Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Buiten de kerk geen zaligheid

Home

Jos Palm

Kerkhistoricus en belijdend katholiek Hans Bornewasser groeide op in het besef niet in een aardse onderafdeling van de roomse hemel te wonen.

Hans Bornewasser had het geluk niet meer te hoeven reageren op het demasqué van zijn moederkerk. Maar hoe zou hij, kerkhistoricus en belijdend katholiek, gereageerd hebben op de eindeloze onthullingen van misbruik op internaten, waar hij zelf ooit les gaf? Hij zou zich allereerst plaatsvervangend geschaamd hebben – erger nog dan die keer toen hij tijdens een radio-uitzending geconfronteerd werd met een opname uit de jaren dertig van de roomse brulboei Borromeus de Greeve over ’zwabberende en heligschennende vrouwspersonen’ die ’helden van de deugd de modder in sleurden’ met hun ’verleidingskunsten’ (’Moet dat nou, die hoogdravende valse bangmakerij?’, fluisterde hij mij, de radiomaker in kwestie, toe).

Vervolgens zou hij gezocht hebben naar een verklaring in het verleden, wellicht zou hij gewezen hebben op het rigide mensvijandige karakter dat evenzeer aan zijn kerk kleefde als de naastenliefde. Hij zou zich hoe dan ook blijven verontschuldigen voor ’zijn’ kerk, een voor ’andersdenkenden’ toch al zo’n onbegrijpelijk instituut, zoals hij wist uit ondervinding. Hij zou partij gekozen hebben voor ’die arme jongens en meisjes’, zonder partij te kiezen tegen de kerk als zodanig. Want zoiets strookte niet met zijn opvatting als historicus en als gelovige. Voor Bornewasser gold wat voor veel van zijn katholieke generatiegenoten gold: buiten de kerk geen zaligheid.

Welbeschouwd bepaalden twee ervaringen zijn leven. De ’geboren leraar’ kwam uit een echte onderwijzersfamilie. Zijn grootvader van moeders zijde was hoofdonderwijzer, zijn moeder had een onderwijsakte, en zijn vader was hoofd van een plattelandsschooltje. Daar ook gingen Hans en zijn broer Kees, de latere kerkmusicus, naar school. Hetgeen, zoals hij later uitlegde, ’geen onverdeeld genoegen’ was. Zijn vader was ouderwets streng en minstens eenmaal per week kregen hij en zijn broer de retorische vraag voor de kiezen, of zij ’ervan wisten’, van het kattenkwaad en zo meer. Met enige regelmaat ook kreeg hij les van zijn moeder, die als getrouwde vrouw geen onderwijzersbaan meer mocht hebben, maar wel mocht invallen voor vader.

De familie behoorde tot de elite van het dorp, maar niet tot de top. De pastoor kwam er wekelijks op zondagavond een ’kaartje leggen’, maar misdienaar mocht Hans niet worden van zijn vader, want anderen zouden het idee krijgen dat hij, het zoontje van de hoofdonderwijzer, werd voorgetrokken. En in de dorpskerk zaten de Bornewassers in de kerkbank op de derde rij, achter de ’vleesfabrikanten en rijke boeren’, die respectievelijk de eerste en tweede rij bezetten.

De andere – wellicht nog belangrijkere – ervaring was die van het leven in een zogenoemde katholieke enclave, een ervaring die hij deelde met de later door hem zo bewonderde kardinaal Alfrink, die in Nijkerk te midden van protestanten werd grootgebracht. Bornewasser werd geboren in Bussloo, een van de boerengehuchten met klinkende namen als Duistervoorde en Spekhoek, nabij het Gelderse Voorts, dat zich met de bus op een half uur gaans bevond van steden als Deventer en Apeldoorn – een reis die de familie enkele malen per jaar maakte met de Gelderse Tramwegen, als een nieuw pak moest worden aangeschaft.

„We waren eropuit geen aanstoot te geven aan de vele niet-roomsen in onze omgeving”, zei hij ooit over zijn jeugdjaren, die werden getekend door wat zijn latere leermeester L.J. Rogier eens beschreef als ’het opgroeien in het voortdurend bewustzijn niet protestants’ te zijn. Het militante en triomfalistische dat eigen was aan het katholieke zuiden was de Bornewassers vreemd: behoedzaamheid, voorzichtigheid en het besef niet in een aardse onderafdeling van de roomse hemel te wonen, kenmerkte veeleer de familie. Daarbij kwam nog dat de moeder protestantse vriendinnen had die met enige regelmaat kwamen logeren. „In zulke gevallen vroeg de dienstbode altijd: ’Is die wel goed rooms?’, wat mijn moeder sterkte in de overtuiging dat voor deze logees het bed wat minder goed werd opgemaakt.’

Bornewassers wereld was naarmate hij ouder werd aanvankelijk steeds minder exclusief katholiek. Op het openbare Hegiusgymnasium in Deventer zat hij in een debatingclub met jongens van allerlei gezindten, en in dezelfde stad volgde hij in zijn vrije tijd lessen Hebreeuws van dominee Gerritsen (de vader van de zangeres Liselore Gerritsen). Zelfs zijn liefde voor de historie begon niet rooms: hij ontdekte deze door een kwartetspel met componisten – wiens geboorte- en sterfjaar hij tot op hoge leeftijd kon opdreunen – en door het verzamelen van plaatjes van het Oranjehuis (waar hij later ook veel over zou schrijven), die hij uitknipte en inplakte in een voor sinterklaas gekregen ’plakboek’, terwijl hij de vele plaatjes van de levenloos vrome, maar zeer vereerde Pius XI onaangeroerd liet.

De oorlog ontgroende hem, eerst in Nederland. Hij bracht ’worstjes naar rector Hillesum’, de vader van Etty Hillesum, toen deze ineens geen les meer mocht geven en een soort huisarrest had; en hij dook onder voor de Arbeidseinsatz, om zich ten slotte toch te melden voor Duitsland omdat zijn vader tot een groep gegijzelden behoorde. In Duitsland, in Berlijn, moest hij bij de AEG draad trekken van ’s ochtends zes tot ’s middags vijf. Hij maakte er de bevrijding mee, en stond als jongen van negentien op verzoek van een bevriende Duitse vrouwelijke dominee op wacht bij een huis, om de Russen uit te leggen dat er ter plekke geen Matika’s, geen meisjes, waren.

Terug in Nederland pakte hij de studie geschiedenis op waar hij even aan geroken had tijdens de oorlog. Dat deed hij in Nijmegen, de grensstad van het katholieke zuiden, dat hij niet meer zou verlaten. De minderheidskatholiek werd aldus meerderheidskatholiek, onderdeel van het roomse bolwerk. Het zou hem niet wezenlijk veranderen, hooguit zelfverzekerder maken en meer katholiek tussen katholieken.

Als leraar aan het Nijmeegse Canisiuscollege waardeerde hij de harmonieuze slimheid van de respectievelijk zeven en vijftien jaar jongere leerlingen Hans van Mierlo en Ruud Lubbers, die hij als Sinterklaas over hun ondeugden onderhield. En als leraar geschiedenis in Sittard vond hij de student Jo Gijsen te zeker van zijn dogmatische zaak. Treffender kan het niet voor de man van het midden Bornewasser, die overigens ook wel eens geagiteerd kon raken, en zich in 1948 meldde voor het ’corps studentenweerbaarheid’ uit woede over de communistische coup in Tsjechië, en die in 1962 zijn KVP-lidmaatschap opzegde vanwege het wereldvreemde verzet van minister Luns tegen de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea.

Maar het voornaamste is dat Bornewasser zichzelf als katholiek historicus uitvond. Dat deed hij in samenspraak en lichte tegenspraak met de reus onder de roomse historici, L.J. Rogier. Van hem leerde hij dat geschiedenis voor katholieken in Nederland altijd om de actualiteit ging, en dat katholieken volwaardige vaderlanders waren geweest. Zo er een lijn is in Bornewassers werk, dan is dat deze programmatische bevinding die hij meer open uitwerkte dan zijn leermeester. Bornewasser schreef verhelderend en met bewijskracht over de katholieke eigen bijdragen aan wetenschap en onderwijs. Maar vooral kwam hij telkens terug op die katholieke kwaliteit die hij als jongen uit de roomse diaspora van nabij kende: katholieken, zo liet hij zien in zijn magnum opus over de KVP (Katholieke Volkspartij), zijn goed in een kwaliteit die het zelfverzekerde liberale en calvinistische vaderland ontbeerde: in plooien, schikken en verenigen, en verzoenen.

Het waren kwaliteiten waarover Bornewasser zelf ook in ruime mate beschikte. Hoewel schrijver dezes hem ook wel eens anders zag. Met name die ene keer tijdens een radio-uitzending over Rogier, waarin Kees Fens op zijn manier het sympathieke ongelijk beschreef van deze koning onder de roomse historici. Fens, zo maakte Bornewasser licht narrig duidelijk, moest iets dieper buigen. Voor de grootheid van Rogier en voor de kennis die hij, Bornewasser, had over de eerste onder de roomse historici. Het was de vergeeflijke reflex van de hoogleraar die zoals hij zelf zei, ’altijd meer leraar bleef’. Als katholiek was hij het gewoon soms te buigen, van medekatholieken verwachtte hij soms niet anders.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)
(Trouw)

Deel dit artikel