Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Boeddhisme is wel degelijk dogmatisch

Home

Cokky van Limpt

Het boeddhisme is vrouwvriendelijk, God speelt er geen rol in, dogma’s ontbreken en mediteren is belangrijk. Dat denken westerlingen. In Azië ligt dat totaal anders, zegt hoogleraar Paul van der Velde.

Paul van der Velde’s kamer op de 17de etage van het Erasmusgebouw –het domein van de religiewetenschappers van de Nijmeegse Radboud Universiteit– is, ook zonder kamernummer, niet mis te lopen. Zijn deur wordt bewaakt door een enorme, woest ogende Chinese tempelwachter; boven diens hoofd hangt een imposant boeddhistisch tempelreliëf aan de muur.

De kamer zelf heeft de nieuwe hoogleraar Aziatische religies omgetoverd tot een oosters museum: op de grond, op boeken en kasten prijken beelden van boeddha’s, monniken, tempelwachters. Er staat zelfs een compleet minitempeltje uit Birma. „Je moet toch een beetje kunnen zien waarmee we hier bezig zijn”, vindt Van der Velde.

Dat is de komende tijd vooral de westerse variant van het boeddhisme. Die verschilt sterk van het oorspronkelijke Aziatische boeddhisme, zegt Van der Velde. In het Westen draait het vooral om meditatie, in Azië om dana, schenken. „Mensen doneren aan de monnikengemeenschappen, richten boeddhabeelden op voor hun voorouders, en doen dat alles met het doel positief karma op te bouwen en zo een betere wedergeboorte te realiseren, voor zichzelf of voor een ander. De monniken nemen de donaties aan, met alle rituelen eromheen.” En de meeste monniken mediteren niet.

De enorme verschillen tussen beide vormen van boeddhisme danken we volgens Van der Velde aan de keuzen die eind 19de eeuw zijn gemaakt. Mensen als Helena Blavatsky –oprichtster van de Theosofische Vereniging– en haar rechterhand Henri Olcott reisden naar Sri Lanka af om het boeddhisme te ’redden’, dat dreigde te bezwijken onder de bekeringsijver van christelijke missionarissen. Zij ’ontdekten’ het boeddhisme, dat zij zagen en waardeerden als natuurwetenschappelijke en adogmatische religie.

Deze twee theosofen drukten hun stempel op het westerse beeld van boeddhisme. Zij zeefden de lastige elementen uit het Aziatische boeddhisme en maakten zo een selectie die aansloot bij een westerse behoefte. „En ja, als je de vinaya weglaat –de honderden regels waaraan monniken en nonnen zich moeten houden– dan wordt het boeddhisme vanzelf adogmatisch. Maar voor Azië geldt dat beslist niet. De leefregels voor kloosters worden rechtstreeks toegeschreven aan de Boeddha. Volgens de traditie heeft zijn kapper Upali de vinaya opgesomd, vlak na zijn dood, die wordt gedateerd op 480 of 400 voor Christus. Ik noem er een paar: een monnik zal zich niet springend tussen huizen begeven. Hij zal niet prediken aan iemand die op een olifant zit, tenzij deze persoon ziek is. Een monnik zal niet het poep-poep-poepgeluid maken, hij mag niet met een vrouw achter een scherm zitten, en niet eten na twaalf uur ’s middags, tot de bedelronde van de volgende morgen.”

Verder zijn er regels voor oor- en neushaar, en voor het aantrekken van kleren: een monnik mag zijn binnenste gewaad niet aantrekken als een slurf van een olifant –niet kreuken. „Als reisleider heb ik dat meermalen laten demonstreren, door een monnikje van 12 of 13 in een klooster in Birma, dat het net heeft geleerd. Hij is daar minimaal een minuut of tien mee bezig. Dat is een grappig gezicht, zo’n koker van stof met twee voetjes eronderuit.”

Deze regeltjes zijn ’regelrechte dogma’s’. Net als de wet van karma: handeling heeft een gevolg.

Westerlingen denken dat God niet meedoet in het boeddhisme. Van der Velde: „Het nirvana is inderdaad iets anders dan God. Toch zit het boeddhisme vol goden. Anders dan in het monotheïsme is God niet ultiem. Je kunt worden (weder-)geboren in de hemel als een van de goden, maar ook dan ga je gewoon weer dood. Het is overigens geen beste geboorte. Het is wel aangenaam toeven daar, tussen de paradijsbomen waaraan muziekinstrumenten hangen, waarop je als god meteen kunt spelen zonder het eerst te hoeven leren. Maar dat is meteen het grote probleem: in de godenhemel leer je spiritueel niets, omdat de contrasten ontbreken. Ziekte en pijn ervaar je als god niet in die non-dualistische wereld. Maar opeens ben je oud en grijs, heb je pijn en val je uit de hemel diep in de hel. Je hebt immers niets geleerd en dus ook geen positief karma opgebouwd.”

Er zijn zes werelden waarin je geboren kunt worden: die van de dieren, goden, mensen, hongerige geesten, demonen, en de hel. Je kunt beter als mens worden geboren dan als god, want hier op aarde valt er wel genoeg te leren en positief karma te ontwikkelen. Mensen kunnen zelfs de goden helpen, zegt van der Velde. „Ze kunnen de goden bijstaan door positief karma over te dragen aan de goden. Bijvoorbeeld door boeddhabeelden voor ze op te richten. Dan gaan de goden jóu steunen, door bijvoorbeeld het klimaat te regelen of een koning te helpen bij het besturen van zijn rijk.”

Waar het Westen ook graag aan voorbijziet, is de Aziatische –en boeddhistische– vrouwvijandigheid. „Het boeddhisme is beslist niet vrouwvriendelijk”, zegt Van der Velde. Een ander groot verschil tussen oosters en westers boeddhisme is de wijze waarop de Boeddha wordt nagevolgd. „Het Westen kent alleen de Boeddha zelf als rolmodel. In Azië zijn er veel meer rolmodellen, levensverhalen van heiligen en monniken en de 547 jataka’s –incarnatieverhalen van de Boeddha van voor zijn verlichting. Vaak werd hij wedergeboren als dier, maar er zijn ook verhalen waarin hij incarneerde als plant of werd wedergeboren als boomgeest. Hij kon zich, volgens de traditie, miljoenen van zulke verhalen van vorige levens herinneren, maar hij heeft er maar 547 verteld.”

Het westerse boeddhisme laat dit narratieve element helemaal weg, constateert Van der Velde, of ziet de jataka’s als sprookjes, of grijpt naar de psychologie en noemt de geboorteverhalen fasen in de karmische ontwikkeling op de weg naar verlichting. Maar in Azië spelen die geboorteverhalen een heel concrete rol, zelfs bij de standpuntbepaling over een actuele ethische kwestie als orgaandonatie. In drie jataka’s offert de Boeddha stukken van zijn eigen lichaam. In Thailand verbindt men daaraan de conclusie dat orgaandonatie een gerechtvaardigde zaak is.

In het Westen bestaat de neiging om de zes werelden waarin je (weder-)geboren kunt worden, te psychologiseren. „Westerse boeddhisten beschouwen die werelden als states of mind. Dat mag best, maar in Azië ziet men die werelden heel concreet. Een voorbeeld: Pol Pot en Hitler zitten nu in een vreselijke hel en ervaren zichzelf als lijdend wezen. Ze weten namelijk niet waarom zij daar zitten, want ze zijn vergeten wat ze hebben gedaan. In het Aziatische boeddhisme is het nu de uitdaging om voor die wezens mededogen te ontwikkelen, zodat zij een betere wedergeboorte krijgen en jijzelf positief karma opbouwt.”

Ook het imago van Boeddha is sterk plaatsgebonden. In Azië wordt vooral zijn bovenmenselijkheid benadrukt, in het Westen zijn menselijkheid en bereikbaarheid. „In Azië heeft de Boeddha 32 lichaamskenmerken waaraan je hem herkent, zoals de ushnisha, die uitbouw bovenop zijn hoofd. Ook zou hij op iedere voetzool een wiel hebben met duizend spaken, zijn zijn vingers even lang, lopen de lijnen op zijn handpalm parallel, heeft hij veertig tanden, kan hij met zijn tong zijn voorhoofd en zijn beide oren bedekken, heeft hij blauw lichaamshaar dat omhoog groeit en naar rechts krult, en een stem als een karavika-eend –zonder echo zodat hij over een grote afstand kan prediken. Daar hoor je hier nu nooit iemand over.”

Samenvattend concludeert Van der Velde dat het idee dat het boeddhisme adogmatisch zou zijn, in het Westen bijna een dogma is. Dat zegt weinig over het oosterse boeddhisme maar volgens hem des te meer over wat wij in het Westen zien als een ideale religie. „Dat ideaal projecteren we vervolgens op het boeddhisme. Sommigen gaan zelfs zo ver dat zij zeggen dat er sprake is van een kernboeddhisme, dat inhoudt wat de Boeddha gezegd en gedaan zou hebben. Wat wij hier doen –mediteren dus– zou die kern zijn. En alle dogma’s, leefregels, rituelen en culturele uitingen van het Aziatische boeddhisme zouden de ’aanbaksels’ zijn, en zeker niet wat de Boeddha gewild heeft. Dit laatste is echter de vraag.”

Het boeddhisme heeft door de eeuwen heen in elke cultuur een eigen vorm aangenomen. Van der Velde: „Dat heet upaya, het aanpassen van de leer aan een nieuwe situatie. Er zijn fundamentalisten die het met dit pragmatisme niet eens zijn, maar een veroordeling kom je niet vaak tegen. Behalve dan bij sommige westerlingen, die de volgorde omkeren en het oorspronkelijke Aziatische boeddhisme waaruit zij elementaire onderdelen hebben geschrapt nu, vanuit hun wensdroom van de ideale religie, wegzetten als bijgeloof.”

Lees verder na de advertentie
Paul van der Velde, hoogleraar Aziatische religies: 'Westerlingen zien het boeddhisme als een ideale religie.' (Jörgen Caris, Trouw)

Deel dit artikel