Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arnold Poot 1924 - 1998

Home

ADRI VERMAAT

NUENEN - Twee jaar geleden zei Arnold Poot, de voormalige tennishallenexploitant uit Nuenen, dat hij zonodig tot aan zijn dood zou doorvechten tegen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) en in het bijzonder het 'tuig' van de Tweede Kamer.

De deze week op 73-jarige leeftijd overleden 'doordouwer' Poot is die belofte nagekomen. Achttien jaar lang voerde hij juridische gevechten tegen het ABP, met als inzet een schadevergoeding van zestig miljoen gulden, 'exclusief rente'. Aanvankelijk werden de processen breed uitgemeten in de media, maar ook nadat die het stilaan lieten afweten, bleef de eenling Poot volharden in zijn schier eindeloze strijd. “Ik respecteer de meeste journalisten, maar weet hoe uitzonderlijk beperkt hun blikveld is en hoe vluchtig hun bestaan.”

Poot legde in de zomer van 1983 een bom onder het ABP met zijn publieke beschuldiging, dat hij smeergeld moest betalen aan toenmalige toplieden van dit fonds. Door niet aan deze eis te voldoen, zou het ABP vervolgens de financiering van zijn tot wasdom komende tennishallenketen hebben stopgezet. Poot ging failliet en de kwestie leidde tot de val van ABP-hoofddirecteur Van der Dussen en de inmiddels overleden directeur beleggingen Masson. Justitie begon een grootschalig internationaal onderzoek, dat in een dossier van meer dan 100 000 pagina's resulteerde. De strafzaken tegen Masson en de toenmalige ABP-adviseur van Zon mondden uit in de omvangrijkste van na de Tweede Wereldoorlog. Maar beiden werden na jarenlange processen vrijgesproken.

In die periode al viel op hoe onverstoorbaar Arnold Poot, die zich na een wethouderschap in Nuenen op de exploitatie en ontwikkeling van tennishallen had gestort, was. Nooit smeet hij met modder naar zijn tegenstrevers. Masson noemde hij meer dan eens een 'briljante, superintelligente' man, die in Nederland een 'ongeëvenaarde kennis' had van de onroerend goedmarkt. Minder vleiend was Poot over de Haagse politiek. “Dáár en uitsluitend dáár ligt m'n grote ergernis. Nooit is de politiek bereid geweest te erkennen dat het systeem bij het ABP in de jaren '80 niet deugde. Het toezicht op de ABP-top ontbrak volledig, zodat Masson geen strobreed in de weg werd gelegd. Ik kon dat Masson niet kwalijk nemen - hij ging met miljarden om, terwijl hij zelf net iets meer dan een ton verdiende - maar wél de arrogante, verantwoordelijke politici.”

Mede door zijn lange haardracht en rijzige gestalte was Poot een opmerkelijke verschijning. Rustig lurkend aan zijn pijp, tot twee jaar geleden zijn onafscheidelijke vriend, liet hij zich nooit van de wijs brengen. Ook niet toen zijn zaak minder stevig werd door de vrijspraak van de ABP-hoofdverdachten. “Van mij hoeven de heren niet jarenlang in de cel”, was zijn reactie destijds. “Ik zet door, want ik heb het recht aan mijn zijde.” Maar wat Poot niet kon voorzien, was dat ook de rechterlijke macht nog nauwelijks enig inzicht had in de onontwarbare kluwen van processtukken. Zo ondoorzichtig zelfs, dat een rechter in Maastricht er noodgedwongen de brui aan gaf en de zaak op verzoek van Poots' raadsman naar Zwolle liet verhuizen.

In die zin was Poot uitermate kleurrijk. Meermalen reikte hij rechters de helpende hand door 'zijn' dossier weer eens uitputtend toe te lichten. Poot op die momenten: “Als u mij toestaat edelachtbare zal ik de zaak uitleggen, maar dat kost zoals u zult begrijpen, de nodige tijd.” Waarop hem, zij het niet van harte, voor de zoveelste maal tijd werd gegund om zijn complexe verhaal te houden, zonder dat iemanddaar na verloop van tijd nogiets van begreep. Poot na zo'n zitting: “Ik heb de indruk dat niemand van de onderhavige materie een greintje verstand heeft.”

Het maakte in elk geval duidelijk dat iedereen, behoudens Poot zelf, de affaire moe was. Maar eenmaal buiten de rechtbank schudde ook hij de zaak terstond van zich af. Dan ging hij een baantje trekken in het zwembad, of op jacht. Want Poot stond dan weliswaar voor zijn zaak, hij waakte ervoor zijn leven daar volledig op in te richten. “Ik heb er nooit één slapeloze nacht van gehad”, zei hij in april 1996. “En evenmin ben ik verbitterd. Heel even maar heb ik problemen met de hele affaire gehad, vroeg ik me af 'Ben ik dan toch een loochenbaar zakenman geweest?'. Maar al snel kwam ik tot de conclusie dat ik degene ben geweest die door de overheid in de mangel is genomen. Zolang ik er zeker van ben dat het recht zal zegevieren, heb ik geen moeite met procederen.”

Deel dit artikel