Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Boek uit, gehaktbal weg

Home

Leonie Breebaart

Toen hij vader werd, zette Jonathan Safran Foer het vlees opzij. De lezer van zijn geraffineerde boek over de bio-industrie krijgt al snel de neiging hetzelfde te doen.

Vleeseters die dat willen blijven, kunnen beter met een grote boog om dit boek heen lopen. Want wie ’Dieren eten’ van de Amerikaanse romancier Jonathan Safran Foer heeft gelezen, zal niet snel meer een gehaktbal opscheppen.

Dat een romanschrijver zich sterk maakt voor dierenrechten is niets nieuws: Nederlanders als Maarten 't Hart en Mensje van Keulen gingen Jonathan Safran Foer voor. Maar diens bijzondere vermogen zijn lezers te ontroeren maakt deze jonge Amerikaan wel tot een bijzonder gevaarlijk exemplaar. Met zijn roman ’Extreem luid en ongelooflijk dichtbij’, over een negenjarige nerd die zijn vader bij de aanslagen van 9/11 verliest, kreeg hij immers al de halve wereld op de knieën. Vrijwel in zijn eentje bewerkstelligde hij een omslag in de literaire mores: cynisme was niet meer cool : mededogen en humor des te meer.

Dat empathisch talent gebruikt Foer nu in ’Dieren eten’. Op het eerste gezicht is dit pure non-fictie: de neerslag van een driejarig onderzoek naar de productie van vlees (en vis en zuivel), begonnen toen de schrijver vader werd. Foer wilde wel eens weten wat hij zijn kind voorzette. Maar juist omdat de schrijver zo persoonlijk is en ons laat delen in ’het verhaal achter de feiten’, voel je je ook persoonlijk aangesproken.

Het begint er al mee dat Foer bekent jarenlang met smaak vlees gegeten te hebben, waarbij hij zijn schuldgevoelens effectief verdrong: „Over het algemeen probeerde ik een fatsoenlijk leven te leiden. Over het algemeen was mijn geweten zuiver genoeg. Geef die kip eens door, ik verga van de honger.” Zulke bekentenissen werken ontwapenend: de auteur is geen nare scherpslijper of hardliner: hij begrijpt je.

Vervolgens injecteert Foer je heel geraffineerd, via zijn hond George, met een dosis dierenliefde. Hij zet de hond niet neer als engelachtig wezen (want een sentimentele vegetariër overtuigt niet), maar als lieve lastpak: George vernielt speeltjes, graaft plantjes uit, hij ’stort zich op skateboarders en chassidische joden en zet menstruerende vrouwen voor schut’. Heeft de auteur je eenmaal in ontspannen lachende toestand, dan slaat hij toe met ijzeren logica: waarom zijn we lief voor honden, maar mishandelen en eten we wel varkens, die toch bijna net zo slim zijn?

Het is een oeroud argument, maar Foer heeft gelijk: er is nog steeds bitter weinig tegenin te brengen. De vraag is hooguit of de bio-industrie zo afschuwelijk is als dierenactivisten beweren.

Die vraag pareert Foer met een ijver die doet denken aan de jonge held van zijn 9/11-roman. Hij bedelft ons onder onthutsende cijfers en rapporten over de bio-industrie. En die klinken meestal betrouwbaar. Vooral omdat we ze allang kennen: we weten van de onverdoofd gecastreerde biggetjes, van kuikentjes die levend worden vermalen, van met antibiotica volgestopte stresskippen, van varkens die nooit buiten komen en altijd op een rooster staan, van ’foutjes’ tijdens de slacht. Van de effecten voor het milieu.

Toch houdt Foer ook in dit stadium de band met de vleeseter (en met de welwillende veehouder) in stand. Telkens als de irritatie over al die morele druk toeslaat, werpt hij je een brokje begrip toe. Want als koeien nou een mooi léven hebben, dan mag je hun vlees toch wel eten?

Dat vond de schrijver ook. En dus ging hij ging op bezoek bij sympathieke ’biologische’ boeren, die het beste met hun beesten voor hebben. Alleen: ook zij blijken afhankelijk van slachterijen, en daar leidt de vraag naar goedkoop vlees bijna standaard tot haast, onzorgvuldigheid, wreedheid. Hoe biologisch het vlees op je bord ook is, je kunt nooit uitsluiten dat het dier in kwestie onnodig heeft geleden.

Aldus klemgezet, voel je als niet-vegetarische lezer een sterke behoefte terug te slaan, en daar biedt Foer eerlijk gezegd ook wel gelegenheid toe. Soms lijkt het wel of elke minder idyllische omgang met het dier hem afschuw inboezemt. De slachter ’zou zo de hoofdrol in een horrorfilm kunnen spelen’ en: ’in de visserij worden letterlijk en systematisch oorlogstechnologieën gebruikt’. Ook vraag je je wel eens of af elk lijden dat de hoogsensitieve Foer zo aangrijpt even erg en onvermijdelijk is. Lijkt het leven op kantoor niet ook vaak op een legbatterij? Stress, lawaai en een hoge druk om targets te halen leiden niet zelden tot hartklachten en burn-outs!

Maar je voelt dat zulk verweer niet echt helpt: het herinnert te sterk aan de in de geschiedenis al vaker gedemonstreerde behoefte om op grote schaal gepraktiseerde narigheid te bagatelliseren of te ontkennen.

Hoewel Foer het woord Holocaust zorgvuldig vermijdt (de slavernij noemt hij wel), dringen de associaties zich ongewild op. Het bijeendrijven, het transport, levende wezens die als dingen worden behandeld, wier lijden er niet toe doet, omdat niemand het ziet, of wil zien.

Maar als Foer zijn Joodse oma opvoert (wat hij meermaals doet), is dat niet om te schermen met de geschiedenis van de Joden, maar om een laatste ’tegenstander’ te verslaan. Want wat betekent vegetarisme voor onze band met de traditie, met onze cultuur en identiteit? Wat betekent het voor oma, en dus voor je roots, als je haar met liefde bereide familierecept kip-met-worteltjes afwijst? Wat betekent het voor Amerikanen om met Thanksgiving de kalkoen, symbool van dankbaarheid, te laten staan?

Het tekent de auteur dat hij ook dát argument serieus neemt. Want het is belangrijk. Nederlanders zal die kalkoen minder kunnen schelen, maar bitterballen, erwtensoep, stooflapjes en haring vertegenwoordigen iets. Ze laten staan, klinkt als een akelige uitholling van ons bestaan. De vraag, schrijft Foer, is alleen wat erger is: doorgaan met het ontkennen van de pijn die we niet zien, of het opgeven van onze gekoesterde gewoonten?

Zelden heb ik een boek gelezen waar zo'n sterk moreel appèl van uitgaat. Sinds het uit is, eet ik nog wel zuivel en vis, maar geen vlees meer. Hoe lang dat vol te houden is? Geen idee. Maar zolang ’Dieren eten’ in de boekenkast staat, zal deze slimme en warmhartige schrijver me met zijn akelig ernstige blik blijven aanstaren.

Lees verder na de advertentie
Jonathan Safran Foer eet vlees noch vis: In de visserij worden letterlijk en systematisch oorlogstechnologieën gebruikt.'
Jonathan Safran Foer eet vlees noch vis: In de visserij worden letterlijk en systematisch oorlogstechnologieën gebruikt.' (FOTO JERRY BAUER)

Deel dit artikel