuis, dat ik iemand was geworden die altijd de lieve vrede wilde bewaren. Maar als er een gezond conflict is, als je gelijkwaardig bent, is het helemaal niet erg om een keer een gevecht aan te gaan. Ze daagt me uit. Ik durf me te laten raken. En we bouwen onze geschiedenis samen verder op.”

VIII Gij zult niet stelen

“Voor deel 1 van ‘De Verleiders’ (‘De casanova’s van de vastgoedfraude’, voor het eerst te zien in 2012, met Tom de Ket, Victor Löw, Pierre Bokma en Leopold Witte - A.V.) ging ik rechtszaken volgen met het voornemen om de witte boorden-criminelen in het theater aan de schandpaal nagelen. Na zestig zittingsdagen draaide ik echter honderdtachtig graden om. De mensen die daar voor de rechter stonden, hadden helemaal niet het gevoel dat ze zich aan diefstal schuldig hadden gemaakt; ze deden gewoon mee aan het kapitalistische spel van de handel. Als ik iets wat een tientje waard is voor vijftien euro aan jou verkoop, heb ik in wezen vijf euro gestolen, maar in de zakenwereld word je met zo’n slimme actie hartelijk gefeliciteerd.

Het grappige is: als je niet weet dat je wordt bestolen, is er van diefstal nog geen sprake. We worden elke dag door de banken bestolen, terwijl we dénken dat ze ons een dienst bewijzen. Ze lenen ons geld dat in eerste instantie helemaal niet bestaat, maar wat we wel met rente in zoveel jaar moeten terugbetalen: geldcreatie. Het is een vorm van diefstal die al tweehonderd jaar bestaat, maar niet als zodanig wordt gezien en ook niet strafbaar is omdat een dader zich van zijn misdaad bewust moet zijn. Ik ben geen zedenprediker, maar ik werk wel graag aan een bewustwordingsproces mee. In 2015 is het onderwerp mede dankzij ‘De Verleiders’, via een burgerinitiatief op de politieke agenda terecht gekomen. We wachten al een tijdje op het eindrapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. De zaak wordt enorm getraineerd, maar het goede nieuws – ik heb al een paar hoofdstukken mogen lezen – is dat de zorgen over ons geldstelsel wel degelijk heel serieus worden genomen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Sinds ik met ‘De Verleiders’ ben begonnen is mijn achterdocht, op een vrolijke manier, toegenomen. Eerlijk gezegd vermaak ik me wel met de wanhopige, struikelende mens. Het is al eeuwenlang hetzelfde liedje: we bedriegen en we worden bedrogen. In mijn voorstelling ‘Kom Plot’ probeer ik de geesten te openen voor de mogelijkheid dat er wel eens iets anders op 9/11 gebeurd kan zijn dan wat nog altijd de officiële lezing is. Ik wil niet beweren dat het een inside job was, maar waarom is die gedachte alleen al een reden om voor gek te worden verklaard? Hoe komt het dat er nog steeds geen internationaal gerechtelijk onderzoek is geweest? Waarom is er nog altijd niemand aangeklaagd? Er zijn talloze voorbeelden in de geschiedenis van de krijgskunst waarbij burgers worden geofferd om een oorlog te kunnen winnen. De aanslag op Pearl Harbour – om er maar één te noemen – kwam niet onverwacht. Het Amerikaanse volk wilde niet in die Tweede Wereldoorlog worden meegezogen, maar het militair industrieel complex en de banken geloofden juist dat het goed was om wél mee te doen. Ze hadden een cataclysmic event nodig: de aanval van de Japanners kwam als geroepen.

Ik heb veel van mijn angsten overwonnen. Ik was laatst nog bij de tandarts en bang voor de dood ben ik nooit geweest

In 1998 werd er door Newcons zoals Donald Rumsfeld en consorten, een beleidsstuk geschreven dat ‘The Project For A New American Century’ heet. Kort samengevat komt hun verhaal hier op neer: de Westerse wereld is sinds het ineenstorten van het communisme enorm aan het verslappen en heeft een nieuwe vijand nodig. Zonder tegenkracht is de mens verloren. En wat doe je als je geen vijand meer hebt? Juist. Dan moet je er zelf een maken.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ik heb een tijdje aan de Vecht gewoond. Daar zag ik de hele dag boten voorbijkomen en weet je wat me opviel? Hoe groter de boot, hoe chagrijniger de kapitein. De mensen in de kleine bootjes hadden doorgaans de grootste lol, terwijl er aan boord van die enorme jachten alleen maar ‘Pas op, pas op! Schade, schade!’ werd geroepen. Ik heb ook een te groot huis, met een bijpassende hypotheek, gehad, maar ik doe het nu al jaren met ‘minder’. Ik leid een bevoorrecht leven. Dat heb ik vooral te danken aan het feit dat ik niet te vroeg heb gepiekt. Mijn carrière is heel langzaam van de grond gekomen en ik merk dat ik nu, op mijn zestigste, nog steeds kan groeien. Ik heb veel van mijn angsten overwonnen. Ik was laatst nog bij de tandarts en bang voor de dood ben ik nooit geweest. Ik begrijp helemaal niets van mensen die eeuwig willen blijven leven. Heb je die vrouwelijke arts bij Zomergasten gezien (Andrea Maier, hoogleraar interne geneeskunde, VPRO, 28 augustus 2016 - A.V.) die met dat Duitse accent, een beetje verdacht in dit verband, beweerde dat de kinderen die nu geboren worden wel ‘Hundertfünfzig!’ kunnen worden? Verbijsterend. Waar ben je mee bezig, enge heks? Ik wil nog jaren door natuurlijk, maar je zult mij niet horen klagen als het morgen afgelopen is.”

Hier leest u alle afleveringen van de Tien Geboden terug.

Deel dit artikel

Provocatie is goed, zolang het over kwesties gaat; je moet er niet op uit zijn om iemand kapot te maken

Mijn moeder zei vaak tegen mij dat ik nooit geboren had mogen worden

Ik had zoveel narigheid gezien vroeger, thuis, dat ik iemand was geworden die altijd de lieve vrede wilde bewaren

Ik heb veel van mijn angsten overwonnen. Ik was laatst nog bij de tandarts en bang voor de dood ben ik nooit geweest