Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Asbest: slopers en keurmerk malafide

Home

Hans Marijnissen

In zeventig procent van de gebouwen in Nederland zit asbest verwerkt. De overheid heeft nog steeds geen grip op een veilige verwijdering van het kankerverwekkende materiaal. Het gesjoemel van aannemers en slopers kost levens, alleen weet niemand wanneer de slachtoffers zullen sterven.

Twee directeuren van het gecertificeerde asbestverwerkingsbedrijf Van Gompel Hoeks Saneringen (GHS) in het Brabantse Hapert zijn in september jongstleden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een boete van 30.000 euro. Volgens de rechtbank in Den Bosch hebben ze ’meermalen’ de milieuwetten ’doelbewust’ overtreden.

Maar datzelfde bedrijf heeft wel een certificaat, zeg maar een ’keurmerk van betrouwbaarheid’, aan de muur hangen. Afgegeven door Intron Certificatie in Culemborg, een bedrijf dat namens de overheid de asbestbedrijven controleert. En Intron is niet van plan na de veroordeling het keurmerk in te trekken.

Een leek voelt aan dat hier iets niet klopt. Of dat bedrijf zit volgens de rechter fout en moet zijn keurmerk inleveren. Of GHS is dat betrouwbaarheidscertificaat meer dan waard en er moet sprake zijn van een rechterlijke dwaling bij de Bossche rechtbank. Maar er is nog een derde optie: de veroordeling en het keurmerk kunnen samengaan, en de praktijk waarin dit gebeurt vertoont grote mankementen. Dat laatste speelt bij de handhaving van de asbestregels.

Zeventien jaar nadat het kankerverwekkende bouwmateriaal in Nederland werd verboden, en het slechts onder strikte veiligheidsmaatregelen mag worden verwijderd en afgevoerd, is het de overheid nog niet gelukt een sluitend en veilig systeem daarvoor te ontwikkelen. De politiek heeft ervoor gekozen de verwerking van asbest door de branche zelf te laten uitvoeren. Maar de controle daarop van overheidswege deugt niet, en veel bedrijven sjoemelen waar ze kunnen.

Volgens het rapport ’Naleving Asbestregels’ dat het Bureau Bartels in opdracht van de ministeries van sociale zaken en van milieu heeft opgesteld, gebeurt het verwijderen van asbest grotendeels illegaal. Eigenaren van panden – zowel particulieren als corporaties – leggen na het aantreffen van asbest ’het probleem’ bij een asbestsaneerder, en besteden bijvoorbeeld ook het aanvragen van een vergunning uit aan dit bedrijf. In 50 tot 80 procent van de gevallen verwijdert dat bedrijf het asbest illegaal. Dat is zíjn verantwoordelijkheid, maar ook die van de opdrachtgever: de particulier of woningbouwvereniging blijft aansprakelijk. Van de saneringen die wél legaal worden uitgevoerd, wordt in 20 tot 80 procent van de gevallen het afval tegen de regels in niet aangemeld. Zo blijven er maar heel weinig correcte asbestsaneringen over.

Reden voor de fraude is vooral kostenbesparing. Saneringen zijn duur, opdrachtgevers knijpen op de bouwkosten. Asbestsanering is de achterkant van het bouwen. Er wordt geïnvesteerd in mooie ontwerpen en duurzame materialen, maar aannemers die om een opdracht vechten besparen als eerste op de sanering.

Omdat de kankerverwekkende stof in de beginfase al uit het zicht raakt, is er ook geen controle op het vervoer, de verwerking en de uiteindelijke opslag. Het asbest ’verdwijnt’ uit de woningen en bedrijfspanden. Waar het blijft, weet niemand.

Al in 1978 werd spuitasbest verboden, sinds 1993 mogen asbesthoudende producten niet meer worden toegepast. Sinds het verbod is de verwijdering van asbest aan strenge regels gebonden. Bij de sloop komen namelijk dodelijke asbestvezels vrij. Daarom moeten verwijderaars beschermende kleding dragen, en moet de asbest voor vervoer en opslag geïsoleerd worden in dubbele lagen plastic.

Alleen particulieren mogen asbestplaten en tegels tot 35 vierkante meter zelf verwijderen en ingepakt naar de stort brengen. Bij grotere hoeveelheden zijn de eigenaren van panden verplicht bij het vermoeden van asbest eerst een onafhankelijke inventarisatie te laten uitvoeren, waarna een gecertificeerd bedrijf het materiaal verwijdert en afvoert. Panden van vóór 1992 moeten bij verbouwing of sloop in ieder geval gecontroleerd worden. Verwerking van asbest blijft ingewikkeld. In Nederland wordt het ’geïsoleerd gestort’, dat wil zeggen in plastic verpakt op stortplaatsen begraven, of in de centrale Moerdijk ’verglast’, een proces dat de dodelijke vezels bindt.

Al sinds het verbod op asbest probeert de overheid greep te krijgen op de sanering van Nederland. Maar ze houdt uit kostenoverwegingen ook afstand. Ze ’hoopt’ op een betrouwbare branche als partner. Steekproeven moeten de asbestverwijderaars bij de les houden. Maar de ministeries willen er van uit kunnen gaan dat men zich aan de regels houdt.

Er is daarom vanuit de asbestbranche een instituut in het leven geroepen dat de kwaliteitseisen voor een certificaat opstelt en bewaakt. En er zijn certificerende instellingen die de keurmerken uitgeven aan asbestverwerkers die aan de eisen voldoen. Voor die keurmerken moet worden betaald. De verstrekker heeft dus een direct belang bij het voortbestaan van het certificaat, en dat zie je terug in de controle, oordeelde de Rekenkamer twee jaar geleden. In het rapport ’Ketenbesef op de werkvloer’, is zij zeer kritisch over deze ’omstreden verstrekking’. Ze noemt de controle een ’wassen neus’. Volgens het rapport knijpt de certificatieverstrekker vaak een oogje toe. Overtredingen die wél worden gesignaleerd worden minder hard bestraft dan iemand van de Arbeidsinspectie bij een steekpoef zou doen. De overtreder is immers óók klant.

De Rekenkamer kritiseert niet alleen de branche zelf, maar allereerst de voor de asbestverwijdering verantwoordelijke ministers: Donner en Cramer. Die maken geen werkafspraken en wisselen geen informatie uit. Eenheid in optreden ontbreekt. De ministeries van sociale zaken en van milieu schuiven het rapport van Bureau Bartels sinds afgelopen zomer dan ook als een hete aardappel naar elkaar. Ook verbleken volgens de Rekenkamer de steekproeven van de Arbeidsinspectie bij het grootschalige gesjoemel van de slopers.

Ook de gemeenten krijgen er van langs. De handhaving van de asbestregelgeving heeft daar geen belangstelling. Het rapport van Bureau Bartels is in feite een geactualiseerde, cijfermatige uitwerking van de zaken die de Rekenkamer eerder schetste. Het stuk stemt niet vrolijker. De harde conclusies van de Rekenkamer zijn nog steeds actueel, zeggen de onderzoekers.

Uitgaande van de gedachte dat een certificaat zo betrouwbaar is als de branche zelf, is de conclusie dat het asbest-keurmerk weinig voorstelt. Dat laat het voorbeeld van het het bedrijf GHS in het Brabantse Hapert ook zien. Volgens Intron Certificatie in Culemborg kán het keurmerk na de veroordeling door de rechter helemaal niet worden ingetrokken, omdat voor het certificaat alleen de gevolgde procedures op papier worden gecontroleerd. Alles wat buiten de boeken plaatsvindt, behoort niet tot het werkterrein van de controleur. Certificeerders zijn geen politieagenten, zegt Intron. En dat willen ze ook niet zijn. Zij volgen een bedrijf ’vakinhoudelijk’.

Toch is de certificatiebranche zelf ook niet gelukkig met de situatie. Zij zou graag zien dat voor asbest dezelfde regels gaan gelden als voor bodemsaneringen en afvoer van vuile grond. Dat is een betrouwbaarder branche, maar mét een rol van de overheid. Ook daar wordt gewerkt met keurmerken, maar als een bedrijf over de schreef gaat kan de onafhankelijke milieuinspectie eigenhandig het certificaat intrekken, waarmee het bodembedrijf feitelijk zijn vergunning verliest.

Handhavers in de asbestbranche wijzen verder naar de rol van de gemeenten. Die zijn vaak te klein voor de landelijk en soms internationaal opererende asbestverwijderaars. Ze hebben de specialistische kennis niet en, signaleert de Rekenkamer, daardoor geen belangstelling voor de problematiek. Handhavend Nederland wacht daarom op de instelling van zogeheten ’omgevingsdiensten’ – ter grootte van politieregio’s – die vanaf volgend jaar de milieuregels moeten gaan controleren. Tegenstribbelende gemeenten die geen taken willen verliezen vertragen echter de invoering.

Intussen wordt in de loop van dit jaar het ’asbestvolgsysteem’ ingevoerd, waarbij alle gegevens over een asbestlocatie (van de melding, tot het transport en de opslag) op een centraal punt bij de arbeidsinspectie worden verzameld. Daardoor kunnen partijen asbest letterlijk ’gevolgd’ worden. Voorwaarde is natuurlijk wel dat die partijen worden aangemeld. Voor de illegale asbeststroom heeft een volgsysteem voorlopig geen enkele betekenis.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel