Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Bijna-levenervaring

Home

Willem Jan Otten

© Barrett & MacKay/All Canada Photos/Corbis
Essay

Denk aan MH17, lees dan Wimans 'aantekeningen tussen knal en sterven'. Dat zijn de nieuwe 'Pensées' van Pascal.

Minister Frans Timmermans heeft na het neerhalen van vlucht MH17 boven Oekraïne een inmiddels beroemde en voor velen ontroerende toespraak in de VN gehouden, waarin hij, bij wijze van climax, de wereld voor ogen toverde hoe het er tijdens de ramp aan boord aan toe kan zijn gegaan. Het was een visioen, waarin hij zich afvroeg of de passagiers elkaar nog in de ogen hadden kunnen kijken, elkaar vasthouden, hun kinderen tegen zich aan klemmen, elkaars hand grijpen - en zo, verenigd, elkaar omhelzend, naar de afgrond zijn gegaan.

Jeroen Pauw interviewde vervolgens de minister. Hij liet nog eens deze, als troost bedoelde, passage, zien en vroeg toen, met zijn onnavolgbaar pesterige glimlachje: hoe wist u dit eigenlijk? En hij voegde er aan toe dat het namelijk niet waar was wat de minister had verteld.

Stoerdoenerij
Timmermans' verbijstering was oprecht. Het was zoiets als na een grafrede waarin je je moeder hebt toegesproken: 'Nu ben je eindelijk bij papa', van je onuitstaanbare broertje te horen krijgen dat er helemaal geen hiernamaals bestaat. Timmermans' droom van de vereniging in de dood is een soort genade - alleen al omdat die voorstelling een overwinninkje op de doodsangst is, en vermoedelijk is ze zo'n beetje de laatste rest religiositeit die mensen uit de failliete geloofsboedel hebben weten te redden.

Pauws vraag was onheus, stoerdoenerij ('Ik weet donders goed dat er alleen maar godverdomme is geroepen aan boord, en uitzinnig gekrijst, face reality, Frans'). En toen beging Timmermans een fout. Hij zei niet: ik heb iets gezegd wat ik geloof, niet iets wat is gebeurd; ik heb ten overstaan van het wereldforum zoiets gedaan als bidden dat het zo is gegaan als ik ten diepste hoopte - maar hij zei, godweet waarom: 'Weet u dat er iemand met een zuurstofkapje om zijn gezicht is gevonden?'

Pauwse poppen aan het dansen! Want dit detail was nog onbekend, en gooide het hele idee dat er maar één oogwenk van explosie is geweest overhoop. Als mensen tijd hebben gehad om naar zuurstofmaskers te grijpen - hoe lang hebben ze dan geleden?

Timmermans' oogwenk was bedoeld als een beeld waarop de nabestaanden een visioen van eeuwigheid konden projecteren. Nu bleek de flits een fictie, en fictie betekent in de Powned-epoche: leugen. In het echt was er misschien wel een halve minuut verstreken - en waar moeten we die nu nog mee vullen? Met welke agonie en vooral: met welk doodsbesef?

Lekker puh
En toen moest Timmermans zijn excuses aanbieden, want de ontsteltenis bij de nabestaanden, en vooral: bij de twitteraars die zich haastten om nabestaandetje te spelen, was groot, en dus speelde ook de paranoia op, dat duivelse broertje van het verdriet. Wat houden 'de autoriteiten' achter, waarom krijgen we niet alles te horen?

Lees verder na de advertentie
Timmermans' verbijstering was oprecht. Het was zoiets als na een grafrede waarin je je moeder hebt toegesproken

Speech Timmermans

En zo kreeg Pauw gelijk. Niets weten we van het laatste ogenblik, lekker puh. Van de seconden tussen deze explosie en dit unanieme sterven niet, ja, van alle sterven niet, dat van Pauw incluis. Nooit zullen we kunnen navertellen wat we meemaken, wat we beseffen, welke ervaring ons wacht. En hiermee bedoel ik niet eens of ons een ervaring van hiernamaals wacht, een 'ergens' waar 'eeuwigheid heerst', maar simpelweg: van wat er in de uiterste seconde in ons plaatsgrijpt.

Alles wat we hierover zeggen is: poëzie. Verbeelding. En wat je van de menselijke soort ook beweert, het feit dat zelfs een minister van buitenlandse zaken met een overbezet hectisch hoofd zich de uiterste seconde voorstelt, inbeeldt zonder hem meegemaakt te hebben, is wonderbaarlijk.

We kunnen denken dat er iets zal gebeuren en tegelijkertijd kunnen we zeggen: wat ik bedenk, wat ik met verbeelding maak van de uiterste seconde is niet waar. Alles wat ik bedenk is niet de uiterste seconde. Die zal nog iets heel anders zijn dan wat we ervan maken.

Omkering
Wat Timmermans formuleerde was een geloof, een hoop. Hij probeerde dat wat we zeker weten - op dat moment ging iedereen dood - om te keren en er het tegendeel van dood van te maken: leven, liefde, vrede.

Precies deze omkering is het onderwerp van een fenomenaal boek dat de Amerikaanse essayist (en dichter) Christian Wiman (1966) heeft geschreven als reactie op zijn doodvonnis. Het heet 'My Bright Abyss', mijn heldere afgrond. Het is het enige boek dat ik deze lange zomer gelezen heb en herlezen en herlezen. Wiman lijdt aan een zeldzame, onwaarschijnlijk pijnlijke cocktail van mergkankers. En blijkt, bijna tot zijn eigen verbazing, een al even ongeneeslijke godzoeker. Een christelijke, wat des te verbazingwekkender voor hem is, want hij meende in zijn adolescentie gebroken te hebben met de god van zijn Texaanse jeugd.

Hij ging christenen beschouwen als "mensen die terugdeinzen voor toeval en dood, de bepalende realiteiten van het moderne leven". En vooral hield christelijk zijn in: de dood voor de kunst, "die het moet hebben van openheid". Volslagen areligieus zou hij nooit worden - hij werd een bekeerling tot de poëzie, en zou tot zijn ziekte twaalf jaar lang hoofdredacteur van het eerbiedwaardige tijdschrift Poetry worden. Elk gedicht dat hij schreef leerde hem dat zijn afhankelijkheid van inspiratie hoe dan ook elementaire vorm van mystiek is.

Alles wat we hierover zeggen is: poëzie. Verbeelding

Crisis
In 'My Bright Abyss' beschrijft hij niet stap voor stap zijn sterfbedbekering (want zo zou je het kunnen noemen, zij het dat het sterfbed inmiddels zeven jaar duurt), hij roept veeleer op hoe hij elke dag, elk uur waarin het hem gegeven is helder te denken, een proces van ommekeer doormaakt. "Christus is niet een antwoord op het bestaan, het is een manier van zijn."

En het is duidelijk: de crisis waar zijn ziekte hem in heeft gestort was vooral ook een crisis van zijn denken - van zijn zelfberedeneerde zekerheden. "God is niet de uitkomst van leven en denken; het leven is de uitkomst van God." En die uitkomst is een zijnswijze, een bewustzijn - waarvan hij zegt "dat ik er een heel eind van af sta, maar ik heb de lens naar mijn oog gebracht". De lens van Christus. Wiens methode verhalend is, niet redenerend of ideologisch, "Christus spreekt in verhalen omdat het bestaan niet een puzzel is om op te lossen, maar een vertelling die we erven.'"

Een godzoeker, nu dan dus, zij het een die elke gedachte aan een hiernamaals weigert. "Geloof is niet geloof in iets voorbij verandering; geloof is geloof in verandering." In zekere zin probeert hij met zijn boek hetzelfde als Timmermans: tot in het uur van zijn dood denken - een uur dat Wiman tijdens zijn 'futuristische medische behandelingen' meermalen bereikt lijkt te hebben. Het verschil met Timmermans is dat hij het over zichzelf heeft: Wimans aantekeningen zijn als het ware geschreven tussen explosie en gestorven zijn. Hij probeert niet anderen te troosten, maar zichzelf tot in God te denken. Of, zoals Jezus het tijdens zijn uiterste seconde heeft gezegd: om zijn geest in Gods handen te bevelen.

Niet dat hij zulke formuleringen bezigt. Wiman gebruikt zelden overgeleverde geloofstaal. Hij is een dichter in hart en een essayist in nieren, zijn denken is door en door persoonlijk, en vaak verontrustend intiem. Dit is paradoxaal - want hoezeer hij ook in zichzelf afdaalt, hij is er zich altijd van bewust dat alles wat hij 'ik' of 'mijzelf' noemt, in dit uur van God wordt afgebroken. Hij noemt geloof 'een doorlopende apocalyps', een voortdurende, vaak hardhandige zelfonthulling, 'met daar middenin de diep impliciete vrede'. Dat we die vrede, of rust, kunnen denken, of: verhopen, en op een bepaalde manier eigenlijk al 'kennen', is een 'wonderbaarlijke capaciteit'.

Mystiek-opvattingen
Het boek is een mozaïek van gebalde blokken tekst geschreven tijdens de korte stiltes tussen de pijnstormen in - en tezamen zijn de notities staties van een mystieke weg . Dikwijls verwijst hij naar Simone Weil, soms naar Thomas Merton en Henry Nouwen, vaak naar Meister Eckhart. Met de laatste verwijzing knoopt hij aan bij de recente literaire mystiek-opvattingen in de Nederlandse literatuur, maar anders dan Oek de Jong, Hans Faverey of C.O. Jellema blijft Wiman de ontlediging om tot God te komen verbinden met lijden. Hij neemt de hele Eckhart, inclusief Christus en Pasen, niet alleen de toch altijd wat intellectuele, zelfverschonende poëziehelft.

Het boek is een mozaïek van gebalde blokken tekst geschreven tijdens de korte stiltes tussen de pijnstormen in

'My Bright Abyss' is te lezen als een reeks aantekeningen tijdens de explosie, tussen knal en bewustzijnsverlies. En het ongelooflijke is dat Wiman het hevige besef van ieder ogenblik van de aardbodem verdwenen te kunnen zijn, beschouwt als een geschenk. Het is juist dan dat God in hem werkzaam is, wat zeggen wil: hem verlost van de gedachte dat de dood alles is - de enige zekerheid, de grootste macht. "Gods afwezigheid is altijd een roep om zijn aanwezigheid."

Wiman is door alle wetenschappelijke, journalistieke, sceptische wateren gewassen. Hij weet dat de gedachte aan 'na dit leven is er Niets' - geen hiernamaals, geen eeuwigheid - een verlokkelijke, fatale kennis is, die een soort 'existentialistisch heldendom' met zich meebrengt. Hij treft deze nihilistische heroïek aan bij de twintigste-eeuwse Helden van de Geest - Beckett, Camus, Kafka (als hij een Nederlandse schrijver was zou hij wellicht toegevoegen: W.F. Hermans, Rudy Kousbroek) - en kan die ook bewonderen, maar het leidt uiteindelijk, als de schijnbaar zo soevereine opvattingen tot dogma's verstarren, ook tot een cultus van het isolement. "Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen." Van God verlaten zijn, het schept een vreemde band, een soort stoere verongelijktheid die soms voor 'existentiële moed' wordt aangezien. Je hoort deze neostoïcijnse toon vooral bij fundamentalistische atheïsten die, na een bijna-doodervaring, met een soort triomfje zeggen "dat ze God niet zijn tegengekomen".

Hoe alleen en geïsoleerd Wiman zich tijdens zijn behandelingen ook weet, hopelozer verloren dan alle Krapps van Beckett - in zijn heldere ogenblikken steekt er een onuitroeibaar verlangen op om niet geïsoleerd te zijn, niet een molecuul dat tot atomen vervalt en dat is dat. Natuurlijk, Wiman is een mens (hij noemt zich zelf 'bepaald niet dapper', en een masochist is hij al helemaal niet), en onophoudelijk treft hij zich zelf aan met maar één 'gedachte': hield dit maar op, was ik maar dood. En al even dikwijls - of: tezelfdertijd - weet hij zich al evenzeer totaal door God verlaten.

Onophoudelijk
Je zou kunnen zeggen: dit boek met 'uiterste seconden' is een verzameling bijna-levenervaringen. Niet het licht aan het eind van de tunnel, aan gene zijde, heeft Wiman toen hij bijna dood was gezien, maar: terugkerend uit de narcose, de morfineverdoving, de totale uitputting na een chemokuur, wordt hij steeds weer overvallen door een bijna afgrondelijk levensbesef.

"God manifesteert zich onophoudelijk als leven." En tegelijkertijd wordt hij overweldigd door de gedachte dat hij om zo te zeggen dichter bij het leven zou moeten zijn, dat hij zich er niet genoeg voor openstelt. De bijna-doodervaring waar hij uit weerkeert heeft hem nooit de zekerheid van een leven na de dood gebracht. Integendeel, hij heeft sterk het gevoel dat hij weer leeft met een opdracht: om dit leven (dat hem kennelijk, met al z'n agonie en vertwijfeling opnieuw, en wie weet: voor maar even, vergund is) waar te nemen in het leven dat hij weer leiden moet. "Er is een andere wereld, maar het is in deze", citeert hij Paul Elouard. Hier doet Wiman wel een zeldzaam beroep op evangelietaal, door de woorden van Jezus te herhalen: "Het Koninkrijk Gods is in u."

Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen

Hij schrijft over zijn 'bijna-levenmomenten', zijn meest intense en vreugdevolle aantekeningen die bijna iets roekeloos hebben, komend van een man wiens 'kwaliteit van het bestaan' gereduceerd is tot ver onder het minimum van de Klaar met Leven-beweging.

Als mijn reactie op deze omwoelende meditaties de indruk wekt dat hier sprake is van de zoveelste moderne, theologisch-vertwijfelde poging om 'het lijden zin te geven', dan doe ik iets hopeloos verkeerd. Met dat soort zingeving maakt Wiman korte metten. Als na enkele jaren keiharde therapie een jaar luwte lijkt te zijn gewonnen, constateert hij dat het "niet zeker is of ik beter ben geïnformeerd over wat lijden betekent dan wie dan ook".

Twijfel en wanhoop
En dan komt hij tot één van zijn vele aforistische formuleringen: lijden heeft geen zin, maar is wel een sleutel. En het is duidelijk: het slot is God, die hij inmiddels 'leven' is gaan noemen, en in een andere passage 'mijn heldere afgrond'. Zijn grootste lijden is vertwijfeling geweest, en hij weet: er komt aan twijfel, zelfs aan wanhoop, geen eind. En toch: twijfel, en zelfs wanhoop zijn de sleutel, ze zetten de deur naar God op een kier, het 'eeuwig leven' volgt niet op het leven, maar de andere wereld is hier, in de heldere afgrond van het bestaan.

En terwijl je zulke noties op je in probeert te laten werken, realiseer je je plotseling dat je nog niet eerder zo intiem betrokken bent geraakt bij andermans geloofstwijfel; intiemer, lijkt het haast, dan bij die van je zelf - en steeds gaat het om betwijfeling van het geloof dat ik zelf meende te belijden... Dit, lezer, is een even hardhandig als mysterieus boek, dat met elke bestaanscrisis aan zegging zal winnen.

Dit zijn de 'Pensées' van onze tijd, een door en door theologisch boek zonder een spoor theologentaal. En het leert je poëzie lezen, door je te doen beseffen dat ook poëzie afdaalt naar de bron van geloof, dat een verlangen is, opgeweld uit vertwijfeling.

Dichter en romancier Willem Jan Otten (1951) won dit jaar de P.C. Hooftprijs. Volgende week verschijnt zijn essaybundel 'Droomportaal' (Van Oorschot; 288 blz. € 17,50).

Christian Wiman: My Bright Abyss. Meditation of a Modern Believer. Farrar, Straus & Giroux; 182 blz. € 13,99

Lijden heeft geen zin, maar is wel een sleutel

Deel dit artikel

Timmermans' verbijstering was oprecht. Het was zoiets als na een grafrede waarin je je moeder hebt toegesproken

Alles wat we hierover zeggen is: poëzie. Verbeelding

Het boek is een mozaïek van gebalde blokken tekst geschreven tijdens de korte stiltes tussen de pijnstormen in

Je voelt je thuis in de wereld door je nooit helemaal thuis te voelen

Lijden heeft geen zin, maar is wel een sleutel