Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

BASSIST TONY OVERWATER: MIJN MUZIEK IS VAN NU

Home

KEES POLLING

Motion Music speelt zondagmiddag in de Mondriaalzaal. De cd Motion Music verscheen op Jazz In Motion Records (JIM CD 0001; te bestellen op tel. 02152-50774)

Een paar maanden geleden beklaagde Tony Overwater zich er in de wandelgangen van het Haagse Korzo Theater over dat concertorganisatoren hem zo graag vastpinnen op eerdere successen, terwijl hij niets liever wil dan vooruit gaan en iets nieuws ontwikkelen. Aanleiding was het verzoek van het North Sea Jazz Festival om de oude, in de pers uiterst lovend geprezen filmconcerten - Ivens en Cinema Pur - te brengen. Maar Overwater was met zijn nieuwe groep Motion Music allang met nieuwe dingen bezig. En teruggrijpen naar een gepasseerd station deed hij liever niet.

Nu treedt hij op met Motion Music, de groep waarin hij de lessen uit die periode verwerkte. Maar ook Motion Music is in feite alweer een achterhaald stadium. “Het concept van wat ik met mijn groep nu op het North Sea Jazz Festival breng, ligt tussen dat wat ik vroeger met die groep deed en wat ik dit najaar wil gaan doen met een trio met de Zwitserse pianiste Sylvie Courvoisier en de Nederlandse slagwerker Joshua Samson. Dat zal meer gericht zijn op vrije improvisatie.”

We praten in de achtertuin van zijn woning in Huizen. Tony Overwater is een makkelijke prater. Hij formuleert helder. Onderwerpen die onder meer ter sprake komen zijn het werken met films, zijn keuze voor de contrabas (“puur toeval”) en zijn Nederlands/Europese oriëntatie.

Met Motion Music merkte hij de nadelen van succes. Eerder had hij de pers altijd aan zijn zijde gevonden. Eerst vanwege de optredens in heel Europa - als 23-jarige, aan de afdeling lichte muziek van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag studerende bassist - met de Amerikaanse sterren David Murray en Sunny Murray (geen familie), later vanwege de aan hem toegekende Podiumprijs 1989, zijn neobopgroep Scapes en zijn filmprojecten. Maar toen hij met zijn nieuwe groep niet meer met films werkte, liep de aandacht terug.

“Motion Music, waarvan ik de muziek hoger inschatte dan de filmprojecten, kreeg nauwelijks aandacht”, zegt hij teleurgesteld. “En dat terwijl die groep toch het resultaat was van het voorgaande leerproces. In Motion Music liet ik de films weer los, en maakte als het ware zelf een film met muziek.”

Dat leerproces leidt nu naar meer en meer vrij geïmproviseerde muziek. Met name zijn ervaring met het begeleiden van stomme films was belangrijk. Het stigma van neobop was daarop niet meer van toepassing. Met een kwartet maakte hij eerst muziek bij films van Joris Ivens. Ondanks het succes en Overwaters integere houding, was Ivens weduwe minder blij met het eerbetoon en verbood de projectie van de films.

Overwater liet zich niet ontmoedigen en startte de serie 'Cinema Pur', met stomme films van Franse cineasten als Man Ray. “Met die filmprojecten wilde ik uit het stramien komen van de jazz, zoals ik dat had geleerd op het conservatorium en kende van Amerikaanse voorbeelden. Het was een ontdekkingstocht naar wat ik zelf eigenlijk wilde. Op gegeven moment lukte het componeren me niet meer. Daar ben ik uitgekomen door muziek te schrijven bij stomme films. Die muziek moest heel functioneel en praktisch zijn. Ik hoefde maar weinig op te schrijven.” In zijn filmmuziek nam Overwater duidelijk stelling tegen de Amerikaanse voorbeelden. Typische bopgrooves werden weggelaten, er werd meer geïmproviseerd en het creëren van sferen werd belangrijker.

De films van Joris Ivens intrigeerden hem mateloos. “Ze waren zo Nederlands! Ze hielpen me mijn spel dichter bij mijn eigen roots te brengen. Die roots zijn toch al zo onduidelijk, omdat je als Nederlander aan zoveel invloeden onderhevig bent. Als kind al interesseerde ik me voor het kubisme van de jaren twintig. Van Mondriaan was ik een groot liefhebber. Van mijn vader, die architect is, leerde ik ruimtelijk inzicht. Ivens' films gaan heel erg over Nederland, georganiseerd met dijken, met een daar overheen hangende melancholie.”

Zijn fascinatie voor zijn Hollandse roots, hield Overwater niet af van het leggen van contacten met gelijkgezinde musici in heel Europa. Het typisch hoekige van veel Nederlandse muziek mocht in andere landen dan wel minder belangrijk zijn, er waren nog genoeg overeenkomsten om gezamenlijk te kunnen musiceren. Vooral in een trio met Sylvie Courvoisier, een Frans/Zwitserse pianiste uit Lausanne, ontwikkelde Overwater een gezamenlijke taal waarin ieders eigenaardigheden fascinerende ingrediënten vormen. Tegen Overwaters eigen vrij traditionele jazzachtergrond, zet slagwerker Joshua Samson invloeden uit de pophoek, terwijl de pianiste duidelijk laat horen dat ze uit de hardcore-improvisatiescene komt, waar swing een vies woord is.

Tony Overwater herinnert zich de eerste keer dat hij met Sylvie Courvoisier speelde. “Muzikaal was er meteen een ontzettende klik. Ik voelde weer de energie die ik had met David Murray en Sunny Murray. Dat muzikale peil is zoveel hoger dan dat van de meeste Europese musici die ik ken. Ook in Nederland speel je vaak maar op een soort medium niveau. Sylvie speelde daarentegen alsof haar leven er van afhing. Dat gaf een enorme kick.”

In zijn trio met Courvoisier en Samson richt Overwater zich nu op pure improvisatie. Hij noemt het duo van Misha Mengelberg en Han Bennink als voorbeeld. “Pure improvisatie is uiteindelijk toch het walhalla van de jazz. Het leuke van het improviseren met componisten - Sylvie, Joshua en ik doen dat alledrie - is dat er vanzelf vormprincipes ontstaan. Als je improviseert met mensen die goede noten spelen, ontstaan er wel leuke momenten, maar ontbreekt de structuur. Bij ons is juist die structuur belangrijk.”

Een ander buitenlands contact - de Italiaanse baritonsaxofonist Bruno Marini - leidde eerder dit jaar tot het meespelen op een hiphop-cd. “Noodgedwongen door het slechte jazzklimaat speelt Marini regelmatig in discotheken met een rapper en een DJ. Daaraan heb ik een keer meegedaan. Dat was heel enerverend. Het boeide me zo dat ik het liefst zelf met een rapper zou willen werken. Wat mij tegenhoudt zijn de herhalende ritmes. Zeker voor een bas is dat erg saai. Rap is leuk, maar ik wil er wel wat van mijzelf bij doen.”

Wat hem in rap aantrekt is de puurheid van de nog prille rapscene. “De jazz heeft die puurheid allang niet meer. Het Memorial Concert voor Miles Davis, met Herbie Hancock en Wallace Roney, een paar jaar geleden op het North Sea Jazz Festival, was voor mij een eindpunt. Dat was letterlijk een begrafenisconcert, waarmee een tijdperk werd afgesloten. Hoe graag ik er ook naar luister, ik heb niet het idee dat ik daar nog wat aan hoef bij te dragen. Sindsdien balanceer ik op het grensvlak van 'is de jazz nou helemaal voorbij?', of 'valt er toch nog iets aan te ontwikkelen?' De traditionele jazz heeft zich vanuit de musical-cultuur ontwikkeld tot bebop en hardbop. Jazz-standards spreken mij vooral aan uit een oogpunt van nostalgie. Maar als ik nu jazz zou maken zoals jazz bedoeld is, dan zou ik de muziek van nu als uitgangspunt moeten nemen. Dan zit ik veel meer op een lijn met wat iemand als Björk doet met moderne rap en house. Als kind was ik dol op reggae. Maar elke keer als ik een reggae probeer te spelen, merk ik hoe ik vasthoud aan de conventies van die muziek. Ik ben gek van bassist Oscar Pettiford. Dat is erg bebop en cool. Daar zou ik graag wat mee willen doen. Maar verder dan Pettiford naspelen, ben ik nog niet gekomen.”

Hij concludeert dat de jazz, zoals die zich heeft ontwikkeld, voor hem geen functie meer heeft. “Het is leuk om te doen, interessant om te studeren en het heeft harmonisch en melodisch een hoge vorm van muzikale ontwikkeling. Maar het is niet aan mij om die weg nog verder uit te diepen. Daar zie ik geen heil in. Ik wil graag iets brengen dat nadrukkelijk in mijn tijd staat. Maar zonder modieus te worden.”

Een andere manier om dat te bereiken, is voor hem het zich actief inzetten als organisator. Al tijdens zijn conservatoriumstudie richtte Overwater samen met anderen de organisatie Jazz In Motion op. Doel was de promotie van de naar hun idee bijzondere muziek van jonge Haagse musici. De meeste deelnemers van toen zijn afgehaakt. Zo niet Overwater, die de organisatie nog steeds als een ideaal ziet. Op Jazz In Motion Records brengt hij platen uit van gelijkgezinde musici als gitarist Olaf Tarenskeen. Ook de cd van Motion Music verscheen op dat label.

“Hoewel anderen het een beetje laten afweten, is mijn droom een muzikantencollectief, met als speerpunt de organisatie Jazz In Motion. Het label ben ik begonnen omdat de meeste bestaande labels tweeslachtig commercieel en ideëel zijn. Die manier is erg fout. Hun uitgangspunt is markt- en publieksgerichtheid. Volgens hen moet je muziek er zijn voor het publiek. Terwijl je toch eerder een publiek zou moeten vinden voor je muziek. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Die labels willen jazz verkopen, maar dan wel commerciële jazz. Laat ze dan liever helemaal commercieel gaan.”

Zijn ideeën kan hij ook kwijt in de Stichting Jazz en Geïmproviseerde Muziek In Nederland (SJIN). Hij zat een jaar in de adviescommissie die subsidieverzoeken beoordeelde. Begin juni verruilde hij die functie voor een plaats in het SJIN-bestuur. Hij noemt de SJIN “gevaarlijk terrein”. Maar, “ik zit er liever middenin en krijg daarvan de schuld, dan dat ik aan de zijlijn sta te roepen wat er allemaal fout gaat.” Toen hij in de adviescommissie ging, stelde hij zich ten doel de jonge conservatoriumgeneratie te vertegenwoordigen. “Het is geen leuke baan. Het is vervelend om met collega's uren aan de lijn te zitten praten over wel of niet gekregen geld.”

Afkomstig uit de Haagse bebop-scene, nemen sommige mensen het hem kwalijk dat hij in Huizen woont. “Want dat is 'bijna in Amsterdam'. En in Amsterdam ben je al snel een impro.” Nu hij in het SJIN-bestuur zit en muzikaal een bredere aanpak heeft ontwikkeld, wordt hij door sommige oude conservatoriumvriendjes helemaal als een overloper gezien. “Dat toont het ware karakter van de mensen. Sommigen willen niet meer met mij spelen, sinds ik in de adviescommissie zit, of zelfs niet meer met me praten. Met anderen heb ik geen probleem, zoals Angelo Verploegen, die met zijn Houdini's jarenlang geen subsidie kreeg. Wij blijven vrienden.”

Hoewel Overwater al weer een paar jaar van het musiceren kan leven, kan hij zich de tijd nog herinneren, dat hij, net van het conservatorium, niet in aanmerking kwam voor aanvullende podiumsubsidie van de SJIN. “Dat was geen reden om er bij neer te gaan zitten, maar juist om voor mijn muziek te vechten. De aanloop van net afgestudeerde conservatoriumstudenten zie ik ook niet echt als een probleem. Zij spelen toch zelden op podia die gesubsidieerd worden. Het probleem voor de SJIN is wie wel gesubsidieerd moeten worden. Dat wordt steeds lastiger. Er zijn enkele groepen in Nederland, waarover iedereen het eens is dat ze steun verdienen. Maar bij de rest is het soms echt peren vergelijken op hele kleine nuanceverschillen. Daarover ontstaan de discussies. Als groep X net 1/100ste punt te kort komt, kan ik niet hard maken dat groep Y met 1/100ste punt meer wel geld krijgt.”

Als het aan Overwater ligt wordt de term 'conservatoriumjazz' taboe. “Een conservatorium is gewoon een school waarop je technieken leert. Het enige wat je er nauwelijks leert, is een eigen stijl ontwikkelen. Dat is ook niet erg, omdat je toch eerst de basis moet leren. Toen ik op het conservatorium kwam, had ik net een jaar een contrabas. Ik had het conservatorium nodig om toonladders, harmonie en contrapunt te leren. Als jazz je taal is, moet je die ook zo goed mogelijk onder de knie zien te krijgen. Het verbaast mij niets dat groepen van musici die net afgestudeerd zijn, braaf overkomen. Dat is niet erg. Belangrijk is wel dat ze zich op gegeven moment tegen hun opleiding afzetten. Mij werd al gezegd: 'Je moet drie jaar lang alles slikken wat we je leren om je er daarna tegen af te zetten. Anders hebben wij gefaald.' Maar uiteindelijk kan iemand pas zijn eigen stijl ontwikkelen, als hij daar aan toe is. Zelf ben ik daar pas een paar jaar na het conservatorium echt mee aan de slag gegaan.”

Deel dit artikel