Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

BONDERS ZIJN BLIJVERS

Home

PETER DE GREEF; WERA DE LANGE

De Gereformeerde bond binnen de Nederlandse hervormde kerk heeft zich met kracht verzet tegen een fusie met de Gereformeerde kerken en de Evangelisch-lutherse kerk. Even leek dit verzet succes te hebben, maar de hervormde synode trok dit jaar het fusieproces weer op gang. De bond raakte meteen in diepe crisis. Want als de hervormde kerk zèlf ophoudt te bestaan, wat voor taak is er dan weggelegd voor een bond 'ter verbreiding en verdediging van de waarheid' in die kerk, waar is de waarheid zelf nog veilig? Er klonk dreigende taal over afscheiding en scheuring; er werd een Comité tot behoud van de hervormde kerk opgericht. Wanhopig maande het bestuur van 'de Bond' tot kalmte. Het schreef een brede discussie uit en bereidt een kerkeradendag voor, die in september gehouden moet worden; 1996 wordt een belangrijk jaar in de geschiedenis van het calvinisme in de lage landen. “De strijd om het herstel van de hervormde kerk is verloren.”

Dit is de oude pastorie van het Gelderse rivierdorp Herwijnen; de jongeman is dominee Van der Aa, voorganger in een gemeente die zich deel voelt van de 'Gereformeerde bond ter verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandse hervormde (gereformeerde) kerk'.

In 'bondsgemeenten' - het gaat hier niet over een sekte of mini-kerk maar over 450 000 tot 500 000 Nederlanders - wordt geleefd en geloofd in de schaduw van grootvaders, maakt Van der Aa duidelijk. 'Bonders' vormen een divers gezelschap. Maar allemaal zijn ze zich bewust hoe zwaar het historische anker is dat hun geloofsleven en daarmee hun bestaan op de plaats houdt. Dat historische besef van 'bonders' is buitengewoon aantrekkelijk voor wie moe is van het zwemmen in een zee van twijfel of het dobberen op de steeds kortere golf van de 'tijdgeest'. Het denken van de 'bonder' is als een rotsvaste bodem waar een mens iets groots op kan verrichten. Maar het heeft tegelijkertijd iets vreemds om in veronderstelde navolging van de Heere een directere, emotionelere band te onderhouden met de Lage Landen in het beeldenstormjaar 1566 dan met (bijvoorbeeld) Srebrenica in 1995 of Liberia in 1996.

“Ze zijn gesneden uit het eikehout der vrome vaderen en belijden een waarheid die door het vuur van de brandstapels is beproefd”, schrijft Anne van der Meiden niet zonder bewondering in zijn boekje over 'de zwarte kousen kerken'. Voor de aanhang van de Gereformeerde bond geldt dit misschien nog sterker dan voor de 'zwaren' die zich rechts van de bond opstellen. Bonders staan namelijk niet op één maar op twéé fronten pal voor de reformatie in het vaderland: in het hooghouden van de gereformeerde belijdenis èn in hun voortdurend op de proef gestelde trouw aan de ene, grote, vaderlandse kerk, de Nederlandse hervormde kerk. Nog nooit werd die trouw zo op de proef gesteld als nu.

'Zij die bleven'. Bonders zijn erfgenamen van grootvaders die ondanks alles telkens maar weer in de hervormde kerk bleven, in 1834 bij de Afscheiding, in de decennia daarna toen de rechterflank van protestants Nederland in tientallen splinters uiteen viel, in 1886 toen Abraham Kuyper voorop ging in de Doleantie.

De hele negentiende eeuw door stond het protestantisme in Nederland in het teken van de klassenstrijd tussen weinig vermogende orthodoxen en rekkelijke, notabele kerkbestuurders. De laatsten waren tolerant genoeg om de drie gereformeerde 'formulieren van Eenigheid' (de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, de Heidelberger Catechismus van 1563 en de Dordtsche Leerregels van 1619) aan hun laars te lappen, maar tegelijkertijd niet te beroerd om de veldwachter af te sturen op het boerse orthodoxe volk als dat illegaal bij een weerspannige dominee in een schuur aan het kerken was.

De grootvader van de bonder van nu stond telkens met minstens de helft van hart en verstand aan de kant van de afgescheidenen, maar hij bleef, want de Heere kon niet willen dat de kerk die Hij in de zestiende eeuw in Nederland had geplant door alle godvrezende mensen verlaten zou worden.

Die keuze te blijven viel de grootvaders het allerzwaarst in 1886, toen Kuyper de sociaal-intellectuele bovenlaag van 'de kleine luyden' de kerk uit organiseerde. “Kuyper hoopte dat de hervormde kerk zou doodbloeden. Maar het is anders gelopen”, zegt dominee Kieskamp uit Leerdam, verbonden met de 'bevindelijke' rechterflank van de bond. “Heel de kerk voor heel het volk, zei Hoedemaker. En hij, Hoedemaker, bleef achter in de hervormde kerk met Jan Rap en zijn maat, zoals Kuyper het had geformuleerd. Wij zijn 'zij die bleven'. Wij blijven in die kerk, altijd”, bezweert Kieskamp, een zachtpratende, vriendelijke man met witte haren. Alweer zo'n domineeswerkkamer, de kast vol zeventiende- en achttiende-eeuwse commentaren. Boven onze hoofden borstbeeldjes van Calvijn, Luther en diens medewerker Melanchton. In 1906, toen zo'n beetje ieder volksdeel van Nederland aan het emanciperen was geslagen, organiseerden 'zij die bleven' zich officieel in de 'Gereformeerde Bond tot vrijmaking der Nederlandse Hervormde Kerk', later '...tot verbreiding en verdediging van de waarheid in' de hervormde kerk.'

De bond was nooit bedoeld als een vervangende kerkelijke organisatie en is dat ook nooit geworden. 'Bonders' onderwierpen zich aan de hervormde kerkorde en aan het gezag van de 'ambtelijke vergaderingen', de kerkeraden, classes en synode. Bonders ijverden binnen dat raamwerk tegen 'het liberalisme' in geloofs- en kerkzaken en voor het tot leven brengen van de tot een dode letter geworden belijdenisgeschriften.

De bond was en is daar sterk, waar ook de kleine, 'zware' afscheidingen sterk waren, in wat de 'bible belt' van Nederland is gaan heten: de gordel die van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden, langs de grote rivieren, over het zuiden en oosten van de provincie Utrecht tot aan de oostrand van de Veluwe reikt. 'Het platteland' domineerde sterker in de bond dan bij de volgelingen van Kuyper.

Lange tijd werd er door andere hervormden een beetje neergekeken op de bond. Het was een geïsoleerde, volkse minderheid die beter was in de 'verdediging' dan in de 'verbreiding' van de waarheid. Men hanteerde er 'onleesbare teksten' uit de zestiende eeuw als leidraad voor alle gelegenheden, ja, bijna als toverspreuk. Het waren 'simpele zielen' die de Bijbel van kaft tot kaft letterlijk namen en dat nog wel in de aanvechtbare Statenvertaling.

“Als er vlak voor de oorlog onder de kerkelijke hoogleraren één rondliep die met de bond sympathiseerde, dan was het veel. Maar na de oorlog veranderde dat; langzaamaan begon de bond een plek te krijgen. Ons aandeel groeide sterk, zowel kwantitatief als kwalitatief, we werden serieus genomen en raakten geïntegreerd. Het beloofde land kwam steeds dichterbij. Overwicht leek zelfs tot de mogelijkheden te behoren”, vertelt dominee Van der Aa.

De bonders kunnen trots zijn. De rekkelijke kant van de kerk blijkt tot nu toe beduidend ontvankelijker voor de ontkerkelijking. In vergelijking met vrijzinnige en midden-orthodoxe gemeenten staan de meeste bondsgemeenten als een huis. Er worden verhoudingsgewijs veel jongeren binnenboord gehouden en de kerken zitten er iedere zondag nog goed vol, al is het ook in de bond niet meer zoals vroeger.

“De kerk is al een tijd bezig te verrechtsen. Niet aan de top maar wel aan het grondvlak. Op de kerkelijke kaart van Nederland kun je aardig wat gemeenten aanwijzen, die vroeger midden-orthodox waren en nu bij de bond horen”, stelt Van der Aa.

Het land van belofte leek voor het grijpen en dan wijkt dat vergezicht opeens terug. Es o wee! De hervormden zijn Samen op Weg naar fusie met de gereformeerde kerken (Gkn) en de Evangelisch-lutherse kerk (Elk), twee kerkgenootschappen die nòg veel verder van het gereformeerde belijden afstaan dan de eigen hervormden. “Je bent op weg naar een meerderheid en dan krijg je te horen dat jouw kerk opgaat in een groter geheel, waarbinnen je weer een kleine minderheid bent. Dat is voor velen onverdraaglijk”, zo vat Van der Aa de onderhuidse angst in eigen kring samen.

Zijn collega in het Veluwse dorp Wezep, 'bondspredikant' Dekker, geeft dit gevoel meer historische lading: “Er is vanuit de bond van alles over het Samen op Weg-proces geroepen, over de gereformeerde belijdenisgeschriften die in de vuilnisbak worden gegooid, dat het een kerk zal worden waar homohuwelijken zullen worden ingezegend, over de planting Gods in Nederland die verwoest wordt. Het meest wezenlijke is toch een diep gevoeld, existentieel verdriet dat de strijd om het herstel van de Hervormde kerk verloren is. Hiermee beschrijf ik overigens een gevoel dat veel sterker leeft bij het bestuur van de bond en bij de groep van dominees, dan bij het gewone gemeentelid. Het gemeentelid denkt plaatselijk, congregationalistisch.”

Voor de meeste bonders, denkt Dekker, is dat het grote verdriet: het samengaan met Kuypers' gereformeerden bleek pas mogelijk toen de gereformeerden alle door de 'bonders' juist zo gewaardeerde rechtzinnigheid hadden afgelegd. Van een 'terugkeer' van de gereformeerden in de hervormde moederschoot is geen sprake.

Intussen worden de tienduizenden èchte orthodoxen in de kleine afscheidingskerken (christelijk gereformeerden, vrijgemaakten, gereformeerde gemeenten en nog veel meer) in het SoW-proces buiten de deur gehouden. Terwijl de luthersen met hun niet-gereformeerde belijdenisteksten juist worden binnengehaald. Dominee Dekker zucht: “Dan mogen we nog blij zijn dat de Remonstranten tenminste niet meedoen!”

De SoW-kerken zijn op weg naar iets nieuws, een menselijk wrochtsel, niet naar het herstel van de door God gebouwde, ongedeelde vaderlandse kerk van voor de Franse Tijd. Voor veel bonders is dat een verdriet, voor sommigen is het iets veel ergers, een zonde. Voor dominee Op 't Hof uit Nederhemert, De Jonge uit Staphorst, Van Kooten uit Soest en een groep dominees om hen heen (samen de kern vormend van het onlangs opgerichte Comité tot behoud van de Nhk) komt het opgaan in de nieuwe Verenigde Protestantse Kerk van Nederland neer op het verbreken van het verbond dat God ooit sloot met de calvinisten van Nederland. Dominee Kieskamp uit Leerdam is het met de methodes van de actiegroep rond Op 't Hof niet eens, maar hij kan de beweegredenen goed volgen: “Er is in de vorige eeuw veel gebeden voor het behoud van de hervormde kerk”, zegt hij. De diepste grond - de hele negentiende en twintigste eeuw door - om in de hervormde kerk te blijven, was het feit dat de Drie formulieren van Eenigheid ongeschonden in de kerkorde verankerd lagen. “Die belijdenisgeschriften functionéérden niet, maar ze waren er nog.” En de kern van die belijdenis is het Sola Gratia, Calvijns leer dat alleen de genade van God de mens kan redden. “Het is beleefd en ik beleef dat zelf als een zegen van God dat Hij dàt besef aan de kerk geschonken heeft. In de Reformatie gingen de mensen de brandstapel op, omdat ze dat geloof niet op konden geven. Maar in de ontwerp-kerkorde van de toekomstige verenigde kerk staan de Lutherse confessies, de Leuenberger Konkordie en de Barmer Thesen daar gewoon naast. Kun je dan nog een appel doen op Gods trouw en Gods verbondenheid? Gaat God mee in Samen op Weg, na zo'n verbondsbreuk? Als Hij niet meegaat, komt er niets van terecht”, aldus Kieskamp.

Deel dit artikel