Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arm interpreterend brein

Home

TONNUS OOSTERHOFF

Mijn schrijftafel staat voor een raam van negentig centimeter breed en een meter zevenennegentig hoog. Het uitzicht vanaf mijn zitplaats is een stapeltje van eenentwintig centimeter dijk (smeedijzeren hekje + asfaltwegje + gras), veertien centimeter rivier (bij hoog water), zeven centimeter tegenoverliggende dijk en natuurgebiedje. Honderdvijfenvijftig centimeter lucht.

Ik ken twee manieren van (goede poëzie) lezen. Bij de eerste manier zie ik dóór de tekst de werkelijkheid, meen die althans te zien. Bij de andere is de tekst lezen = de werkelijkheid zien. De eerste manier is de normaalste. Bijna al het drukwerk dat ik onder ogen krijg roept de eerste manier van lezen tevoorschijn. Dat doet bijvoorbeeld dit prachtige sonnet uit Herman de Conincks laatste bundel 'Vingerafdrukken':

In de eerste regel wordt aangekondigd waar het gedicht over gaat. Dan word ik meegenomen naar mijn kennis van in een ligstoel liggen; de mooie beschrijving van het liggen en de zomers luie prosodie maken dat ik zelf een beetje in de ligstoel terechtkom. Vanuit die semi-ervaring wordt middels het cognac-beeld een in de eerste regel aangekondigd verband gelegd naar iets algemeners: weinig (willen) zijn. Als het mooi weer is zal ik naar de vergeetachtige blauwe lucht kijken en mompelen: 'Er is te weinig weinig', en het gevoel of besef hebben (en verspreiden) dat ik iets heel, heel waars zeg. Het kenmerkende voor de manier waarop ik dit gedicht lees, is dit: ik meen door het gedicht, dat ding van woorden, heen iets anders te zien, dat buiten het ding zelf ligt. Ik vat de tekst op als een voertuig naar mijn kennis van de wereld. De betekenis van het sonnet is dat daarin iets nieuws wordt toegevoegd, dat iets 'op zijn plaats' valt, of zo. Het genoegen van poëzie zó lezen lijkt op wanneer iemand in een discussie zegt: 'maar je kunt het ook zo bekijken:...' En ze heeft weer eens gelijk.

(Ze had altijd gelijk behalve in zaken van het hart.)

Op de bovenbeschreven wijze lees ik bijna alle drukwerk, ook de meeste poëzie. Misschien zou ik het als de enige manier van tekstverwerken beschouwen die er was, als ik niet kennis had van een paar oeuvres, die zo niet te lezen zijn. Terwijl ze toch te lezen zijn!

In dit werk wordt de weg naar interpretatie - identificatie met de wereld buiten de tekst - afgesneden / verlaten. Elk ogenblik dat je denkt: nu heb ik het! slaat het gedicht een hoek om en het gaat over iets anders.

Dit irritante, maar ook fascinerende fenomeen doet zich regelmatig voor als ik Dickinson, Faverey, of Ouwens onder ogen heb... er zijn zelfs dichters waarbij ik het gevoel krijg dat ze de bedoeling hebben consequent mijn weg naar buiten af te snijden, dichters als Marc Kregting, Gertrude Starink, of F. van Dixhoorn.

Hun manier van werken brengt bij mij evenwel de andere manier van lezen teweeg. De onbegrijpende manier, die meer op kijken dan op zien lijkt, meer op horen dan op dan op luisteren.

F. van Dixhoorn heeft tot op heden twee bundels met elk drie lange gedichten (of zijn het reeksen? Of delen van één zeer lang gedicht?) gepubliceerd. De eerste vier bladzijden van het tweede gedicht uit de eerste bundel, 'Rust in de tent', zien er zo uit:

1. overigens moet ik zeggen dat ik geschrokken ben van de reactie op die bal 2. verre uittrap 3. voor het eten

haal ik de zee voor het eten haal ik de zee 1. onzin in de richting zitten wachten of het ervan komt ik weet niet of je meer tegelijk kunt vragen 2. laten we op elkaar wachten

[nieuwe bladzij]

of zal ik de tas dragen je hoort me toch niet dit is geen zee de zon komt op in het oosten en gaat onder in de zee

3. tegelijk volslagen nieuw aan het wandelen aan het eten met dezelfde heftigheid we praten over het vissen soms over het westen 1. verderop is het stil het leven begint pas na de wedstrijd ofschoon door de toeschouwers als niet gelijkend afgedaan

[nieuwe bladzij]

mis ik het water 2. het gras is geel waar ze zwommen ze moeten allemaal lachen met zwemmen

kom je niet verder dan terug bij je kleren 3. nog een keer hoe warm het is kleren te kort zijn maar eigenlijk ook weer niet klagen hoort bij overleven 1. felle uithaal 2. zo groot is die boot de lucht krijg je nooit

[nieuwe bladzij]

uit je kleren met zwemmen kom je nergens anders dan terug bij je kleren 3. als ik me niet vergis

heb ik een mes zie je wel 1. zin om al etend uit te kijken over de zee waar is de grens van luisteren waar is het afluisteren het bonken van de hartslag luider dan het af te luisteren gesprek 2. jij weer dezelfde maar zo verschillend van dezelfde

[nieuwe bladzij, het gedicht telt achtentwintig bladzijden]

Eerst lees ik - ik weet niet beter - de tekst op dezelfde manier als het gedicht van Herman de Coninck; dus met de bedoeling het te interpreteren, een beeld van de wereld te krijgen. 'Rust in de tent' is een gemeenzame uitdrukking, die aan sportvelden doet denken, een associatie die versterkt wordt door de titel van het volgende gedicht, dat ik al van de titelbladzij ken: 'Zwaluwen vooruit'. De eerste regels brengen me niet van mijn geloof dat ik inderdaad in een sportsituatie beland ben.

1. overigens moet ik zeggen dat ik geschrokken ben van de reactie op die bal 2. verre uittrap 3. voor het eten

Wat zouden de cijfers betekenen? Het feit dat er geen hoofdletters of leestekens staan wijst erop dat het fragmenten zijn. Ook het feit dat het gedicht begint met het woord overigens doet zulks vermoeden. Maar fragmenten waarvan?

De eerste zin klinkt gewoon, is echter bij nader inzien moeilijk te plaatsen in een sport-setting. Wie zegt daar zoiets gevoeligs en ingewikkelds? Is de keeperstrainer ooit opgeleid tot agoog?

Na een regel wit gaat het zo verder:

haal ik de zee voor het eten haal ik de zee

Door 'bal', 'verre uittrap' en 'voor het eten' heeft mijn brein een onzeker beeld geschapen van voetballende jongetjes. Maar 'haal ik de zee' wijst plotseling op een lange wandeling. Is de titel 'Rust in de tent' een allusie op kamperen?

Welk signaal geeft hier de regel wit? Is de bedoeling: een verandering van scène? Nadruk op de eerstvolgende gedachte? En welke associaties geeft de herhaling van het zinnetje 'voor het eten haal ik de zee'? Ik zie een marcherend jongetje, dat het zinnetje op de pas uitspreekt.

1. onzin in de richting zitten wachten of het ervan komt ik weet niet of je meer tegelijk kunt vragen

Weer een paar ontploffingen in mijn nog altijd braaf interpreterend brein. Het jongetje is weg; ook de verwachting dat achter een nummer een samenhangende zin of althans zinsdeel zou staan moet blijkbaar opgegeven worden.

Op welke wijze verbindt het herhaalde cijfer 1. dit stukje tekst met het vorige l.-tekstje? Is hier dezelfde spreker aan het woord als die met 'overigens' begon?

En dan: welke situatie is nog te verzinnen bij: 'in de richting zitten wachten of het ervan komt?' Zit de agogische keeperstrainer op een duin te wachten of er een jongetje aan komt lopen?

Ik weet niet of je meer tegelijk kunt vragen.

Het lijkt wel of het woord 'onzin' speciaal bedoeld is om mij te helpen hier 'onzin' te denken.

2 Laten we op elkaar wachten

[volgende bladzij]

of zal ik de tas dragen je hoort me toch niet dit is geen zee de zon komt op in het oosten en gaat onder in de zee

Totale verwarring. '2. laten we op elkaar wachten' heeft geen verband met '2. verre uittrap'. In het leven zijn er maar weinig situaties waarin 'laten we op elkaar wachten' een zinvolle uitspraak is; maar voor de pleehokjes op een kampeerplaats kun je dat zeggen; maar het vervolg: 'of zal ik de tas dragen' is, hoe natuurlijk de zin ook klinkt, heel moeilijk te rijmen met een pleehokjeswachtsituatie; en blijkbaar is de toegesprokene al aan het doortrekken, vandaar 'je hoort me toch niet'.

Dan 'dit is geen zee'. Voor de zoveelste keer wordt een door mijn hersens geconstrueerde plotlijn geknakt; wel is het woord zee terug, al is het in de zin 'dit is geen zee'; arm interpreterend brein. Arm brein dat over de wereld wil weten! Het weet van voren niet meer dat het van achteren leeft.

Zo wil het niet! De tekst voert een 'actief ontmoedigingsbeleid' ten opzichte van de manier van lezen die in het gedicht van De Coninck zo ruimhartig beloond werd. Hier leidt hij slechts tot ergernis en wanhoop. Men hoeft waarachtig geen lage frustratie-tolerantie-drempel te hebben om het gedicht hier voor eeuwig weg te leggen!

Wie het gedicht probeert te vatten op de hier beschreven wijze komt terecht in een gekmakende chaos.

Maar intussen bevat de tekst ook talloze signalen van samenhang, en ook daarop reageert mijn brein.

Ten eerste is er de weldadige rust van de bladspiegel zelf. In 'Rust in de tent' staan op elke bladzij vijf regels, dan een wit, dan weer nog tien. De regels zijn altijd vrij kort. Geen hoofdletters en leestekens. Het bemoeilijkt weliswaar de interpretatie: je weet niet wanneer een zin begint of ophoudt. Maar ziet er wel doodkalm uit. Het geheimzinnige getel: 1., 2., 3., 1., 2., 3., 1., 2., 3.... Geen touw aan vast te knopen misschien, maar onverstoorbaar.

Ook binnen de tekst zijn er elementen die samenhang en structuur maken. Er zijn herhalingen en bijna-herhalingen. Op de ene bladzij staat:

met zwemmen

kom je niet verder dan terug bij je kleren

een bladzij verderop:

met zwemmen kom je nergens anders dan terug bij je kleren

Er wordt op dingen teruggekomen:

'nico speelde aap' staat ergens. Een paar bladzijden verderop volgt de vraag: '3. wie is nico'

Ook inhoudelijk verlaat het gedicht een bepaald domein niet. 'Plot' en 'strekking' ontsnappen steeds, maar alle associaties leiden naar, of zijn althans niet strijdig met, camping en strand. Vakantie in zonnig, winderig Zeeland, het kan haast niet anders. Liefde, gewandel, gezwem en geëet. Gepraat. Niets dan gepraat.

Ik begrijp dan wel niet wat er in het gedicht gebeurt of waar het om gaat, maar een ding is duidelijk: ik ben in de nabijheid van doodgewoon pratende mensen. En het is nu, steeds nu. Het simpele nu dat het eigenlijk altijd is.

Herkenbaar, ordelijk, onbegrijpelijk, heden. 'Rust in de tent' verschilt niet veel van bijvoorbeeld mijn uitzicht. Dit raam hier ziet uit op een riviertje; daarachter een dijk met een vogelbroedgebiedje; daarboven lucht. Het kost geen moeite om een kwartier te kijken naar de bruine golfjes, het waaiende pluimgras, de wolken. Het gaat maar door, nooit en steeds hetzelfde. Er gebeurt van alles en niks. Ik ben geen dijkgraaf, dus inspecteer niet op beschoeiing. Geen bioloog, dat ik broedpaartjes moet turven. Het stukje water heeft geen plot en geen strekking. Het uitzicht is alleen maar het geval.

Deze gedachteloze manier van kijken roept, bij wie de strijd om interpretatie verloren geeft, ook 'Rust in de tent' tevoorschijn. Van Dixhoorns uitspraken, de nummers en de associaties klotsen langs als de golfjes in de Westerwoldsche Aa. Als ik het gedicht de volgende keer doorneem denk ik natuurlijk net iets anders dan de vorige keer, dus het hele gedicht ziet er wat anders uit, zoals wanneer het buiten ander weer is.

Een bladzij 'Rust in de tent' lijkt trouwens veel op het raam waarachter het uitzicht zich bevindt: de witregel precies op de plaats van de kozijnstijl van het bovenvenster.

Wat is eigenlijk moeilijke poëzie? Herman de Coninck staat bekend als een makkelijk, toegankelijk dichter. Ik kan me voorstellen dat de meeste mensen die voor het eerst een bundel van Van Dixhoorn opslaan de wenkbrauwen fronsen: raar hoor! Moeilijk!

Laten we even terugkeren naar De Co-noncks 'Ligstoel (1)'. Dat gedicht maakt op het eerste gezicht een eenvoudiger indruk dan 'Rust in de tent'. Maar ik denk dat dat alleen maar is, omdat het zich voegt naar mijn conventionele manier van lezen. Het wil mij niet buiten mijn eigen interpretatiekaders leiden, dat is misschien het eenvoudige, niet moeilijke ervan. Maar die interpretatiekaders krijgen wel een vrij ingewikkelde structuur voor hun kiezen. Een algemene gedachte ('er is een soort niets dat ik zoek') wordt 'verbeeld' ('wat je overhoudt als je uit de kom van je beiden handen hebt willen drinken: je beide handen'.) Dan wordt er overgegaan naar een 'concrete ervaring', die ook weer een beeld meekrijgt (het glas cognac) dat eigenlijk vreemd contrasteert met de handenkom van zoëven. En hoe ingewikkeld sluiten in het eerste terzine de eerste zin en de laatste niet op elkaar aan, dus: “Er is te weinig weinig en de vergevensgezindheid van het niets waarin wij, als we eveneens niets zouden zijn, zouden passen.”

Dat is alleen maar maar logisch binnen een vrij ingewikkelde gedachtegang, die ongeveer zo luidt:

“Ik zeg te weinig weinig, maar ik bedoel eigenlijk te weinig niets. Eigenlijk zou álles niets moeten zijn, dan was er minder strijd op leven en dood. Want stel je maar eens de vergevingsgezindheid van het niets voor waarin we als we eveneens niets zouden zijn zouden passen. Het ons omringende zou ons vergeven, en wij, behorende tot het niets, het ons omringende.”

Hoeveel simpeler zit de tekst van Van Dixhoorn dan niet in elkaar? Hier geen 'niveaus' van uitspraken, geen metaforiek, geen (elliptische) gedachtegangen. Alleen maar fragmentarisch gepraat in een kustachtig heden, getel, een paar herhalingsvormen. Wat de lezer erbij denkt moet hij zelf weten. Vanuit communicatief oogpunt is 'Rust in de tent' aanzienlijk minder gecompliceerd dan 'Ligstoel (1)'. Makkelijke poëzie!

Gedichten lezen moet op een of andere manier zinvol zijn. Zo niet, dan kun je het beter laten. Wat is nu het belangwekkende of aantrekkelijke aan deze 'tweede manier' van poëzie lezen? De merites van de eerste manier hoef ik niet uit te leggen omdat haast iedereen die ervaart. Die brengt, zoals bleek uit de lezing van het gedicht van De Coninck, inzicht in de wereld. Kennis en beheersing van de werkelijkheid.

Maar wat brengt bij die andere manier van lezen het gevoel van zinvolheid teweeg? Laat ik vooropstellen: het lezen van onbegrijpelijke teksten is allerminst een genoegen om zichzelfs wille.

Misschien zeg ik het zo goed: De tweede manier van lezen is structuur ervaren. Als het begrip, dat naar de wereld buiten het gedicht leidt, gebroken is, en er door allerlei vormen en signaleringen - elke dichter heeft eigen methoden - toch een besef van coherentie is, wordt poëzie als muziek, een dans van samenhangen.

Ik wil een vervaarlijke conclusie trekken: structuur breekt de pijl van de tijd, die ons sterfelijk maakt. F. van Dixhoorn lezen, naar de Westerwoldsche Aa staren, de Mattheuspassie horen, die dingen dompelen mij in de oneindigheid.

Ligstoel (1)

Het is een soort niets dat ik zoek. Wat je overhoudt als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken: je beide handen. Geuren lanterfanten door de tuin. Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar

in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste wat ik heb, lig. Hoe is dit liggen? Zoals je cognac afmeet door het glas horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weinig.

Er is te weinig weinig. De vergevensgezindheid van het niets waarin wij, als we eveneens niets zouden zijn, zouden passen.

De lucht is zo blauw als vergeetachtigheid. De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds linnen werd gewassen om witter te zijn.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

Door een profiel aan te maken ga je akkoord met de gebruiksvoorwaarden en geef je aan het privacy statement en het cookiebeleid te hebben gelezen.

Deel dit artikel