Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arthur Japin

Home

door Arjan Visser

Arthur Japin (Haarlem, 1956) is schrijver. Hij debuteerde in 1996 met ’Magonische verhalen’. Een jaar later volgde ’De zwarte met het witte hart’. In 2004 ontving hij de Libris Literatuurprijs voor ’Een schitterend gebrek’. Dit jaar schrijft hij het Boekenweekgeschenk dat in een recordoplage van 813000 exemplaren werd gedrukt, en dat ook in Engeland en de VS als novelle zal verschijnen.

I

Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„’s Avonds, voor het slapen gaan, sprak ik altijd even met Jezus. Of Jezuke, zoals ik hem noemde. Niet eerbiedig, maar heel vertrouwelijk, zoals je praat met een vriendje. Ik huilde in die tijd elke avond –mijn lagereschooljaren– en als mijn moeder vroeg waarom, antwoordde ik steevast: ’Om Kelly’. Kelly was mijn eerste hond, een collie. Na een paar weken brak hij zijn poten –helemaal ingeteeld– en moest hij worden afgemaakt. Zelfs jaren later zei ik nog dat al dat verdriet om hem was: ’Ik huil om Kelly’. Ik wilde niet vertellen waar het echt om ging. Wat ik tegen Jezuke zei, weet ik niet meer precies –ik ben zoveel vergeten uit die tijd. Ik weet nog wel dat ik priestertje speelde, met echt wijwater uit de kerk en een altaar dat mijn vader voor mij had getimmerd. Toen Jezuke niet van plan leek iets terug te zeggen, ben ik ook mijn mond gaan houden.”

II

Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik zorg ervoor dat er in mijn boeken niet wordt gevloekt –tenzij het echt nodig is– omdat ik mensen niet wil kwetsen. Ineens eist iedereen het recht op om te kwetsen –daar had je toch tot voor kort nog nooit iemand over gehoord?– maar daar ben ik helemaal niet voor. Ik vind dat je van alles wat je wilt zeggen eerst moet bedenken hoe het bij een ander kan aankomen. Nee, ik zwijg niet uit angst* of toch wel? Als dat zo is dan doe ik het in ieder geval onbewust. Dan is het uit angst om te worden zoals zij. Hoe leg ik je dit uit? Ik wil natuurlijk wel een beetje strijdvaardig overkomen* Laat ik het zo zeggen: ik wil vooral zélf geen klap uitdelen.”

„Ik begrijp overigens goed waarom mensen willen kwetsen, slaan of zelfs martelen. Het begint bij een groep. In groepen vinden onzekere mensen elkaar door zich te definiëren: we zijn zus en we zijn zo. Alles wat daar buiten valt, vormt een bedreiging en moet afgestraft worden. Het geweten? O, maar het geweten is zo kneedbaar! Jij gaat ervan uit dat we weten wat goed en kwaad is, maar daar begint juist alle ellende, lees de Bijbel er maar op na. Het paradijs is verloren zodra er wordt gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad.”

„Ik geloof dat niemand –echt niemand ter wereld– iets uit pure slechtheid doet. Iedereen denkt, op het moment van handelen, dat hij het juiste doet. Het is de groep die ervoor zorgt dat er geen alarm afgaat, dat je versuft. Aangezien het jouw belang is om bij die groep te blijven horen, praat je de groep na en zeg je dat het goed is wat je doet. De groep kan je alles laten doen: van martelen tot juichen voor voetbalteam. Ja, ’t is vreselijk, maar zo zit de wereld in elkaar.”

„Het klinkt uitzichtloos, dat geef ik toe, maar ik zie toch ook een oplossing: de liefde. Liefde stijgt boven goed en kwaad uit. Ik kan geen oorlogsgebied bereiken, maar ik kan wel hier, in kleine kring, beginnen met het uitdragen van liefde –wie weet hoe ver het reikt. Ik weet nog dat ik Jessye Norman ’What If Love Is Just a Four Letter Word For God?’ hoorde zingen en wist: dat is het! Als God gelijk staat aan liefde, ben ik strenggelovig.”

III

Gij zult de dag des heren heiligen

„Tot een uur of vier ging het prima. Dan kon ik mijn droom nog volhouden, het gevoel uitschakelen, maar als om een uur of zes ’Skippy’, ’Flipper’ of weet ik veel welk televisieprogramma, begon, was dat een waarschuwingsteken: de zondag is bijna voorbij. Straks moet je weer. Een nachtje nog en dan begint alles van voor af aan. Een nieuwe week, met geweld thuis –mijn vader die in de war raakte, dronken werd, mijn moeder sloeg– en op school. Toch was het thuis, in dat gekke huishouden van ons, een stuk veiliger dan op school. Daar werd ik meteen, al in de eerste week, opgewacht door een groepje, geleid door iemand uit de zesde klas, en in elkaar geslagen. Iedere dag weer. Tot iemand mij op een gegeven moment een ’toverformule’ aanreikte: ’Als we voortaan vragen wie je bent, moet je dit antwoorden’. Dan zou het slaan ophouden. En zo gebeurde het ook. Die woorden zijn ingesleten, ik krijg ze nooit meer uit mijn hoofd.”

„Ik ging geloven wat ze me hadden geleerd, het werd vanzelfsprekend dat iemand zoals ik in elkaar geslagen moest worden. Na een paar weken konden die mishandelingen zomaar ineens weer beginnen. Ik voelde het aankomen, klampte me vast aan het gaas van de schoolhekken* Thuis zei ik niets. De laatsten die nog in je geloven zijn je ouders. Je doet alles om te voorkomen dat zij horen hoe anderen over jou denken. Zij mochten niet weten dat hun zoon een loser was. Daarom zei ik ’Kelly. Ik huil om Kelly’.”

„Weet je dat ik nog steeds niet graag ga slapen? Ik stel het moment van naar bed gaan zo lang mogelijk uit. Ik ben nu natuurlijk niet bang meer voor de volgende dag, maar ik ben het te lang wel geweest. Tja. Dat is het. In een notendop.”

IV

Eer uw vader en uw moeder

„Een paar weken geleden was ik op de begraafplaats en ineens realiseerde ik mij dat ik er niet alleen voor mijn moeder was. Voor het eerst bezocht ik, bewust, mijn beide ouders. Langzaam maar zeker komen ook de goede herinneringen aan mijn vader boven drijven. Natuurlijk zijn er ook leuke dingen gebeurd, maar de nare dingen hebben nu eenmaal meer indruk gemaakt. Ik denk nog steeds dat het goed is geweest dat hij, toen ik twaalf was, zelfmoord heeft gepleegd. Ik ben hem er zelfs dankbaar voor. Die benauwende, bedreigende situatie werd met zijn dood weggenomen, opgelost.”

„We waren in Engeland. Mijn moeder, mijn tante en ik. Ik kan me dat moment nog zo goed herinneren: mijn tante die de telefoon aanneemt en van de consul-generaal te horen krijgt dat mijn vader dood is. Ze begint te huilen en mijn moeder roept: „’t Is Bert!’ Iedereen was overstuur. Ik ook. Ik huilde zonder te weten wat er nu eigenlijk aan de hand was. Toen het tot me doordrong, was ik ook helemaal niet verdrietig; ik was vooral erg opgelucht. Een nieuw begin.”

„Mijn moeder en ik zijn na zijn dood allebei opgebloeid, sterker geworden. Natuurlijk: ik had met hem te doen. Als ik die afscheidsbrief herlees –zijn gevecht in die laatste dagen tot me door laat dringen– dan moet ik weer huilen. Het is treurig, aangrijpend, maar ik weet niet wat er was gebeurd als die situatie langer had voortgeduurd. Wie weet was er dan echt blijvende schade aangericht. Dat is nu niet gebeurd.”

„Ik weet niet of ik hem heb vergeven. Ik weet ook niet zo goed wat hij me heeft aangedaan, zelfs in die tijd wist ik niet precies wat ik hem moest kwalijk nemen. Het was zoals het was. Naar. Angstig. Hij sloeg mijn moeder. Hij schreeuwde, smeet van alles door de kamer. Ik herinner me vooral hoe rustig het was, als hij weer even werd opgenomen. Maar goed, het is weg. Het is over. Inmiddels begin ik hem steeds beter te begrijpen. Ik begrijp waar zijn angsten vandaan kwamen en dat hij onmachtig was er op een andere manier uiting aan te geven. Wat zou ik hem nog kwalijk moeten nemen? Soms brengt de dood ons dichterbij mensen dan het leven.”

V

Gij zult niet doden

„Er is een moment geweest waarop ik dacht: ik wou dat ze allemaal onder de tram kwamen en dat ik erbij stond, dat ik het zag. Een paar tellen later was mijn wraaklust weg. Ik wist: dat is helemaal niet de bedoeling. Dat wil ik niet. Ik begreep wel waarom ze mij mishandelden; hoe zoiets begint en maar moeilijk te stoppen is. Dat begrip levert zoveel lucht, zoveel vrijheid, zoveel ruimte op. Weet je wat er, een jaar of tien geleden gebeurde* God, daar heb ik lang niet aan gedacht* ik woonde in Amsterdam en zat op de plek waar ze skates verhuren wat te lezen in de zon. Tussen de kinderen die daar door hun ouders werden opgehaald, zag ik plotseling een vrouw lopen die in de vijfde klas –nota bene samen met de leraar– de hetze tegen mij had aangevoerd. Ze herkende mij en het eerste wat ze deed was haar dochter grijpen en naar zich toe trekken. Dat gebaar maakte voor mij alles goed. Kun je dat begrijpen? Dat die heks van vroeger heeft leren liefhebben, dat ze haar kind wil beschermen, dat ze heeft leren begrijpen wat een kind moet voelen. Ze heeft dus waarschijnlijk ook begrepen wat ze mij heeft aangedaan. Waarom vind je mijn reactie zo wonderlijk? Die gedachte bevrijdt mij toch ook? Vergeving is mijn wapen. Door te vergeven krijg ik de regie terug over mijn eigen leven.”

„Ik geef toe: dit verhaal had ook een andere wending kunnen krijgen. Ik heb het geluk gehad iemand op mijn pad te vinden die de sleutel tot de liefde had. Het heeft, denk ik, wel twee jaar geduurd voordat ik durfde te geloven dat iemand mij –met zo’n jeugd, met al de dingen die ik over mezelf moest zeggen en ten slotte ook ging geloven– van mij kon houden. Ik ontdekte ook dat ik er niet op hoef te wachten; ik kan ook zelf, actief, liefhebben, liefde in gang zetten. Hetzelfde geldt voor begrip en vergeving: daarmee maak ik mij los van het geheel en ben ik, door dat ene gebaar van die vrouw in het Vondelpark, zelfs in staat van iemand te houden die ik ooit heb dood gewenst.”

VI

Gij zult geen onkuisheid doen

„Om ter communie te mogen gaan, moest ik leren biechten. Ik moest dingen vertellen die ik verkeerd had gedaan, maar ik kon werkelijk niets bedenken. Sterker nog: ik vond het bijzonder onrechtvaardig dat iemand die zo gepest werd óók nog eens moest verzinnen welke zonden hij had begaan. Mijn moeder heeft toen een gesprek gehad met de priester en vrijstelling bedongen. Ik was de enige die zonder te biechten communie heeft gedaan. Maar wat hád ik moeten vertellen? Dat ik masturbeerde misschien? Dat was nou precies het voordeel van alleen opgroeien: er was niemand die mij vertelde dat er mensen bestaan die zoiets onkuis noemen. De ontdekking van seksualiteit was een geweldige bron van liefde, van plezier. Ontsnapping. Vrolijkheid. Ik heb seksualiteit nooit met onkuisheid geassocieerd. Er werd mij geleerd me te schamen voor wie ik ben, voor hoe ik eruitzag, maar die seksualiteit paste bij mijn droomwereld –waar ik veel meer waarde aan hechtte – die ongebreideld moest zijn en geen grenzen mocht kennen.”

VII

Gij zult niet stelen

„Toen ik met Rosita Steenbeek in Rome was, heb ik in een winkel eens een truffel in mijn zak gestoken. Zomaar, omdat het me lekker leek en waarschijnlijk om indruk op haar te maken. Ze zag het en schrok. Die blik! Ik wou dat ding meteen terugleggen, maar durfde niet meer. Die ervaring heeft mij genezen. Hoe die truffel smaakte? Heerlijk.”

VIII

Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Al mijn boeken gaan over mij. Het is wat ik vroeger deed op zolder: ik doe steeds een ander kostuum aan, laat mezelf van alle kanten zien. Het is ook een spel met werkelijkheid en fantasie. Ik weet niet of ik zo, beetje bij beetje, opschuif naar de werkelijkheid, dat zou best eens kunnen. Kijk, de historische roman rust op drie pijlers: de feiten, de dingen die je verzint en – misschien wel het belangrijkst – de manier waarop je emotioneel contact maakt met de hoofdfiguur. Op die manier blaas je adem in de archieven; documenten beginnen te spreken. Ik ga in mijn eigen leven op zoek naar de dingen die ik bij hem of haar herken; een beetje zoals een toneelspeler zich in een rol inleeft. Het valt me wel op dat de mensen in wie ik geïnteresseerd ben steeds extremere situaties hebben meegemaakt en ik weet niet hoe ik dat moet verklaren. Misschien durf ik steeds dieper bij mezelf te kijken. Het boek dat ik nu schrijf, gaat over een vrouw die zoveel heeft meegemaakt dat je niet kunt geloven dat ze nog in staat is te vergeven, lief te hebben. Het helpt me woorden, omschrijvingen te vinden voor die gevoelens. Ik geloof dat het de lezer ook kan helpen: door je te verplaatsen in zo’n figuur, door mee te voelen, leer je een ander te begrijpen en een oordeel voor je te houden. Het is zoals Lucia, de minnares van Casanova en hoofdpersoon van ’Een schitterend gebrek’, zegt: Oordeel nooit over een leven dat je niet zelf hebt geleefd.”

IX

Gij zult geen onkuisheid begeren

„Ik denk dat ik voor mezelf een scheiding moet maken tussen seksualiteit en liefde. In de liefde ben ik enorm trouw. In vriendschappen ook, haast op het absurde af. Als ik eenmaal iemand heb toegelaten, zal het voor altijd zijn. Ze kunnen me verlaten of een streek leveren, maar dat doet er dan in feite niet meer toe. Het vertrouwen is er en wordt niet snel beschaamd. Omdat ik weet dat het goed zit. En áls er iets gebeurt, weet ik het wel een plaats te geven. Nee, ik laat helemaal niet over me heen lopen. Ik heb juist het gevoel dat ik er boven sta. Maar er is ook een vreemde keerzij: als ik mijn hart aan iemand heb gegeven, hoef ik hem daarna eigenlijk nauwelijks nog te zien. Omdat ik de aanwezigheid van zoiemand in mijn diepste wezen voortdurend voel. Je krijgt van mij een plugje mee, dat blijft intact, en als ik je drie jaar later weer tegenkom, maken we contact alsof er helemaal niets is veranderd. En wat misschien nog gekker is: ik laat het ook aan die ander over. Al die door mij ingeplugde mensen moeten vaak zelf het initiatief nemen. Mijn echte vrienden weten dat. Kom eens hier, ga eens mee, laten we zus of zo gaan doen. Ik mis die impuls. Dat komt ongetwijfeld door vroeger, toen alles zich afspeelde in mijn hoofd. Je hoeft niet aanwezig te zijn om door mij bemind te worden. Het is misschien een beetje vreemd om in dit verband te zeggen, maar ik mis ook de impuls om mededelingen over mezelf te doen. Ik kan goed luisteren, ik ben er helemaal bij, maar het komt niet één keer in mij op om te zeggen waar ik mee bezig ben. Ik heb er niets op tegen als mensen me erover vragen, maar ik mis gewoon de aandrang om iets uit mezelf mee te delen. Ik heb genoeg aan dat wat zich in mijn hoofd afspeelt. Vaak begrijp ik anderen ook beter als ze zwijgen. In een oogopslag weet ik wat erin iemand omgaat. Zodra hij dan begint te spreken, vertroebelt dat beeld. Woorden storen. Woorden leiden af.”

X

Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Er schort niets meer aan. Ja, meer rust hier in huis, meer tijd voor elkaar, dat is het enige. Ik heb nooit het verlangen gehad om ergens uit te komen, ik ben geen streber. Dat komt misschien wel doordat ik altijd heb geweten dat het wel goed zou komen, vraag me niet waarom. Of, wacht, nu schiet me toch iets te binnen. Ik liep samen met mijn tante en mijn moeder – God, ik bedenk me nu ineens dat het dezelfde reis was, toen mijn vader zelfmoord pleegde – over de Champs-Elysées. We passeerden een zaak, in een winkelgalerij, waar je je horoscoop kon laten trekken. Dat ging met een levensgrote computer die er zo’n enorme lap tekst uitgooide. Een paar jaar geleden heb ik die karakterschets uit ’69, gebaseerd op niet dan mijn geboorteuur, teruggevonden. Je zult het niet geloven maar wat daar stond was haast woordelijk het verhaal van mijn leven. Theaterschool, schrijverscarrière, literaire prijzen, waardering in het buitenland, de vele reizen, geaardheid, liefde, alles. En helemaal aan het eind stond: ’Het moet wel zeer wonderlijk lopen wil deze mens niet volledig slagen in dit leven.”

Deel dit artikel