Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Bob Smalhout: leven tot de laatste snik

Home

Arjan Visser

© ANP

Twintig jaar lang was hij columnist voor De Telegraaf. Hij schreef vileine zinnen over het land dat hem lief was. Professor Bob Smalhout overleed gisteren op 87-jarige leeftijd aan nierfalen. Begin dit jaar vertelde hij in de rubriek de tien geboden in Trouw dat hij het leven niet meer zag zitten. 'Ik zeg het u ronduit: het valt me vreselijk zwaar.'

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Eerst komt de vraag: bestaat God? En dan: bestaat God voor u? Persoonlijk geloof ik dat zoiets wel móet bestaan omdat ik diep, heel diep onder de indruk ben van de gecompliceerdheid van de wereld, van het leven. Hier moet een meesterlijk soort plan achter zitten, iets wat geen mens had kunnen bedenken. Om die reden geloof ik - dat wil zeggen: ik hoop het zo verschrikkelijk dat ik ben gaan denken dat het waar is - in een leven na de dood. Je kunt je toch niet voorstellen dat al die buitengewoon ingewikkelde systemen voor de flauwekul zijn bedacht? Dat we sterven, begraven worden en dat was dat?"

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Het klinkt misschien een beetje raar, maar je zou kunnen zeggen dat werk mijn afgod is geweest. Ik heb altijd, zo lang als ik mij kan herinneren, dokter willen worden. Als klein jongetje had ik een hekel aan alles wat stuk was, wat beschadigd was of niet goed functioneerde. Ik had mijn autoped volgehangen met envelopjes waarin ik pleisters, een stukje gaas en wat jodium had gestopt.

"Dan hoopte ik dat er ergens in de straat een kind zou vallen, zijn knie zou schaven of zich anderszins zou bezeren, zodat ik er op af kon stormen met mijn ambulance-step en eerste hulp mocht gaan verlenen. Dus een afgod... nee, zo moeten we het toch maar niet noemen. Ik heb mijn leven lang de innerlijke drang gehad om mensen te helpen, beter te maken. Waar en wanneer dan ook."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Als u een of ander schurftig hondje heeft dat het aanzien niet waard is, maar u bent gewoon gek op dat beestje, u verzorgt en vertroetelt hem en hij ligt 's avonds aan uw voeten, dan moet ik natuurlijk niet zo'n rund zijn om tegen u te zeggen: 'God, wat een kolerehond is dat zeg! Hoe kom je aan zo'n mormel?' Dan weet ik toch dat ik u tot in het diepst van uw ziel beledig? Dat bedoel ik.

"Helaas gedragen mensen onder elkaar zich vaak wél zo. Ik vind dat je instanties waar zo veel mensen grote eerbied voor hebben niet moet beledigen. Dat heet fatsoen. Ik denk overigens dat God zich er niks van aantrekt. U voelt zich toch niet gegriefd als een jongetje van vier roept dat u een grote klootzak bent? Daarvoor is de afstand tussen u en dat jochie veel te groot."


Lees verder na de advertentie
Ik hoop het zo ver­schrik­ke­lijk dat ik ben gaan denken dat het waar is - in een leven na de dood.

Bob Smalhout

ANP © ANP Kippa

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Een goede dokter werkt altijd."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader had een hartkwaal, overgehouden aan de Spaanse griep. De hevige koorts die hij destijds had gehad was een geweldige belasting voor zijn hart geweest. Hij was in feite invalide, maar werkte desalniettemin. Om de zoveel tijd kreeg hij een aanval, dan kwam hij binnen gewankeld, met de hand aan zijn borst, benauwd, verrekkend van de pijn. Dan werd hij door mijn moeder op de divan gelegd en gaf ze hem te drinken. Later kreeg hij van die tabletjes, voor onder zijn tong. Het was natuurlijk een ordinaire angina pectoris, een periodieke vernauwing van de kransslagader; iets wat ze nu met een bypass-operatie zouden hebben opgelost.

Ja, ik dacht ook dat ik hem kon genezen. Ik bracht hem melk met suiker, omdat ik op school had geleerd dat suiker goed was voor de stofwisseling... God, ik hield zo veel van die man, daar kunt u zich geen voorstelling van maken. We vonden het heerlijk om bij elkaar te zijn, iedere zondag liet hij een ander museum zien en gaf uitleg bij alles wat we zagen. De man die alles wist. Dat was hij.

Als ik ziek was, kwam mijn vader bij mijn bed zitten.

Hij wilde me per se leren fietsen. Dan holde hij achter me aan tot-ie haast van ellende in elkaar zakte. Later, toen we samen gingen fietsen, moest ik het laatste eindje afstappen en hem vooruit duwen.

Het ging steeds slechter met hem. De laatste weken lag hij alleen op een kamer. Omdat hij zoveel pijn had en niemand tot last wilde zijn. Op een avond werd ik wakker. Ik stapte uit bed, kwam mijn moeder tegen op de gang. 'Wat is er?' 'Ik weet het niet', zei ik, 'ik heb ineens zo'n akelig gevoel.' 'Ik ook', zei mijn moeder, 'zullen we samen bij papa gaan kijken?' We liepen naar zijn kamer. Hij lag in bed, op zijn zij, ogenschijnlijk te slapen. Mijn moeder riep hem en raakte, toen hij niet reageerde, zijn schouder aan. Dood. Met in zijn ene hand een boek en tussen de vingers van zijn andere hand een potloodje.

© ANP

Nieuwe testament
"U zult het niet geloven, maar het laatste boek dat mijn vader - een niet praktiserende maar wel gelovige joodse man - heeft gelezen was het Nieuwe Testament. De regels die hij had onderstreept stonden in het evangelie van Matteüs. Ik heb ze meteen overgeschreven, uit mijn hoofd geleerd, voorgoed onthouden: 'Voorwaar, Ik zeg U: voor zoveel gij dit een van deze Mijner minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.'

"Nou, dat was het dan. En zo verloor ik mijn vader. Het spijt me... Ik heb het er nog steeds moeilijk mee, nog steeds. Hij is in 1939 overleden dus dat is... 76 jaar geleden? En ik schiet iedere keer weer vol als ik eraan denk.

"In zekere zin zou je kunnen zeggen dat hem ook veel bespaard is gebleven; hij werd ziek toen de Duitsers Polen binnenvielen. 'Nu begint de ellende', zei mijn vader. Hij zag het aankomen, ook al zou hij zich nooit hebben kunnen voorstellen dat heel zijn familie - al mijn ooms en tantes, al mijn neefjes en nichtjes -- zou worden uitgeroeid.

"Mijn moeder was een ongelooflijk sterke vrouw, maar ze heeft het in de oorlog behoorlijk voor haar kiezen gekregen. Ze ontving een klein pensioen, moest mij en mijn vijf jaar jongere zusje alleen opvoeden en nam ook nog eens twee Joodse onderduikers in huis. Steeds minder eten, twee half-Joodse kinderen die als zogenoemde Mischlinge in toenemende mate gevaar liepen te worden opgepakt... Ik denk dat de stress haar in die jaren op de been heeft gehouden. Na de bevrijding stortte ze volledig in. Met hulp van de Stichting 1940-1945 kon ze, binnen een paar maanden, in een rusthuis weer een beetje op adem komen.

"Ze is een eind in de negentig geworden. Misschien heeft ze die hoge leeftijd wel aan haar ijzingwekkende discipline te danken gehad; ze liet zich niet kisten. Ik heb weleens gedacht: stel je voor dat niet mijn vader, maar mijn moeder op jonge leeftijd was overleden? Dan hadden we de oorlog niet overleefd.

"Tegelijkertijd is die praktische, zakelijke kant van haar misschien wel de reden van onze breuk geweest. Toen ik met mijn eerste vrouw, Mieke van der Wees, trouwde kwam ze uit protest niet naar onze bruiloft. Mieke was een gescheiden vrouw, met jonge kinderen; de verkeerde keuze voor een jongeman aan het begin van zijn carrière. We spraken elkaar jaren niet. Het kwam wel weer goed, maar ik heb nooit de vertrouwelijke gesprekken met haar gevoerd die ik zeker met mijn vader gevoerd zou hebben.

"Wat ook pijnlijk is: ik heb niet echt afscheid van haar kunnen nemen. Ze kreeg alzheimer en verloor de greep op de werkelijkheid. Ik zal mijn laatste bezoek aan haar in het verpleeghuis nooit meer vergeten. Ik zei: 'Dag mama, ik kom effe gezellig bij je zitten.' 'Ach meneer', antwoordde ze, 'wat aardig dat u langskomt! Waar ken ik u eigenlijk van?'"

Het pijnlijke is dat er geheel tegen mijn zin in een einde aan die huwelijken is gekomen

Bob Smalhout

© ANP

VII Gij zult niet echtbreken

"Wat andere mannen verleidelijk noemen, maakte op mij geen enkele indruk omdat ik, tijdens mijn werk, de hele dag door blote vrouwen zag. Een vrouw wordt voor mij pas aantrekkelijk als ze helemaal is aangekleed. Los daarvan: ik ben trouw. Ik heb mijn twee vrouwen nooit bedrogen. Het pijnlijke is dat er geheel tegen mijn zin in een einde aan die huwelijken is gekomen.

"Mijn eerste vrouw, de celliste Mieke van der Wees - ik noemde haar Miekie - stierf na een lang en ontluisterend lijden in 2010 aan alzheimer. De dood van mijn tweede vrouw - historica, dichteres en schrijfster Nanda van der Zee - heeft mij, zo mogelijk, nóg harder getroffen. Wij zaten avonden-, nachtenlang te praten; heerlijke uren die ongemerkt voorbijgingen...

"Op 14 februari 2014 brak zij bij een val haar bovenarm en een paar ribben, daarna kreeg zij een zogeheten multiorgan failure - de ene na de andere functie viel uit - en stierf een paar weken later, op 24 maart, in het ziekenhuis.

"Ik weet niet hoe ik u dit moet vertellen... Ik zie het vaak helemaal niet meer zitten. Een aantal keren overwoog ik om eruit te stappen - ik heb de spullen in huis, dus dat is geen probleem - maar ik voel me tegenover mijn omgekomen familie verplicht om het vol te houden.

"Euthanasie bedrijven zou een regelrechte belediging zijn aan het adres van al die ooms en tantes, neven en nichten, die door de Duitsers in koelen bloede zijn vermoord. Het is mijn taak om datgene te doen wat hen werd misgund. Leven. Tot de laatste snik. Maar ik zeg het u ronduit: het valt me vreselijk zwaar."

VIII Gij zult niet stelen

"Jaren geleden is hier een inbraak geweest. Het hele huis was overhoop gehaald en allerlei mooie spulletjes ben ik kwijtgeraakt. Maar kijk, dát soort zaken weet ik makkelijk van mij af te zetten. Oké, pech. Doorgaan. Je moet je niet druk maken om dingen die je toch niet kunt veranderen. Als je buiten loopt kan het gaan regenen. Vervelend - want je wordt zeiknat - maar die regenbui kan je niet stilzetten. Het enige wat je kunt doen is ervoor zorgen dat je voortaan een paraplu bij je hebt."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Door tijdens mijn inaugurele rede, in 1972, de aandacht te vestigen op fouten die binnen de geneeskunde werden gemaakt, ben ik gedurende de rest van mijn loopbaan tegengewerkt. Ik was met mijn rede, 'De dood op tafel', een soort klokkenluider avant la lettre. Iedereen wist het, maar niemand wilde erover praten. En ze vonden dat ik mijn mond had moeten houden.

"Ik heb hier twee ordners vol dreigbrieven staan. Van collega's, artsen nota bene! 'We wachten je op en we slaan je helemaal verrot!' Ik heb niemand aangegeven, niemand verraden. Het enige wat ik voor ogen had, was de situatie verbeteren. En dat is ook gebeurd; het voorkomen van medische blunders is een speerpunt in ons vak geworden. Volgens mij kun je alleen van je fouten leren als je ze bespreekbaar maakt."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Ik ben tevreden over mijn leven, tot nu toe. Overal ter wereld ben ik geweest: Japan, China, Siberië, vrijwel alle Europese landen, Noord- Amerika, Zuid-Amerika, Canada, noem maar op... Ik heb een heleboel gedaan, meer bereikt dan vele anderen. Weet u wat ik nu alleen nog maar begeer? Sociaal contact.

"Sinds de dood van mijn tweede vrouw ben ik zo eenzaam dat ik 's nachts om twee uur door het huis loop te banjeren en dan de namen van mijn beide echtgenoten brul. 'Nanda! Miekie! Waar zijn jullie? Laat toch godverdomme eens iets van je horen!' Zo zeg ik dat, met die vloek erbij, omdat ik zo verschrikkelijk alleen ben en zo ontzettend eenzaam.

"Soms lig ik even in bed, naast de winterjas van Nanda die ik in het model van een mens heb gevouwen en onder mijn lakens heb gestopt. Er gaan nachten voorbij dat ik überhaupt geen oog dicht doe. Dan zit ik hier zomaar wat voor mij uit te staren, te wachten tot de deur opengaat, één van die twee binnenkomt en zegt: 'Hallo, hier ben ik weer. Sorry dat het zo lang moest duren, Bobbie.'"

Wat andere mannen verleidelijk noemen, maakte op mij geen enkele indruk

Bob Smalhout

Deel dit artikel

Ik hoop het zo ver­schrik­ke­lijk dat ik ben gaan denken dat het waar is - in een leven na de dood.

Bob Smalhout

Het pijnlijke is dat er geheel tegen mijn zin in een einde aan die huwelijken is gekomen

Bob Smalhout

Wat andere mannen verleidelijk noemen, maakte op mij geen enkele indruk

Bob Smalhout