Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arjen Lubach Ik moet blijven reiken, anders ben ik er al

Home

Arjen Lubach (Groningen, 1979) is schrijver en theatermaker. Hij schreef drie romans, waaronder bestseller 'Magnus'. Dit jaar verscheen 'IV', een thriller met een republikeins tintje.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Weet je wat het gekke is? Later ben ik mij pas gaan realiseren hoe streng mijn gereformeerde opvoeding eigenlijk is geweest. We woonden in een klein Gronings dorp, we gingen naar de School met de Bijbel, iedere zondag zaten we in de kerk. Als je verdriet had, hielp het om te bidden en voor ieder probleem was wel een passende gelijkenis in de Bijbel terug te vinden. Toen vond ik het vanzelfsprekend, ik wist niet beter, maar het is natuurlijk de grootste brainwash ever. Pertinente onzin. En wat mij eigenlijk nog het meest verbaast: ik zie mijn ouders - mijn moeder is aan kanker overleden toen ik twaalf was - als moderne denkers, schappelijk en vrijgevochten. Hoe kun je dat rijmen met de keuze voor een bestaan waarover die dikke saus van het geloof - die krankzinnige, opgelegde moraal - is gegoten? Het is geen makkelijk thema; mijn vader wordt er een beetje emotioneel van. 'Voor mij,' zegt hij, 'komt het neer op respectvol met elkaar omgaan. Geloof gaat over hoop en liefde.'

Mijn moeders dood heeft ervoor gezorgd dat ik sneller ben gaan twijfelen aan het bestaan van God. Ze had heel vroom geleefd, waarom moest ze dood? Omdat God haar graag bij zich wilde hebben, zeiden ze. En wij dan? Moeten wij hier dan maar gewoon kapot gaan van verdriet?

De eerste jaren na haar dood geloofde ik nog wel in God. Ik heb heel lang bidreflexen gehouden. Zelfs toen ik mij voor filosofie ging interesseren en met vrienden de waanzin van het geloof besprak, voelde ik 's nachts, tijdens die paniekerige uurtjes waar het leven ineens heel erg eng is, een onbedwingbare behoefte om mij tot iets of iemand te richten. Help me toch! Tot ik me realiseerde dat zoiets, of zo iemand, niet bestond; dat ik afscheid had genomen van het idee.

Ik begrijp wel wat mijn vader zegt over hoop en liefde; ik wil hem die dingen natuurlijk niet afnemen. Waarom zou ik überhaupt iemand de troost van het geloof willen ontzeggen? Sterker nog: soms zou ik willen dat ik wat minder nadacht en gewoon nog in God kon geloven."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Als ik iets onbegrijpelijk vind, dan is het wel die idiote verafgoding van het koningshuis. Hoe kun je er nou mee instemmen dat één zo'n Haagse familie meer macht, meer geld, meer aanzien krijgt dan de rest, alleen maar omdat ze tot een bepaald geslacht behoren? Laatst sprak ik een vriend van mijn vader, bepaald niet koningsgezind, die zei: 'Ik heb me toch maar aangemeld om als burger ook bij de kroning in de Nieuwe Kerk aanwezig te kunnen zijn'. Waar sláát dat op? Het zijn middeleeuwse toestanden, volkomen onrechtvaardig!

"Volgens mij denken heel veel mensen dat we zonder de monarchie in een hard, raar, humorloos, droog land veranderen. Dat is een misverstand. Kijk maar eens naar de Fransen, hoe die 14 juli vieren, of Independence Day in Amerika - daar is het nationalisme veel groter dan in Nederland. Dus waarom niet, laten we zeggen, 1 oktober uitroepen tot de dag van de Republiek, vrijmarkten houden, feestjes geven en alles behangen met rood, wit en blauw? Ik weet zeker dat we binnen vijf jaar zijn vergeten dat er ooit een feestdag was waarop die ene familie in een touringcar door het land werd gereden. Ik heb niets tegen die mensen hoor - het zijn vast aardige lui - maar ik heb een soort autistische reactie op onrechtvaardigheid.

"Wat heeft de koningin nog meer moeten doen dan ademen en eten om op staatsbezoek te mogen gaan en te zeggen dat zij Nederland vertegenwoordigt? Om een stel commissarissen in dienst te hebben die dingen namens haar mogen besluiten? Ik snap wel dat de politieke invloed beperkt is, maar toch: bij een échte democratie is zoiets ondenkbaar. Als Willem-Alexander graag iets voor dit land wil betekenen, laat hem dan de politiek ingaan en proberen minister-president te worden. En Amalia ná hem. Daar heb ik niets op tegen. Zo lang je echter op basis van een achterlijk, verjaard erfrecht mensen voortrekt kun je niet zeggen dat iedereen in dit land gelijk is."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"Christenpesten is helemaal geen goede zaak! Die column (de Volkskrant, 4 januari j.l., AV) was bedoeld als reactie op het initiatief van D66 om de invloed van religie op de staat te verminderen. Gods zegen uit de Troonrede, zondagswet opheffen, dat soort dingen. De SGP noemde die voorstellen 'christenpesten'; ze kwamen dus zelf met die term op de proppen. Ik heb die uitdrukking geadopteerd en geschreven: 'als dát christenpesten is, vind ik dat een prima zaak. Christenen zijn mensen die beweren dat we een God dankbaar moeten zijn voor al het moois in de wereld, terwijl we zelf de schuld hebben aan alle narigheid. Die kunnen niet genoeg dwarsgezeten worden in wetten en woorden.'

Het is een vorm van provoceren, dat is waar. Ik voer vaak een innerlijke strijd over tot hoe ver ik kan gaan. Laatst is mijn oma overleden. Ik weet nog goed dat ik wel eens een column schreef, aan haar dacht en vervolgens besloot het een tandje minder te doen. Maar luister, ik ben geen proactief atheïst om anderen het leven zuur te maken; ik wil juist vertellen hoe fijn het is om aan de gevangenschap van het geloof te ontsnappen."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Dit is wat ik doe, dit is wie ik ben. Het moet eruit, non stop. Ik zou niet anders kunnen. Claudia de Breij, met wie ik bevriend ben, zegt: 'Ik werk zo hard omdat ik heel erg lui ben'. Zo is het ook voor mij. Als ik dit - schrijven, musiceren, optreden - niet deed, zou ik in een wereld terechtkomen waar ik daadwerkelijk zou moeten wérken. Daar moet ik echt niet aan denken."

V Eer uw vader en uw moeder
"Toen ik elf werd, hoorde ik dat mijn moeder ernstig ziek was en toen ik twaalf werd hoorde ik dat ze dood zou gaan. Drie dagen later is ze overleden. Waren niet zulke leuke verjaardagen.

We kregen de tijd om aan het idee te wennen, maar ik denk dat het toch niet echt tot ons doordrong. Zo gingen we in dat ene jaar nóg een keer naar Amerika, waarschijnlijk omdat mijn moeder goede herinneringen had aan de vorige keer en het gewoon nog één keer wilde meemaken. Zij moet al die tijd geweten hebben: over een paar maanden is het voorbij.

We mochten gewoon afscheid van haar nemen. Dat is heel raar, drie van die jonge jongens en een moeder die op sterven ligt. Ik kon geen diepe gesprekken voeren, maar ik herinner me nog wel dat ik haar vroeg of ze er vrede mee had dat ze dood zou gaan. Geen idee hoe ik daar bij kwam; het zal wel iets met het geloof te maken hebben gehad. Toen ze 'Ja' zei, had ik er ook, even, vrede mee.

Het afschuwelijke van zo'n sterfgeval is dat het steeds opnieuw gebeurt. Tijdens de eerste weken was het alsof ik wel tien keer per dag wegdroomde, opschrikte - er is iets verschrikkelijks gebeurd, wat is het ook al weer? - en dan - o ja, mijn moeder is dood - en dan vreselijk verdrietig werd. Dan, op een avond, adem je uit en zeg je tegen jezelf: 'Ze is weg, het is niet anders, je moet doorgaan met je leven' tot je de volgende ochtend toch weer ellendig wakker wordt. Daarna gebeurt het eens per week, dan eens per maand... Nu overkomt het me nog een keer per jaar, maar de intensiteit is er niet minder om. Er gaat altijd een droom, steeds dezelfde droom, aan vooraf: mijn moeder ligt ergens in een ziekenhuis. We zijn haar vergeten. Ze is heel verdrietig en vraagt: 'Waar waren jullie nou al die tijd?'

Jee, wat gaat dit diep ineens. Sorry hoor. Het is heel gek. Eenentwintig jaar later en ik heb nog steeds diezelfde emoties als ik ontwaak uit zo'n droom. Ze is echt weg.

Er waren oppervlakkige pijnen: mijn vader hertrouwde - en zou later weer scheiden - ik kreeg er stieffamilie bij en we verhuisden, maar dat zijn een soort frustraties die ik uiteindelijk heb verwerkt. Het verlies van mijn moeder is een soort bijlslag geweest. Als je twaalf bent, ben je niet alleen jezelf. Dan ben je het gezin, je ouders, alles. Toen mijn moeder stierf was het net alsof er een deel van mezelf doodging. Ik heb het gemis op allerlei manier geprobeerd te compenseren, ik ben ouder en wijzer geworden, maar toch, het verdriet gaat nooit helemaal weg.

"Soms stel ik me voor dat ze er nog is. Misschien zouden we één keer per maand bellen, of misschien zou ze langs komen met handige cadeau-tjes. Ik vroeg laatst aan een vriend: 'Koopt jouw moeder wel eens een trui voor je?'. Gewoon om me er een voorstelling van te maken hoe dat had kunnen gaan. Ik voel dus een verlangen naar iets wat misschien nooit had kunnen bestaan.

Misschien maak ik haar, of wat wij hadden, ook wel mooier dan het in werkelijkheid is geweest. Ik wil mijn broertjes niet tekort doen en beweren dat ik een betere band met haar had ofzo, maar het verhaal gaat dat ze mij een keer vasthield in het bijzijn van een paar vriendinnen en mijn oma en toen zei: 'Er is niemand ter wereld die dit kind snapt, behalve ik'. Ik begrijp precies wat ze bedoelde en ik weet dat ze gelijk heeft. Niet dat ik mezelf zo exclusief of bijzonder vind, maar ik heb een bepaalde configuratie die voor anderen moeilijk te begrijpen is.

Het maakte mijn eerste jaren zonder haar heel eenzaam. Ik had, en heb nog steeds, niet het gevoel dat mijn vader mij écht begrijpt omdat ik, in die zin, helemaal niet op hem lijk. We houden van elkaar, maar toch, ik weet zeker dat hij nog regelmatig denkt: waar is die jongen in godsnaam mee bezig? Hij is jurist, hoogleraar. Het liefst had hij gezien dat ik ging studeren, maar ik wilde alleen maar boeken schrijven, mooie dingen maken.

In het begin hadden we er wel eens ruzie over, maar na een tijdje vertrouwde hij er wel op dat het goed zou komen. 'Zo lang je voor jezelf kunt zorgen,' zei hij. Ik heb hem nooit om geld hoeven vragen. Ik heb nu al twaalf jaar een eigen bedrijfje en ik kan leven van mijn gedachten."

VI Gij zult niet doodslaan
"Doden? Nee, daar ben ik gewoon te beschaafd voor. Hier zit ook mijn aversie tegen de moraal van de christenen: kennelijk is er een soort dreigende God nodig die zegt dat je niet in de hemel komt als je zoiets doet, om je te doen besluiten ervan af te zien. Het is toch veel prettiger als die moraal uit je eigen innerlijke beschaving voortkomt? Ik voel zelfs geen aandrang om iemand een klap te geven. Dat vind ik primitief. Als ik word uitgedaagd en om een of andere reden tot het uiterste word gedreven, zal ik me omdraaien er een boek over schrijven en mijn bedreigers heel hard uitlachen."

VII Gij zult niet echtbreken
"Volgens mij is de mens geen monogaam wezen. Ik heb dus alle begrip voor echtbrekers. Zo'n standpunt maakt het wel een beetje ingewikkeld om aan een relatie te beginnen: ik zie alle leeuwen en beren op de weg en ik kan, eerlijk gezegd, ook voorspellen hoe het helemaal verkeerd zal aflopen. Ik heb wel vriendinnen gehad, maar ik ben nu eenmaal niet iemand die gelooft in een blinde grote liefde die voor eeuwig duurt. Ik houd nog net zoveel van mijn laatste vriendin als toen ik nog wel een relatie met haar had, maar na een tijdje trad er bij ons toch een soort verveling in. Ik ben er gewoon niet geschikt voor. Bij mij komt mijn werk sowieso op de eerste plaats, dan misschien mijn familie en dan, op z'n tijd, een relatie of een affaire. Het lijkt erop dat ik mij altijd voor mijn leefwijze moet verdedigen: waarom heb je eigenlijk niemand? Meestal halen ze mijn dode moeder erbij - en voor een deel heeft zij hier natuurlijk mee te maken, dat snap ik ook wel - maar toch, geloof me, ik ben beslist niet ongelukkig."

VIII Gij zult niet stelen
"Mijn vader vertelde ooit het verhaal van een kruidenier die, door de bouw van Uilenstede (een campus in Amstelveen, AV) ineens heel veel studenten tot zijn klanten mocht rekenen. Net zoals de huisvrouwen altijd hadden gedaan, konden ook zij op de pof hun boodschappen bij hem komen doen. Na een tijdje bleek dat de studenten hun rekeningen niet betaalden en het kruideniertje ging failliet. Zoiets zou ik echt nooit hebben gedaan, maar ik benadeel wel op een andere manier mensen. Ik jat series van het internet, omdat ze nog niet op dvd verkrijgbaar zijn, of omdat ik een bepaalde Amerikaanse zender hier niet kan ontvangen. Ik koop nu ook muziek via iTunes, en ik heb een abonnement op Spotify; ik hoop echt dat ik mij ook op dit terrein snel iets fatsoenlijker kan gedragen. Tot die tijd mag je me verguizen en hypocriet noemen, want als iemand lacherig mededeelt laatst nog duizend boeken - waaronder romans van mij - illegaal te hebben gedownload roep ik onmiddellijk dat het diefstal is."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Schrijven is mijn manier om met de werkelijkheid om te gaan. De wereld is verwarrend en groots, volkomen willekeurig, soms heel eng, kwaad, gemeen, schrijnend, pijnlijk, dan weer liefdevol, maar vooral zo chaotisch dat het mij helpt om alles door mijn eigen zintuigen tot mij te nemen, en daar boeken van te maken. Lees het en je komt in mijn hoofd. Er bestaat namelijk niet zoiets als een universele waarheid. Wat dat betreft ben ik een Cartesiaan. Descartes zei ook: kleed alles uit, haal alles weg, er is maar één ding waar je zeker van kunt zijn, namelijk dat er iets is dat denkt en twijfelt. In feite zou je aan al je waarnemingen moeten twijfelen. Ik neem aan dat jij hier tegenover mij zit, maar je zou net zo goed alleen in mijn verbeelding kunnen bestaan."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Het klinkt misschien een beetje gezapig, maar ik zet jaloerse gevoelens meteen om in daden. Als ik lees dat een slecht boek een prijs heeft gewonnen, zal ik binnen een halve dag achter mijn computer zitten om iets te gaan schrijven waar ik de volgende keer mee kan winnen. Het is niet zo dat ik per se beter wil zijn dan een ander; ik wil gewoon iets maken wat volgens mij wél de moeite waard is, iets wat ik in ieder geval zelf graag zou willen lezen.

Ik ben misschien wel te ambitieus, dat wil zeggen: ik denk vaak aan waar ik straks wil zijn. Toen ik tien jaar geleden in Hilversum woonde en bij de radio werkte, stelde ik mij voor hoe het zou zijn om in Amsterdam te wonen, columns en boeken te schrijven en dat er dan 's avonds iemand langs kwam om mij over mijn werk te interviewen. Nu het zo ver is, denk ik er aan hoe het zou zijn om te reizen en in het buitenland te worden aangekondigd: 'And here he is, the Dutch writer...' Volslagen onzin natuurlijk, maar ik móet blijven reiken. Als ik dat niet doe, dan ben ik er al. Af, klaar. Dat vind ik een zeer beangstigende gedachte."

Deel dit artikel