Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Boekrecensie Een rondje langs de debuten van het afgelopen seizoen Ook verschenen:

Home

JAAP GOEDEGEBUURE

In 1981 publiceerde hoogleraar Ton Anbeek een geruchtmakend artikel waarin hij zich afvroeg waarom de meeste Nederlandse romanschrijvers zo blind en doof waren voor sociale reuring. Iets meer 'straatrumoer' zou hun werk geen kwaad doen. Kop van jut in zijn tirade waren de destijds populaire bestsellers 'Een vlucht regenwulpen' van Maarten 't Hart (dankzij de campagne Nederland Leest weer op de agenda gezet) en Oek de Jongs 'Opwaaiende zomerjurken', dat inmiddels de status van cultboek geniet.

Drieëndertig jaar later is 'straatrumoer' nog steeds een gevleugeld woord. Eens in de zoveel tijd laait het door Anbeek aangestoken vuurtje weer op, om na een tijdje weer zachtjes verder te smeulen. Helemaal uitdoven doet het nooit. En altijd komt de conclusie van het zoveelste straatrumoerdebat neer op het aloude 'zoveel hoofden zoveel zinnen'. De ene schrijver verdiept zich bij voorkeur in de eigen binnenwereld, terwijl de andere deuren en ramen liefst zo wijd mogelijk openzet. Het een is niet per se beter dan het andere. Waar het om gaat is hoe er over die binnen- dan wel buitenwereld wordt verteld. Kwaliteit is niet zozeer een kwestie van een sociaal relevant onderwerp of een actueel probleemveld, maar van vormgeving, compositie, stijl. Een rondje langs de literaire debuten van het afgelopen najaar kan dat illustreren.

In 'Albrecht en wij', het debuut van Lodewijk van Oord, komt het straatrumoer van ver. Het klinkt als een aanhoudende noodkreet uit Afrika, die onlangs door de media werd versterkt toen bekend werd dat van de 20.000 nog vrij rondlopende neushoorns (allemaal gehuisvest in Zuid-Afrikaanse wildparken, de enige plaatsen waar ze nog een beetje bescherming genieten) er jaarlijks meer dan duizend door stropers worden afgeslacht, ter wille van Chinese mannen die de tot poeder vermalen hoorn innemen om hun seksuele prestaties te verbeteren. De rinoceroskwestie kreeg al eerder literaire aandacht in 'Gelukkige slaven' van Tom Lanoye. De hoofdpersoon van deze schelmenroman, een beroepsspeculant, gaat noodgedwongen op neushoornjacht nadat hij op de beurs enorm onderuit is gegaan.

Bij Van Oord is rino Albrecht de held van het verhaal. Hij is het laatste nog levende mannetje van zijn soort en daarmee de mascotte van een Amsterdamse dierentuindirecteur. Ter wille van de promotie van zijn bedrijf haalt deze bobo de gekste toeren met zijn troeteldier uit, met als climax een geweldig spektakel in de Arena. Tegenspel krijgt dit megalomane baasje alleen van een Zuid-Afrikaanse medewerkster. Dat hij niet alleen met haar competeert maar ook het bed deelt, moeten we maar beschouwen als een ingrediënt om de intrige wat kruidiger te maken, zoiets als neushoornpoeder eigenlijk.

'Albrecht en wij' lijkt eerder als satire dan als aanklacht te zijn bedoeld. Op weinig subtiele wijze wordt hier een loopje genomen met zelfingenomen managers en ijdele bestuurders, gebiologeerd als die zijn door de oppervlakkige wereld van marketing, branding en exposure. Helaas bederft Van Oord het effect van zijn spot met flauwiteiten en kneuterigheden. Zo lopen er in zijn Artis twee verzorgers rond die (met dank aan Geert Wilders) Henk en Ingrid heten en spreekt de Zuid-Afrikaanse tegenspeelster van de directeur een taaltje dat in vergelijking met het echte Afrikaans niets anders is dan koddig bedoelde kromspraak.

Veel beter geslaagd in het spotzieke genre is 'De val van Jacob Duikelman' van Anne-Marieke Samson. Ook deze debutant blijkt gevoelig voor straatrumoer. Ze laat het opstijgen uit het Haagse departement van justitie, naast haar eigen werkgever ook die van de titelheld.

Deze Jacob, meer een cynische en labbekakkige anti-held dan een man met wie je je graag identificeert , is verantwoordelijk voor het dossier Nigeriaanse oorlogsmisdaden. Daar gaat zo weinig in om, dat hij zijn arbeidzame dagen probleemloos kan slijten met de benen op het bureau. Tot hij vast komt te zitten in de strikken die een zogenaamde Somalische asielzoeker (in werkelijkheid ronselaar van kindsoldaten) voor hem spant.

Laat die man nu ook nog eens zijn puberdochter hebben verleid! Wanneer Jacob deze belager het ziekenhuis in slaat, wordt zijn dienstverband subiet beëindigd, ziet hij zich in de media weggezet als neonazi, en weet hij zich in zijn eenzaamheid ook nog eens geconfronteerd met een terminale ziekte waarvan alleen wij vanaf het eerste begin op de hoogte waren.

Op deze vlot geschreven en onderhoudende roman vallen maar twee kleine aanmerkingen te maken. Het is iets te veel van het goede om iemand ten val te laten komen wanneer zijn naam (Duikelman, hoe verzin je het!) daar vooraf al op hint. Verder kom je hier weer eens de Arnon Grunberg tegen. Er is in Samsons debuut veel wat herinnert aan de plot van 'Tirza' (man in midlifecrisis klampt zich met fatale gevolgen vast aan zijn dochter).

Alsof twee Afrika-gerelateerde debuten nog niet voldoende waren, maakt Femke van Zeijl het drietal vol met 'Koning van de barraca's'. In een vraaggesprek met deze krant heeft ze zelf melding gemaakt van een mogelijke parallel met de film 'Paradies: Liebe'. Daarin schittert een blanke sekstoeriste-op-leeftijd die aan haar gerief komt door het tegen betaling aan te leggen met een stoere zwarte man.

In Van Zeijls geschiedenis is laatstgenoemde rol weggelegd voor een Mozambikaanse gigolo. Omdat zijn streken en strapatsen zich afspelen tegen de achtergrond van de grote problemen van het continent Afrika (sociale onrust, corruptie, nepotisme), lijkt het alsof de schrijfster zich daarmee engageert, maar dat is schijn. Het op sappigheid mikkende maar in werkelijkheid nogal plat uitgevallen verhaal over oninteressante, eendimensionaal getekende karakters, drukt alles weg wat ook maar enigszins zou kunnen zwemen naar betrokkenheid.

Dat een tweedeling tussen schrijvers die hun stof betrekken uit de actuele maatschappelijke werkelijkheid, versus auteurs die zich verdiepen in het eigen innerlijk te rigide is, valt te illustreren aan de hand van twee debutanten die kapitaliseren op een rijke en grillige fantasie.

In de uitwerking pakt dat bij beiden tamelijk gruwelijk uit; nog wel het meest in de korte roman 'Morgen komt Liesbeth' van Olivier Willemsen. De magie van deze horrorstory, die zich meer dan een halve eeuw geleden afspeelt, zit hem vooral in de dingen die hij niet expliciet vertelt maar des te beklemmender suggereert.

Het verhaal wordt verteld bij monde van een anoniem blijvende 'wij', waarachter je twee of meer kinderen kunt vermoeden. Ze zitten opgesloten in een Weense bovenwoning, hebben geen moeder meer en worden aan het begin van de geschiedenis in de steek gelaten door hun vader. Vervolgens vallen ze in handen van boeventuig dat hen eerst als kermisattractie vertoont (wat erop wijst dat ze uiterlijk een bezienswaardige speling van de natuur vertegenwoordigen) en hen daarna overlevert aan de experimenten van een stel medici dat veel gemeen heeft met de beruchte dokter Mengele, kamparts in Auschwitz.

Willemsen is erin geslaagd om de naïviteit van zijn vertellers en hun daarmee scheve en beperkte kijk op de werkelijkheid om te zetten in een passende stijl. Daartoe maakt hij geraffineerd gebruik van quasi-kinderlijk aandoende herhalingen en schijnbare onbenulligheden, en schept daarmee een bijtend contrast tussen onschuld en demonie.

Veel sterker verwant aan de traditionele griezelromantiek met zijn knaleffecten en onwaarschijnlijke verwikkelingen is Frank Gunnings 'Meisje van glas'. Eva, de ziekelijke helft van een identieke tweeling, verliest haar gezonde zusje Hanna wanneer die zich in een poging om solidair te zijn doelbewust dood laat vriezen. Haar ontzielde lichaam wordt gevonden door Eva's vriendje Flo die vanwege de gelijkenis niet beseft dat hij met de overleden Hanna van doen heeft. Met behulp van een verknipte jonkheer die liefhebbert in het opzetten van dode dieren slaagt de minstens zo verknipte Flo erin zijn aanbedene in al haar glorie te behouden. En dat is nog niet eens de helft van deze merkwaardig ouderwetse geschiedenis, die dankzij een uitstapje naar de krakersscene zowaar nog voor enig compenserend straatrumoer zorgt.

Lees verder na de advertentie

Lodewijk van Oord: Albrecht en wij.

Cossee; 248 blz. euro 18,90

Anne-Marieke Samson: De val van Jacob Duikelman.

De Arbeiderspers; 272 blz. euro 19,95

Femke van Zeijl: Koning van de barraca's,

Ambo/Anthos; 254 blz. euro 19,99

Olivier Willemsen: Morgen komt Liesbeth.

De Harmonie; 120 blz. euro 16,90

Frank Gunning: Meisje van glas

. Querido; 256 blz. euro 18,99

OOK VERSCHENEN:

Bregje Hofstede: De hemel boven Parijs

. Cossee; 224 blz. euro 19,90

Parijse hoogleraar van middelbare leeftijd raakt gefascineerd door een Nederlandse studente in wie hij een oude geliefde herkent. Zou ze misschien zijn eigen kind kunnen zijn? Mix van het dubbelgangersthema en het al even beproefde gegeven Oude Man beleeft met Jonge Blom een Nieuwe Lente, aangelengd met reminiscenties aan J.M. Coetzee's 'Disgrace' en Arnon Grunbergs 'Huid en haar'. Bij vlagen spannend, maar qua ontknoping een beetje flauw.

Emma Curvers: Iedereen kan schilderen.

Atlas Contact; 208 blz. euro 19,99

Gestoorde vader terroriseert vrouw en dochters (die ook niet echt goed sporen). Verhaal draait in tamelijk enge cirkels rond dit gezinstrauma en maakt ondanks de geringe omvang weinig vaart. De vader van de debutante klaagde zijn dochter aan omdat hij zich negatief neergezet achtte. Het proces loopt nog.

Geertje Kindermans: De lieve vrede

. Nieuw Amsterdam; 176 blz. euro 17,95

Schijnbaar sukkelachtige indringer neemt leven van hoofdpersoon over en verbindt zich tot overmaat van ramp met haar moeder, met wie ze altijd een nogal slechte verstandhouding had. Deze nachtmerrie had nog wel wat zwaarder aangezet mogen worden om ons echt in de ban te slaan.

Deel dit artikel