Babylonische afkomst als inspiratiebron

home

FRANK KOOLS

Joseph Semah, 'An introduction to the principle of relative expression', t/m 27 augustus, Kunstvereniging Diepenheim. In het Van Reekum Museum te Apeldoorn zijn tot 3 september tekeningen van Semah te zien als onderdeel van de expositie 'Een zomerlied in dertig coupletten'.

Rond de boom bracht Semah tien in brons gegoten ramshoorns aan als onderdeel van een expositie voor de Kunstvereniging. De hoorns grijpen ineen en kronkelen als een spiraal naar boven. Zij lijken naar de hemel door te stijgen, naar het verloren paradijs te reiken. Of vertellen de hoorns juist van de zondeval? Vormen ze de slang van Adam en Eva? Semah laat zich over de betekenis niet uit, maar hij wijst er wel op: “Adam en Eva zijn in de joodse cultuur lang niet zo belangrijk als in de christelijke.”

Semah draagt zijn geschiedenis met zich mee en dat blijkt al uit de manier waarop hij de vragen beantwoordt. Korte, directe antwoorden zijn er niet bij. Vriendelijk geeft hij via allerlei zijpaden een lange uitleg. Dat hij vervolgens in andere bewoordingen herhaalt. “Ik kom niet voor niets uit een geslacht van rabbijnen die de hele dag de schrift lazen en interpreteerden.”

Zijn grootvader van moederszijde was de opperrabbijn van Bagdad. Hij leidde de grote gemeenschap van Babylonische joden, die al sinds 586 voor Christus in ballingschap aan de Eufraat en Tigris woonde. Semah werd ook zelf nog in de Iraakse hoofdstad geboren. Maar als baby van anderhalf werd hij in 1950 met bijna de gehele Babylonische gemeenschap in een geheime operatie naar Israël overgevlogen.

Zijn grootvader bleef als een van de weinigen achter. “Hij was anti-zionistisch. Volgens hem kon de staat Israël nooit een uitkomst bieden aan het joodse volk. Toen hij in 1973 stierf, hebben de Iraakse machthebbers als eerbetoon een mausoleum voor hem laten bouwen.”

“Het gedwongen vertrek uit Bagdad en de scheiding van mijn grootvader waren zeer traumatisch voor mijn moeder. Ze kan er nog altijd amper over praten. Dat was in Israël ook niet goed mogelijk. Ik heb zelf in mijn jeugd nauwelijks iets te horen gekregen over Irak. Je moest die half-Arabische achtergrond maar zo snel mogelijk vergeten en Israëliër worden.”

“Mijn moeder beheerst nog de eigen taal die de joden van Irak kenden. Ik kan er zo van genieten wanneer ze haar af en toe door de telefoon vanuit Israël gebruikt. Maar ikzelf spreek die taal al niet meer. Het maakt me heel erg triest om te zien hoe in korte tijd een cultuur verloren gaat die zo'n drieduizend jaar bloeide.”

In tekeningen en sculpturen probeert Semah zijn wortels te hervinden. En, zo benadrukt hij voortdurend, die liggen bij het woord, de schrift. Zijn beelden zijn niet te begrijpen zonder de uitgebreide teksten, die hij ook voor Diepenheim erbij levert; 'In den beginne was het woord'. Hij wil niets weten van abstracte beeldende kunst, die geen woorden nodig heeft om zich aan de kijker mee te delen.

Tot zijn joodse erfenis hoort ook de angst voor pogroms. “Vervolgd worden en steeds moeten vluchten, zit ons in het bloed. Dat krijg je er niet snel uit.” In het gebouw van de Kunstvereniging geeft hij die gevoelens vorm door een L-vormige vloer te leggen van glimmende koperen platen. Onder een vloerdeel in een van de hoeken steekt een traditioneel joods gebedskleed uit.

“Die vorm van de vloer is afgeleid van de plattegrond van een Duitse synagoge die in 1938 tijdens de Kristallnacht is verwoest”, licht de kunstenaar toe. “En elke synagoge is weer een afgeleide van de tweede tempel in Jeruzalem.” De kunstenaar maakt zo letterlijk een ruimte vrij waar de vervolgden hun verhaal kunnen doen.

Ook de angst voor oorlog speelt voortdurend een rol in het werk van Semah. Hij ervoer die lijfelijk in 1973, toen hij meevocht in het Israëlische leger tijdens de Yom Kippoer-oorlog. In korte teksten bij een serie tekeningen probeerde hij eens zijn ervaringen te beschrijven: “Hersenen spatten op mijn kleding, terwijl hij nog doorloopt.”

Hij praat niet graag meer over zijn oorlogservaringen. Na enig aandringen zegt hij slechts: “Natuurlijk was het een trauma. En je bent ook de hele tijd bang. Iedereen is bang. Maar van dat gevoel ben je je maar af en toe bewust. Ik was vooral moe, de hele tijd alleen maar moe.”

Enige tijd na de oorlog verliet Semah Israël om, zoals hij zelf zegt, aan zijn derde ballingschap te beginnen. Hij belandde op een kleine kamer in Londen. Daar begon hij als een razende te tekenen. Ook in Israël had hij altijd al getekend. Maar hij kon daar geen kunstenaar worden. Zijn vader wilde er niets van weten. Hij verscheurde elke prent van zijn zoon die hij in handen kreeg.

Als vrijwillige balling in Europa begon Joseph Semah zich voor zijn achtergrond te interesseren. Zijn Babylonische afkomst werd een belangrijke drijfveer. Maar toch wil Semah beslist geen joodse kunstenaar genoemd worden. “Ik heb me in Europa nooit met joden opgehouden. En de symbolen die ik gebruik, zijn geen vaste joodse symbolen. Ik interpreteer plekken vanuit mijn achtergrond. Ik lees in mijn moedertaal, en dat is toevallig Hebreeuws. Meer niet.”

Sinds 1983 woont Semah in Amsterdam, maar ook daar wist de oorlog hem te vinden. Hij zag op tv hoe tijdens de Golfoorlog de eerste Scud-raket insloeg in een stad die direct aan Tel Aviv grenst. Op slechts een paar honderd meter van waar zijn moeder woont. Hij belde, maar kwam er niet doorheen. Hij belde opnieuw, en opnieuw. Daarop greep hij papier en potlood en begon een reeks tekeningen, die nu te zien is in het Van Reekum Museum te Apeldoorn.

Het duurde zeven dagen voor hij zijn moeder veilig bij zich had in Amsterdam. Maar ook toen bleef hij - vaak 's nachts - tekenen. Voor elke dag dat de oorlog duurde, maakte hij één tekening. Dag in, dag uit, steeds begon hij die met de schedel van een gehoornd vrouwelijk schaap. “Voor mij symboliseert dat de moeder, de vrouw. In de vorm van die schedel zie ik de baarmoeder. De gekromde hoorns lijken op de eileiders.”

Op een afstand van één kilometer van Diepenheim, nabij de rivier De Regge, bevindt zich het derde deel van Semahs kunstproject. Midden tussen weilanden vol halfwassen lammeren en percelen met mais ligt een joodse begraafplaats verscholen. Het zijn slechts achttien, vooral eenvoudige, stenen. Nieuwe komen er niet meer bij, de plaats is al geruime tijd een monument. Zo wachten de stenen in de koele lommer van verschillende soorten bomen als eik en treurwilg, gelaten op de jongste dag.

In deze door prikkeldraad afgebakende vlek plantte Semah tien ceders. En wel in een schuine lijn, die de rechthoekige plattegrond van het kerkhof doorsnijdt. “Binnen een paar jaar moeten de bomen hoog zijn opgeschoten, zodat ze een haag binnen de begraafplaats vormen.”

Wie dan de graven wil bezoeken, moet als het ware eerst zijn opwachting maken in een natuurlijk voorportaal. Via een opening in de haag kom je vervolgens bij de rustplaats zelf.

De kunstenaar loopt over de kleine begraafplaats en leest de grafschriften, die deels in het Nederlands, deels in het Hebreeuws zijn. Daarna inspecteert hij de ceders. Een ervan, ziet hij, is al bijna helemaal bruin uitgeslagen. Op de terugweg in de auto zal Semah de verslaggever tot drie keer toe vragen: “Dat hoort niet hè, die kleur? Ik moet ze bellen hè, dat ze een andere planten?”

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie