Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

BREEDZUILS LEZEN, MAAR BIJBELS WAARDEREN PROTESTANTSE OPVOEDING

Home

SIEBREN MIEDEMA

Het nut van de bijbel om de schilderkunst en de letterkunde te kunnen begrijpen. Godsdienst als middel om van kinderen 'een behoorlijk mensch te helpen maken'.

De gelijkluidende roep in onze tijd van respectievelijk Rob Schouten en Frits Bolkestein, werd al in de periode tussen de wereldoorlogen gehoord. De protestants-christelijke dominees A. van Selms en C. Bouma keerden zich echter tegen zo'n instrumentele manier van gebruik maken van bijbel en godsdienst. “De bijbel diende gelezen te worden om de bijbel zelf, en de heilige schrift was geen middel, maar een doel op zichzelf”, zo schrijft Jacques Dane in zijn morgen aan de Rijksuniversiteit Groningen te verdedigen proefschrift 'De vrucht van bijbelse opvoeding', populaire leescultuur in protestants-christelijke gezinnen circa 1880-1940 (Hilversum, Verloren).

Dat het bijbellezen in protestantse gezinnen de aandacht kreeg van predikanten en onderwijzers, had te maken met de vermeende afname van het bijbellezen in deze gezinnen. Gewezen werd op de grote hoeveelheid drukwerk in de vorm van romans, kranten en weekbladen, die door verbeterde druktechnieken en een dalende papierprijs voor iedereen voorhanden was tegen een betrekkelijk geringe prijs. Binnen protestants-christelijke gezinnen werd doorgaans veel gelezen. Gebruik maken van dat aanbod betekende dan ook dat er minder tijd resteerde voor gezamenlijk bijbellezen. Door de druk om op tijd op school, de fabriek of het kantoor te komen, schoot het bijbellezen voor het ontbijt er in de meeste gezinnen al bij in. Luidde in de tweede helft van de negentiende eeuw het advies nog drie keer per dag uit de bijbel te lezen, rond 1940 was dat al teruggebracht tot één keer na de hoofdmaaltijd.

In de zestig jaar tussen 1880 en 1940 was niet alleen het aantal malen dat er per dag uit de bijbel gelezen werd veranderd, maar ook de stof van de bijbellezing had grondige wijziging ondergaan. Tot ver in de negentiende eeuw was in de meeste gezinnen de Statenvertaling gelezen. Om de taal van de Staten-Bijbel toegankelijk te maken, verschenen er ouderhandleidingen waarin allerlei informatie geboden werd over bijbelse aspecten, zoals landen en volken. Tevens werden de ouders geadviseerd over de tijd waarop het beste voorgelezen kon worden, en welke delen wel en niet aan kinderen gelezen konden worden.

Een ander hulpmiddel om de verstaanbaarheid van de Staten-Bijbel te vergroten, was de kinderbijbel. In bijvoorbeeld De Kaapsche Kinder-Bijbel, de Bijbel voor Kinderen of de kinderbijbels van W. G. van der Hulst werd de bijbelse geschiedenis speciaal voor kinderen en in een voor hen begrijpelijke taal verteld. In de negentiende eeuw richtten de kinderbijbels zich vooral op kennisoverdracht en morele opvoeding, dat wil zeggen op het aankweken van christelijke normen en waarden. In de genoemde Bijbel voor Kinderen uit die tijd worden de jonge lezers als volgt aangesproken: 'Nu, lieve kinderen! leest vlijtig in dit boek, en wordt zo braaf en godsdienstig, als de goede kinderen , die daarin voorkomen, geweest zijn; maar tracht bovenal zoo braaf en godsdienstig te worden, als het kind Jezus was'. De kinderbijbels uit het eind van de negentiende en de eerste vier decennia van de twintigste eeuw van bijvoorbeeld Gun- ning en Van der Hulst, richten zich daarentegen op geloofs- verdieping en verinnerlijking van geloofsbeleving. Helemaal in de traditie van het Réveil, wordt niet het accent gelegd op het overdragen van kennis, maar op het scheppen van een gewijde bijbelse sfeer.

Protestants-christelijke ouders werden niet aan hun lot overgelaten om hun houding te bepalen tegenover wat één der voormannen, dominee Wielenga, kenschetste als de 'stortvloed het land overstroomende, geestesproducten der moderne letterkunde'. Anders dan in rooms-katholieke kring, hier geen Index of lijst van verboden boeken. Om ouders en kinderen te ondersteunen bij het ontwikkelen van - zoals Abraham Kuyper het aanduidde - een verinnerlijkte censuur, werden door predikanten, onderwijzers en pedagogen leesadviezen verstrekt. Met de bijbel als maatstaf zouden gelovige ouders en kinderen met behulp hiervan zelf moeten bepalen wat gewenste en ongewenste lectuur was. Geen overbodige luxe, want er werd veel buitenzuils gelezen wat als een bedreiging gezien werd voor opvoeding, huwelijk, gezinsleven en geloof. De aangeboden lectuur uit de eigen zuil werd namelijk niet bijster gewaardeerd; ze bood geen esthetisch genot. Zo verzuchtte Willem de Mérode: 'Onze boeken, ook de beste, zijn bij al hun degelijkheid vaak zo pietluttig, zoo altijd hetzelfde, wat de kring en de sfeer betreft, dat het werkelijk wel eens een benauwing wordt'. Zijn advies was dat de opvoeders ook zelf de niet-christelijke boeken zouden lezen, om de jeugd te kunnen wijzen op mogelijke gevaren. Aan de hand van de Merijntje-Gijzen-cyclus van de socialistische schrijver A. M. de Jong, illustreert Dane fraai dat de gegeven leesadviezen wel een voorgeschreven orde aangaven, maar dat de geleefde leespraktijk van jeugdigen en jong-volwassenen toch een andere was.

Voor de kinderen waren er ook de zondagschool- of kerstboekjes als een aanbod van verantwoorde christelijke kinderboeken. Een belangrijk auteur van deze boekjes was de al eerder genoemde Van der Hulst, aan wiens persoon en werk Dane uitgebreid aandacht schenkt. Het zondagsschoolonderwijs richtte zich op kinderen uit ongelovige en randkerkelijke gezinnen. Op basis van gegevens van de gereformeerde zondagsschoolvereniging 'Jachin' laat Dane zien dat het merendeel van de kinderen uit standaard protestants-christelijke gezinnen kwam. Dit onderwijs was derhalve geen zending, maar eerder een aanvulling op hetgeen in gezin en school al geboden werd. Een van de onderwerpen van de boekjes was het geslacht Oranje. De meerwaarde van deze boekjes was, aldus Dane, dat “de leden van het koninklijk gezin werden voorgesteld als model-christenen; de lezers, kinderen en volwassenen, konden zich spiegelen aan Juliana, Wilhelmina en Hendrik”.

Het laatste hoofdstuk gaat over de opkomst in 1906, de oprichter en de veranderingen in de inhoud van het chris- telijke geïllustreerde gezinsweekblad De Spiegel. Veel van buiten de eigen zuil werd hierin, met illustraties verlucht, aan de orde gesteld. Zelfs een zo geladen onderwerp als het darwinisme werd niet gemeden, zij het dat het wel kritisch werd neergezet. Ook de inhoud van De Spiegel kan duidelijk maken dat er geen sprake was van een hermetisch afgesloten protestants-christelijke zuil. Met 'De vrucht van bijbelse opvoeding' heeft Jacques Dane een rijk gedocumenteerde en zeer leesbare historische studie geschreven over de populaire leescultuur en de opvoeding in protestants-christelijke gezinnen in een voorbije periode.

Deel dit artikel