Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Boekrecensie 'De schatten van Afrika' van Martin Meredith

Home

PAUL VAN DER STEEN

China laat zich gelden in het Afrika van de eenentwintigste eeuw. De grondstoffenhonger van de Volksrepubliek verklaart de plotselinge interesse voor het werelddeel. Criticasters vrezen een nieuw soort verwoestend imperialisme. Anders dan de meeste westerse mogendheden vallen de Chinezen de Afrikaanse regeringen niet lastig met verhalen over democratisering en corruptiebestrijding. Natuurbescherming hoeft ook niet op erg veel belangstelling te rekenen. In China is ivoor nog goede handel.

De geschiedenis herhaalt zich een beetje. Tussen 1405 en 1433 meldden zich al diverse expedities van Chinese koopvaardijschepen aan de Oost-Afrikaanse kust. Ze werden aangetrokken door goud, ivoor en andere mogelijke handelswaar. In 1415 reisden gezanten van de stad Malindi (in het tegenwoordige Kenia) zelf naar het keizerlijke hof in Beijing. Ze hadden een grote hoeveelheid geschenken bij zich. De meegenomen giraffe viel nog het meest in de smaak.

Bij het lezen van het boek 'De schatten van Afrika' van de Britse historicus Martin Meredith doemen meer parallellen met het heden op. Bij voorbeeld met de actualiteit rond de Islamitische Staat (IS). Nasir al-Din richtte in 1673 in een deel van het huidige Mauritanië een theocratische moslimstaat op. Hij noemde zichzelf voortaan imam en amir al-Mu'minim, leider van alle gelovigen. Het grote doel was om zoveel mogelijk mensen en gebied in te lijven bij dar al-islam, het huis van de islam.

Leiders in de omringende streken dienden de macht aan hem over te dragen, anders wachtte hun de djihad, de heilige oorlog. Even werkte die strategie van angst aanjagen uitstekend. De ene na de andere dynastie bezweek door het geweld of de dreiging daarvan. Voor de oude heersers kwamen islamitische voormannen in de plaats die Nasir al-Dins orthodoxe ideeën in de praktijk wilden brengen. Maar de leider van alle gelovigen sneuvelde al na een jaar, in 1674. Het rijk verkruimelde grotendeels. Geestelijken en geleerden trokken weg uit de machtscentra maar bleven preken en strijders trainen in meer afgelegen gebieden.

De Nederlandse historicus H.L. Wesseling perste in 1991 zo'n 35 jaar koloniale wedloop in zijn terecht geprezen 'Verdeel en heers. De deling van Afrika 1880-1914'. Meredith probeert in 'De schatten van Afrika' het vrijwel onmogelijke te doen: vijfduizend jaar geschiedenis van een werelddeel, van het oude Egypte tot aan de Arabische Lente en de opmars van de Chinezen, in één kloek boek proppen. Bogend op zijn jarenlange ervaring (hij schreef al eerder werken over het continent en vooral het zuidelijke deel daarvan) brengt hij het er wonderlijk goed vanaf.

Meredith maakt er zelfs een tamelijk coherent verhaal van. Hij beheerst de kunst om in enkele bladzijden een belangwekkende historische periode scherp neer te zetten.

De handel en de gebiedshonger van de oude Egyptenaren reikten al snel verder dan het Nijldal alleen. Romeinen en Arabieren toonden ook belangstelling voor de rijkdommen van het continent. De naam Afrika komt van de Arabieren, die het noordelijk deel van het werelddeel Ifriqiya noemden.

Voor de Europeanen van later data bleven grote delen van Afrika lang terra incognita. Claudius Ptolemaeus, een cartograaf uit Alexandrië, maakte een kaart op basis van weinig betrouwbare informatie van de Griekse koopman Diogenes die rond 50 na Christus ooit eens 25 dagen in de binnenlanden van Afrika zou hebben rondgetrokken. Ptolemaeus' kaart bleef zeventienhonderd jaar de enige gids naar het geheim van de bronnen van de Nijl. De satiricus Jonathan Swift dreef in 1733 de spot met alle onwetendheid:

'En dus vullen de geografen op de kaart van Afrika

De gaten met plaatjes van wilden,

En tekenen ze op onbewoonde heuvels

Olifanten bij gebrek aan steden.'

Waar streken en plaatsen wél werden benoemd, lieten velen hun fantasie ook de vrije loop. Cartograaf Samuel Boulton, die in 1787 zijn kaart van Afrika publiceerde, toonde zich ten opzichte van zijn voorgangers juist een meester in de kunst van het weglaten. Dat was verklaarbaar, legde hij uit, "uit het gegeven dat over de binnenlanden van Afrika slechts heel weinig bekend is en dat het merendeel van de namen van de streken en landen die dat reusachtig stuk land vullen, voornamelijk gissingen zijn, waarom ze door mij niet zijn gevolgd".

De enkele Europeaan die zich wel in de binnenlanden waagde, was vaak aangenaam verrast door de wereld die hij aantrof. De Schotse scheepsarts Mungo Park kwam in zomer van 1796 aan bij Ségou in het tegenwoordige Mali. De zo lang gezochte majestueuze rivier, de Niger, "was zo breed als de Theems ter hoogte van Westminster en stroomde naar het oosten". Na het binnengaan van Ségou noteerde Park: "De aanblik van deze uitgestrekte stad, de talrijke kano's op de rivier, de vele inwoners, de in cultuur gebrachte omgeving, gaven een indruk van beschaving en luister, die ik niet had verwacht in het hart van Afrika."

Feit en fictie waren soms nauwelijks te ontwarren. Tot ruim honderd jaar geleden werd hardnekkig beweerd dat ergens in de binnenlanden van Afrika ongeëvenaarde goudschatten te vinden waren. In de Bijbel was al sprake van zo'n plaats. De bestsellerroman 'De mijnen van koning Salomo' (1885) van Richard Haggard gaf weer nieuwe voeding aan de aloude verhalen.

'De schatten van Afrika' laat mooi zien hoeveel gelaagder en veelkleuriger de geschiedenis van het continent is dan wij vaak aannemen. Vanuit ons perspectief geven we al gauw een allesoverheersende plaats aan de kwestie van de kolonisatie. Fout, vindt Meredith. Europese staten dachten weliswaar honderden jaren te kunnen blijven in de Afrikaanse landen waar zij zich meester van maakten, in werkelijkheid ging het slechts om zeven decennia.

Een intermezzo, noemt de auteur de koloniale periode. Aanvankelijk voelden de belangrijkste rivalen, Groot-Brittannië en Frankrijk, weinig voor een kolonisatie van Afrika. "De kust is verderfelijk, de autochtone bevolking talrijk en onhandelbaar", schreef Londen nog in 1882 naar aanleiding van een voorstel van een consul ter plaatse om van een gebied ter hoogte van het huidige Nigeria een protectoraat te maken.

De hele wedloop om Afrika was een plotseling oplaaiende vlam. De ijver en haast kwamen vooral voort uit de angst door concurrerende grootmachten voor voldongen feiten te worden geplaatst. Het was daarom zaak de ander voor te zijn.

"Toen ik in 1880 bij Buitenlandse Zaken vertrok, dacht niemand aan Afrika", constateerde de Britse conservatieve politicus Lord Salisbury. "Toen ik er in 1885 terugkwam, waren de Europese naties aan het ruziën over de portie van Afrika die elk kon krijgen."

Nadat ze hun gebieden hadden bemachtigd, ebde veel van de aanvankelijke interesse bijna even snel weer weg. Economische activiteiten werden overgelaten aan commerciële bedrijven. Missionarissen en zendelingen mochten het onderwijs en de zorg voor hun rekening nemen. Koloniale regeringen en ambtenaren steunden voor een belangrijk deel op lokale stamhoofden en andere autochtone tussenpersonen. Er was sprake van slechts een flinterdun laagje blank gezag. Van de ontwikkeling van de gebieden werd nauwelijks werk gemaakt.

Waarom al die haast? Als er al enige ambitie bestond om de landen verder te brengen, dan hadden de koloniale machten daar nog eeuwen de tijd voor.

Soms ging het puur en alleen om persoonlijk gewin zoals het geval was bij de Belgische koning Leopold II. Hij verrijkte zich ten koste van Congo, waarbij mogelijk tot tien miljoen mensen omkwamen, de helft van de toenmalige plaatselijke bevolking. Joseph Conrad, schrijver van de roman 'Heart of darkness' noemde het optreden van de Belgen "de vuigste graaipartij die de geschiedenis van het menselijk geweten ooit heeft ontsierd".

Het 'verrijken ten koste van' is een constante in de geschiedenis van Afrika. Meredith laat zien hoe hooggespannen de verwachtingen waren toen het werelddeel na jaren van koloniale uitbuiting aan het tijdperk van onafhankelijkheid begon. De nieuwe start viel midden in een periode van internationaal economisch hoogtij. De jonge staten konden bovendien profiteren van de financiële en andere aandacht van de twee machtsblokken in de Koude Oorlog.

Het liep allemaal op een desillusie uit. De afgelopen halve eeuw Afrikaanse geschiedenis was vaak een tragische potpourri van alleenheersers, eenpartijstelsels, corruptie, honger, oorlog en volkerenmoorden.

Volgens een officieel rapport uit 2005 staken de leiders van Nigeria in de eerste vier decennia van onafhankelijkheid het astronomische bedrag van 220 miljard dollar in eigen zak. Tot op de dag van vandaag vloeit veel van de Afrikaanse welvaart naar andere delen van de wereld. Het continent staat ondertussen onderaan op zo'n beetje alle mondiale lijstjes. Geen regio is armer, kent een lagere levensverwachting, een lager onderwijsniveau en een hogere werkloosheid.

Meredith vermijdt uitgebreide conclusies aan het einde van 'De schatten van Afrika'. De synthese verweeft hij steeds listig door zijn boek heen. Maar het is duidelijk dat hij bij al zijn liefde voor het continent weinig hoop heeft voor de nabije toekomst.

Martin Meredith: De schatten van Afrika. Vijfduizend jaar rijkdom, hebzucht en ambitie. Vertaald uit het Engels door Merel Leene, Marianne Palm en Kitty Pouwels. De Bezige Bij; 732 blz. euro 39,90

Arm Afrika rijk aan geschiedenis

Martin Meredith zet vijfduizend jaar Afrikaanse historie in perspectief: Er was veel meer dan het kolonialisme

Deel dit artikel