Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arundhati Roy beschrijft de zwartste bladzijden van de Indiase geschiedenis

Home

Annemarie van Niekerk

Suzanna Arundhati Roy is een Indiaas schrijfster en politiek activiste. © Patrick Post
Interview

Arundhati Roy verwerkt de zwartste bladzijden van de Indiase geschiedenis in haar langverwachte tweede roman ‘Het ministerie van opperst geluk’.

Het bezoek van Arundhati Roy aan Nederland, vorige week, is niet onopgemerkt gebleven. De Indiase schrijfster die in 1997 op slag beroemd werd dankzij haar Booker Prize winnende debuutroman ‘De god van kleine dingen’ werd 16 juni in het openbaar geïnterviewd in de Rotterdamse Doelen waar naast vele bewonderaars ook critici in de zaal plaatsnamen. Gejoel klonk er zo gauw Roy de schending van mensenrechten en de onrechtvaardigheid van het kastensysteem in India aankaartte.

Lees verder na de advertentie

Roy is eraan gewend. De schrijfster manifesteerde zich in de twintig jaar sinds haar debuut vooral als politiek activiste. Zo betuigde ze haar steun aan de beweging die actie voert voor de afscheiding van de Indiase deelstaat Kashmir en aan de maoïsten die opkomen voor de allerarmsten in de Indiase samenleving. Ze is een verklaard tegenstander van de ultra-hindoeïstische Indiase premier Modi. Haar activiteiten brachten haar in 2014 op de lijst van de honderd meest invloedrijke mensen van Time Magazine.

Maar nu is er dan weer een roman, haar tweede: ‘Het ministerie van opperst geluk’. In deze roman verwerkte Roy de zwartste bladzijden uit de recente Indiase geschiedenis, van de brute onderdrukking van de plattelandsbevolking wier land onteigend werd ten gunste van het grootkapitaal, tot aan de gewelddadige hetze tegen moslims die vijftien jaar geleden plaatsvond in Gujarat, waar Modi destijds deelstaatpremier was. De personages vertegenwoordigen de meest uiteenlopende posities in de Indiase samenleving: zo is daar de transvrouw Anjum die op de plaatselijke begraafplaats woont, de non-conformistische architect Tilo, die betrokken raakt in de strijd om Kashmir, Tilo’s huisbaas, waarnemend hoofd van de inlichtingendienst, om enkele van de vele karakters te noemen. Wanneer hun wegen elkaar kruisen, is de botsing tussen de grote politieke en maatschappelijke kwesties waarvoor ze staan onvermijdelijk.

Fraai is Roy’s stijl. Ragfijne waarnemingen worden weergegeven in prachtige en suggestieve beschrijvingen die veel meer weten op te roepen dan het ene tafereel waarnaar ze verwijzen. Neem de openingszin: “Tijdens het gouden uur, wanneer de zon weg is maar het licht nog niet, koppelen de eskaders vleerhonden zich los uit de banyanbomen op de oude begraafplaats en zwerven als rook boven de stad uit.”

Al vroeg werd me duidelijk dat ik nooit deel zou uitmaken van de gemeenschap waarin wij leefden

De dag voor de bijeenkomst in Rotterdam vindt dit interview plaats. We ontmoeten elkaar bij het Sheraton Hotel op Schiphol. Roy is net geland. Ze is klein, casual gekleed en straalt totale rust en vriendelijkheid uit.

U grijpt uw lezers meteen met het beeld van de begraafplaats waar een belangrijk deel van het verhaal zich afspeelt. We hebben hier niet alleen te maken met het huis van de doden maar ook met verborgen vormen van leven. Het woord ‘eskaders’ kondigt het geweld aan.

“Een schrijver moet niet alleen goed kunnen observeren, maar ook de vaardigheid bezitten om er met behulp van de taal betekenis en schoonheid aan te verlenen. Ik ben, om het wat huiselijker te zeggen, een wandelende spons. Van jongs af aan heb ik altijd willen schrijven. Zelfs toen dat jaren lang niet mogelijk was, omdat ik simpelweg niet van de pen kon leven, hield mijn schrijversziel me scherp. Ik ben een auteur die wil vertellen over wat ze ziet. Wat ik zie is onrecht. Ik ben dikwijls weggezet als activist, maar wie schrijft over reële kwesties is daarmee nog niet minderwaardig als literair auteur. Literatuur hoort te gaan over het echte leven. Het getuigt van simplistisch hokjesdenken om te zeggen ‘een schrijver doet zo en een activist doet zus’. Ik laat me niet zo gemakkelijk etiketteren.”

Uw afkomst is ook niet zo makkelijk te definiëren.

“Mijn moeder was een Syrische christen, mijn vader een hindoe. In India is zo’n verbintenis zeer ongebruikelijk. Minder dan 5 procent van de bevolking is geboren uit een gemengd ouderpaar, verschillend qua kaste, religie of bevolkingsgroep. Dat wordt gezien als een probleem. In India moet je passen binnen een officieel patroon en je daar vooral aan blijven conformeren. Al vroeg werd me duidelijk dat ik nooit deel zou uitmaken van de gemeenschap waarin wij leefden. Niet dat ik werd gediscrimineerd of behandeld als inferieur. De Syrische christenen zijn minder in getal maar vormden sociaal gezien de bovenlaag. Maar dat wilde niet zeggen dat ik erbij hoorde. Nu nog steeds niet. In de ogen van de Indiase hindoenationalisten ben ik geen hindoe.”

In ‘Het ministerie van opperst geluk’ toont u zich sterk bewust van allerlei mogelijke verschillen die elkaar kruisen in een enkele persoon of ruimte.

“Dat we allemaal gestempeld zijn door meer dan één identiteit wil er bij de meeste mensen niet in. Ze denken in stereotiepe kaders en oordelen op grond daarvan. Daarom wilde ik in dit nieuwe boek focussen op uitsluiting en insluiting, op de grenzen en beperkingen waarmee mensen te kampen hebben, beperkingen die worden opgehangen aan sekse, seksuele voorkeur, nationaliteit, taal, kaste, religie, politieke opvattingen. Neem bijvoorbeeld Anjum, de hijra (transgendervrouw) uit mijn nieuwe roman. Niet alleen haar lichaam, maar haar complete persoonlijkheid wordt getekend door conflicten. Ze is de belichaming van schijnbaar onverenigbare identiteiten. Ze verhuist van het nieuwe Delhi naar het oude Delhi, raakt betrokken bij geweld omdat ze moslim is, ontsnapt eraan omdat ze transgender is. Maar hoewel ik veel aandacht heb gegeven aan haar complexiteit, heb ik absoluut geen sociologie van de transgender willen schrijven. Mijn boek gaat over de lucht die we inademen van over de grenzen.”

Het heeft te maken met het kastenverschil en met het masculiene verzet tegen de emancipatie

Toch zullen veel lezers gefascineerd zijn door uw gedetailleerde beeld van een hijra-gemeenschap. Zo leren wij dat hijra’s in de hindoeïstische mythologie worden gezien als de belichaming van liefde en onderling respect.

“In India bestaat er een lange traditie van zulke gemeenschappen, die verbazend goed georganiseerd zijn. Ik ben er mee vertrouwd geraakt dankzij vrienden die er deel van uitmaken. Je vindt er beslist niet alleen jonge transgenders, maar ook oudere. Het zijn echt organische leefgroepen.”

“Tja, dat is de werkelijkheid. Het geweld tegen vrouwen, dat verschrikkelijke vormen heeft aangenomen, is structureel en wijd verbreid. Het heeft te maken met het kastenverschil en met het masculiene verzet tegen de emancipatie. Mannen van een hoge kaste kunnen ongestraft een vrouw van een lage kaste verkrachten. Vrouwen die zich niet houden aan voorgeschreven rollen zijn vogelvrij. Kort voordat ik hierheen reisde liet een parlementslid, tevens Bollywoodacteur, weten dat ik moest worden vastgebonden aan een legerjeep en ingezet als menselijk schild tegen de separatisten in Kashmir. Gisteren verscheen er in een krant een artikel waarin werd gezegd: ‘Als Arundhati Roy echt een vrouw is, zou ze zich als een vrouw moeten gedragen’.”

Leeft u in angst?

“Ja, maar dat is het lot van alle Indiase vrouwen. Tijdens openbare bijeenkomsten roepen machtige politici op tot geweld. De publieke tv toont - naming and shaming - vrouwen die zich schuldig zouden maken aan grensoverschrijdend gedrag. Ik ben vaak gebrandmerkt als een intellectuele terrorist die nodig moet worden aangepakt. Het zou van domheid getuigen om niet bang en dus ook onvoorzichtig te zijn.”

Wat vindt u van die kwalificatie ‘intellectuele terrorist’?

“Als het betekent dat ik conservatieven en hun agenda’s tegenwerk, heb ik er geen bezwaar tegen. Ze verdienen het om genadeloos te worden aangevallen, maar wel met argumenten, niet met fysiek geweld.”

Heeft u ooit overwogen om uit India weg te gaan?

“Ik wil niet weg uit India. Ik ben er diep geworteld. Ook voor mij als schrijver is het mijn ruimte. Dat is waar ik leef en werk. Daar ligt de stof en modder die ik ken. Daar ligt het perspectief van waaruit ik spreek.”

Toch vindt uw werk weerklank over de hele wereld. Hoe verklaart u dat?

“Geen idee, en dat is misschien maar beter ook. Het effect van literatuur is iets geheimzinnigs. Het heeft waarschijnlijk te maken met het menselijk aspect dat ik centraal stel. Ik hoop dat mijn werk de Indiase realiteit overstijgt, dat lezers van overal het weten te vertalen naar hun eigen leven en hun eigen situatie. Het is geen gids voor India. Gidsen sommen op en simplificeren. Deze roman laat juist de complexiteit zien. Het is niet mijn taak om alles voor te kauwen. Niet dat ik zoveel aan mijn lezers denk onder het schrijven.”

Raakt u dan los van uw omgeving?

“Ik word opgezogen door het verhaal. Het groeit toe naar een intens gesprek tussen mij en mijn personages. Natuurlijk ontleen ik mijn stof aan de buitenwereld, maar schrijven is vooral een kwestie van verinnerlijking. Ook wanneer ik niet aan mijn bureau zit, maar rondloop of uitga, ben ik nog altijd aan het schrijven. De roman groeit om me heen zoals een stad groeit. Sommige delen zijn gepland, andere ontstaan spontaan en onverwacht. Het is een voortdurende dans tussen controle en laten gaan. Wanneer ik schrijf, verdiept het eerder dan dat het verspreidt. Het gevolg is dat ik niet eindeloos meer hoef te schaven aan het eindresultaat.”

Hoe combineert u het schrijven met andere bezigheden?

“Ik ben getrouwd, maar woon apart. Het is moeilijk om permanent met iemand samen te leven wanneer je zo intensief bezig bent met het schrijven en zo nauw betrokken bij de politiek. Mijn publieke bekendheid maakt het voor mijn naaste omgeving ook al niet gemakkelijker. Ik kan het maar beter in mijn eentje en op mijn eigen manier hanteren.”

In je werk sta je er alleen voor, en dat hoort ook zo

Waarom heeft het zo lang geduurd voordat uw tweede roman er kwam? Gaf het succes van uw eerste u geen vleugels?

“Ik heb mezelf nooit onder druk willen zetten. Pas als er echt een tweede roman moest komen, zou ik die schrijven. Ik ben ervan overtuigd dat je je als schrijver niet moet laten leiden door de verwachtingen die men van je heeft. In je werk sta je er alleen voor, en dat hoort ook zo. Het slechtste wat je kunt doen is geloven in publiciteit. Je kunt vandaag duizenden bewonderaars hebben, maar morgen gebeurt er iets waardoor ze massaal afhaken.”

Hoewel uw nieuwe roman begint en eindigt op een begraafplaats, delen de doden en de levenden er één slaapkamer, een nieuwe Hof van Eden waar onschuld plaatsmaakt voor verrijkende ervaring, voor nieuwe hoop.

“Ik ben ervan overtuigd dat we moeten blijven hopen, niet alleen voor onszelf, maar voor de mensheid en de geschiedenis als geheel. Zelfs nu de politieke toestand in India alleen maar aanleiding lijkt te geven tot diepe wanhoop, blijft het denkbaar dat er veranderingen mogelijk zijn. Je moet altijd ruimte laten voor de hoop. Daarom heb ik mijn nieuwe roman opgedragen aan ‘de ongetroosten’.” 

Arundhati Roy (in 1959 in Ayemenem in India geboren) begon haar schrijfcarrière als scriptschrijver in Bollywood. In 1997 won ze de Booker Prize voor haar semi-autobiografische debuut ‘De god van kleine dingen’. Daarna was Roy vooral politiek actief en als essayiste. Haar inzet voor de mensenrechten werd gewaardeerd met diverse internationale onderscheidingen, maar wekt in India razernij op bij hindoe-nationalisten. Vorig week verscheen haar tweede roman ‘Het ministerie van opperst geluk’: een liefdesgeschiedenis en een provocatie, volgens de schrijfster.

Deel dit artikel

Al vroeg werd me duidelijk dat ik nooit deel zou uitmaken van de gemeenschap waarin wij leefden

Het heeft te maken met het kastenverschil en met het masculiene verzet tegen de emancipatie

In je werk sta je er alleen voor, en dat hoort ook zo