Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Armeniërs krijgen naam

Home

Eildert Mulder

In de zomer van 1944 waren er naar schatting tussen de drie- en vierduizend Armeniërs in Nederland. Als krijgsgevangenen meegekomen met de Duitsers, werkten ze ook voor het Nederlandse verzet. Voor velen liep dat slecht af. Zeven werden gefusilleerd in Middelharnis. Een plaquette onthult daar vandaag hun voornamen.

’Maar als de grafkuil waarin ik lig/ zonder een enkel spoor van de aardbodem verdwijnt/ en de mensen mijn herinnering vergeten/ is dat het moment waarop ik werkelijk zal sterven’.

Het is de slotstrofe uit een gedicht van de negentiende eeuwse Armeense dichter Pretros Tourian. Met indringende beelden beschrijft hij de dood, zoals een engel met een bleek gezicht, somber klokgelui, priesters in zwarte kledij en een kuil. Toch luidt steeds het refrein: ’Ga er dan vanuit dat ik nog steeds in leven ben'. Pas als die grafkuil spoorloos verdwijnt zal de dichter echt sterven.

Nicolai Romashuk uit Assen heeft er zijn levenswerk van gemaakt te voorkomen dat zijn omgekomen Armeense volksgenoten zullen worden vergeten. Zelf is hij getekend door de volkerenmoord op de Armeniërs, gepleegd door het Turkse regime in 1915. Op 14 oktober 2006 stond zijn levensverhaal in Trouw. Hij is van 1953, 38 jaar dus na de volkerenmoord. Maar zijn jeugd is volledig door die gebeurtenis beheerst. Hij groeide op in een grot, onder een klooster in Jeruzalem, waar Armeense vluchtelingen woonden, overlevenden van de genocide en hun nazaten. Aan het dak opgehangen dekens waren het placebo voor de echte privacy van muren, de verlichting bestond uit walmende olielampen, de meeste bewoners waren vrouwen, vaak weduwen, velen geestesziek. Het was een kakofonie, een Hades.

In 1976 kwam hij naar Nederland. Hij was de stuwende kracht achter een gedenkteken voor de Armeense genocide op de begraafplaats van Assen, dat op 24 april 2000 werd onthuld. Het is een zandstenen kruis. Ondanks Turkse protesten kwam het monument er toch.

Een jaar later kwam er nog een monument, nu in Middelharnis. Weer was Romashuk een van de drijvende krachten.

De beeldhouwer is Edwardo Haruntunjan. Ook diens werkgever, Cor Wagenaar uit Middelharnis, heeft zich zeer sterk gemaakt voor het gedenkteken, deze keer niet voor de genocide, maar voor zeven Armeense soldaten, die in 1944 door de Duitsers zijn gefusilleerd. Vandaag wordt een koperen plaquette, gefinancierd door de gemeente Middelharnis, onthuld met daarop de namen, in Armeense letters. Alleen de voornamen zijn bekend.

De dood van de zeven Armeniërs van Middelharnis maakt deel uit van de veel grotere saga van ongeveer vierduizend Armeense soldaten, die, noodgedwongen in Duitse krijgsdienst, in Nederland waren gelegerd en veel verzet hebben gepleegd. Na de bevrijding zijn ze desondanks afgevoerd naar de Sovjet-Unie, die hen voor landverraad wilde straffen.

Na de vele publiciteit over het gedenkteken in Assen schreven mensen aan Romashuk, dat er in de Tweede Wereldoorlog Armeense soldaten in hun woonplaats waren gelegerd. Iemand attendeerde hem op het boek ’Volg het spoor terug’ (1953) van J.B. Charles, pseudoniem van de criminoloog en verzetsheld Willem Nagel. Charles vertelt daarin over zijn pogingen om de Armeense militairen bij het Nederlandse verzet tegen de Duitsers te betrekken.

Hij ontdekt dat de Armeniërs niet blij zijn met hun Duitse uniformen. De wantrouwige Duitsers gebruiken hen voor sullige diensten. Informanten vertellen Charles over Armeense soldaten, die op een zondag zien hoe gereformeerde diakenen collectegeld tellen. De muntjes liggen in stapeltjes op een tafel uitgestald. De Armeniërs wippen door het raam en vragen: ’Mitspiele?’ Waarna zij hun eigen muntjes op tafel leggen.

Om hen te testen vraagt de Nederlandse ondergrondse aan Armeniërs Duitse handgranaten mee te nemen, wat ze graag doen. Ze komen zelfs met een Duitse motor thuis. De berijder hebben ze vermoord. Charles prijst de Armeniërs als uitstekende ’terroristen’. Hij klaagt dat Nederlanders geen goede terroristen zijn. Geschikt voor hand- en spandiensten, niet voor moorddadig verzetswerk.

De hardheid van de Armeniërs heeft ook te maken met de genocide, waaraan behalve Turken ook Koerden meededen. Charles praat met een zekere Alex, die als jongen in het Oost-Turkse bergland de genocide overleeft, ’verhongerend en stelend’. Patrouillerende Koerden trekken bij ’verdachte’ personen de broek naar beneden om te zien of ze besneden zijn. Zo niet, dan zijn het Armeniërs en gaan ze eraan. Charles merkt op dat een Nederlandse marechaussee in Drenthe namens de Duitsers op dezelfde manier op Joden jaagde.

De Armeniërs zijn, samen met andere Kaukasiërs onder wie Georgiërs, omstreeks 1942 in Duitse krijgsdienst beland, na bloedige veldslagen in het bekken van de rivier de Don. Armenië was toen onderdeel van de Sovjet-Unie. Volgens de Armeense consul in Nederland, Arshak Manoukian, zijn er in het Sovjetrode leger 300.000 Armeniërs omgekomen: „We hadden vijf maarschalken. En zelfs een admiraal. Terwijl Armenië niet eens aan zee grenst.”

Charles noemt als voorbeeld een Armeense artillerie-eenheid van vijfhonderd man. Op zestien na sneuvelen zij allen. Die zestien belanden in een Duits concentratiekamp, waar twaalf omkomen. Vier nemen uiteindelijk, om te overleven, dienst in het Duitse leger.

Maar zelfs de Armeniërs die dienen bij de vijand blijven, zodra ze daartoe kans zien, onveranderd tegen de Duitsers vechten, alsof ze nog tot het rode leger behoren. Daarbij gaat, volgens Charles is dat een Armeens noodlot, alles wat maar fout kan gaan, gaat fout

Op Schouwen-Duiveland beginnen ze op Sinterklaas 1944 Duitse officieren te vermoorden, als ze een Canadees verkennersteam zien. Helaas volgen na die verkenners geen andere Canadezen. Armeniërs doen in april 1945 op Texel mee aan de opstand van Georgische militairen tegen de Duitsers. Vrijwel niemand overleeft die opstand.

Charles wil de Armeense soldaten inzetten bij de bevrijding van westelijk Nederland. Hij geeft ze opdrachten, die te gevaarlijk zijn voor Nederlanders en geeft toe dat dat cynisch is. Het loopt anders, want de Armeniërs zijn nog steeds in dienst van de Duitsers en die hebben hun eigen plannen. Ze verplaatsen de Armeniërs naar het oosten, waar ze de noordelijke Rijnoever moeten verdedigen tegen de geallieerden. Charles ziet nieuwe, gouden kansen. Voordat de geallieerden de oversteek over de Rijn zullen wagen, moeten de Armeniërs als een vijfde colonne de Duitsers aanvallen.

De geallieerden zijn op de hoogte en er is een wachtwoord afgesproken. Maar dat wachtwoord valt niet. Tot hun verbijstering zien de Armeniërs de geallieerden ineens aanvallen, zonder dat zij hun sabotage hebben kunnen uitvoeren. Het enige wat ze dan nog kunnen doen is ongewapend, met witte doeken zwaaiend uit hun stellingen komen. De SS’ers zien dat en schieten eerst de Armeniërs in de rug, voordat ze op de geallieerden vuren. Die laatsten vuren terug, op de voorste linies van de vijand, de Armeniërs dus. Die sneuvelen dus door zowel geallieerd als SS-vuur.

Charles schat dat er in de zomer van 1944 tussen de drie- en de vierduizend Armeense soldaten in Nederland waren. Er zijn bij het einde van de oorlog nog ruim driehonderd over, in krijgsgevangenschap, want voor de geallieerden gelden ze als Duitse soldaten. De Sovjet-Unie eist hun uitlevering en die komt er ook. Charles probeert te redden wie hij kan. Maar de hoofdmoot reist af. Bij het afscheid voeren ze een eredans voor Charles uit. Het laatste wat hij hoort is dat de wagons in het door de Russen bezette oosten van Duitsland zijn vergrendeld.

Volgens Romashuk proberen familieleden nog steeds te achterhalen wat er met hen is gebeurd. De Armeniërs hebben in Nederland ook enkele zwangere vrouwen achtergelaten.

De bijrol van de zeven Armeniërs van Middelharnis in deze saga is net zo ongelukkig als de hoofdrol van de anderen. De Duitsers fusilleren hen op 7 december 1944, na een mislukte vluchtpoging. Alleen hun voornamen zijn bekend: Grisha, Ruben, Walodja, Gora, Sascha, Meirapet en Mratschik. De eerste vijf waren ingenieur, Meirapet was student en Mratschik journalist. Ze zijn dood, maar de Armeense plaquette moet voorkomen dat ze werkelijk sterven.

Lees verder na de advertentie
Het monument bij het havenhoofd in Middelharnis, waar vandaag de zeven voornamen van Armeniërs worden onthuld. (FOTO JOÿL VAN HOUDT)

Deel dit artikel