Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arne Jansen 1951-2007

Home

Esther Hageman

Niet alleen de St. Martinuskerk van Gendringen, ook het kerkplein was afgeladen, toen een keur van collega’s en veel, veel bewonderaars er Arne Jansen zaterdag de laatste eer bewezen.

’Klopt het, dat jij zo goed kunt kussen?’ Elke vrouw met rood haar weet dat ze die vraag vroeg of laat zal krijgen. Dat is de lange arm van ’Meisjes met rode haren’, het lied dat Arne Jansen in 1972 roem bracht - en waarvan hij nooit meer echt zou loskomen. „Meisjes met rode haren/die kunnen kussen/dat is niet mis”, zong Jansen immers.

Het was wel zijn hit, maar niet zijn nummer. Twee Duitse schlagerschrijvers, Hans-Georg Moslener en Manfred Oberdoerffer, schreven het in 1971. In Nederland ging EMI-producer Tim Griek een jaar later op zoek naar een stem bij het lied. De studioband was hem toegestuurd door de Duitse collega’s. Een vertaling was er al.

Tijdens een talentenjacht in Zevenaar had Griek een paar maanden eerder een jonge jongen horen zingen. Die stem, en die looks, die wilde hij erbij.

Het was de stem van Aloys Jansen, kapper te Gendringen. Niet alleen had hij een prachtige stem, hij zag er ook goed uit – vriendelijk, vrolijk, ideale schoonzoon-achtig.

Op dat moment zat Aloys sinds drie maanden in een band: Les Cigales. Ze speelden covers: Stones, Beatles, Q65. Aloys was gekomen toen een vertrekkende gitarist hem naar voren schoof. Jongens uit de buurt van Doetinchem waren het, allemaal rond de twintig.

Ze waren amateurs, maar nu een echte platenmaatschappij belangstelling toonde voor de stem van hun nieuwe gitarist, stonden ze op een kruispunt: meedoen of niet? Aanvankelijk waren ze niet erg happig. Ze vonden het lied ook zo onzinnig. Meisjes met rode haren zijn helemaal niet mooi, die zitten onder de sproeten... Dat soort jonge jongens-bezwaren hadden ze.

Maar EMI hield vol.

Aloys Jansen, zoon in een gezin van tien kinderen – hij had zes broers en drie zusters - uit Wieken, een buurtschap vlakbij Gendringen, wilde altijd al zanger worden. Als kind maakte hij met elastiekjes en een stukje hout een gitaar, waarmee hij zogenaamd optrad. Op de jaarlijkse kermis van Gendringen, eind augustus, ging hij als kind al met de hoed rond. Later toonde een Duitse platenmaatschappij belangstelling om (als „Aloys Johnson”) een kindsterretje van hem te maken; maar toen hij in 1972 zijn grote kans kreeg als zanger van „Meisjes met rode haren” had hij van de Duitsers alweer jaren niets vernomen.

Het nummer deed het goed, vooral nadat Chiel Montagne het op de radio draaide. Op de plaathoes stond „Arne Jansen en Les Cigales”. Maar na een paar jaar werd de relatie tussen band en zanger losser: een zanger kan immers, met een geluidsband, wel twee of drie optredens per avond afspreken. Een band niet. Arne Jansen reed in die jaren van het ene optreden naar het andere; van braderie naar bedrijfsfeest naar bruiloft. Op een van die drie optredens trof hij dan z’n band. Helemaal los van zijn band komen, dat wilde hij toen nog niet.

De plaat bleef lopen. In 1972 stond ’Meisjes met rode haren’ 17 weken in de Nederlandse top-40. Hoger dan nummer drie is het nooit gekomen, maar het lied werd wel een evergreen. Werkelijk grote hits had Arne Jansen na „Meisjes met rode haren” niet meer, maar als podiumartiest hield hij altijd een volle agenda – niet alleen op bruiloften en partijen, ook in het circuit van de massale volksfeesten, de ’piratenfeesten’ van radiozenders van het Nederlandse lied, waar ook mensen als Albert West, Koos Alberts, Bonnie St. Clair, Corry Konings, Dries Roelvink en Jacques Herb optreden – sterren in een parallel universum, waarvoor Hilversum zelden aandacht heeft. Ze kenden er Arne Jansen als een plezierige collega – altijd op tijd, nooit spatjes, altijd gezellig.

Maar Arne Jansen had ook een ander bestaan. Thuis in Silvolde, waar hij niet Arne maar Aloys heette, waar hij met echtgenote Mieke woonde en waar ze hun twee kinderen hadden gekregen, trainde hij politiehonden en fokte mini-paardjes: paarden van hooguit een meter hoog. Ruim tien jaar zat hij in het bestuur van de fokkersvereniging NMPRS. In die wereld genoot hij niet alleen faam omdat hij er altijd een grote cowboyhoed droeg. Ook, omdat hij ervoor ijverde dat er een Europees minipaardenras zou komen.

Ogenschijnlijk had Arne Jansen alles wat een mens kan wensen: het werk waarvan hij altijd had gedroomd, geen geldzorgen, een goed huwelijk dat kinderen en sinds drie jaar ook kleinkinderen bracht, op wie hij bijzonder dol was. Hij had net weer een nieuwe CD af (‘Wat ik voor je voel’) die hij op alle regionale zenders probeerde te promoten. Toch ging het niet goed met hem, de laatste tijd. Om hem heen waren opeens te veel mensen gestorven en dat kon hij niet verwerken. Hij torste een last. Een paar weken geleden kocht hij een groot kruisbeeld van ebbenhout. Hij hing het in de woonkeuken op. Kerks was hij niet zo; gelovig wel.

Na het overlijden van zijn oudste broer, vorig jaar op 6 november, schreef hij „Schaam je voor je tranen niet” – een lied over verlies. Daarmee eindigde zaterdag de uitvaartmis, want Arne Jansen maakte maandagmiddag 10 december in een impuls die niemand verwachtte een einde aan zijn leven. Zijn platenmaatschappij is van plan het nummer nu als single uit te brengen. Misschien scoort Arne Jansen zijn tweede grote hit postuum.

Aloisius Gertrudus Gerhardus (Arne) Jansen werd op 26 april 1951 in Gendringen geboren. Hij overleed op 10 december 2007 in Silvolde.

Deel dit artikel