Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Arie van Vliet ging naar de Spelen. Hij moest van z'n vader

Home

PETER VAN LAKERVELD

In een recent of juist heel ver verleden deden ze mee aan de grote internationale toernooien: Wimbledon, Tour de France, Olympische Spelen. Een aantal Nederlandse topsporters kijkt terug op de prestaties van destijds. Heeft hun deelname hen veranderd, wat doen ze nu? En huilden ze bij het volkslied? Aflevering 6: Wielrenner Arie van Vliet (80)

Als amateur had hij deelgenomen aan de wereldkampioenschappen wielrennen in 1934 en '35 en er de grote auto's gezien waarin kampioenen als de beroemde Belg Poeske Scherens rondreden. Zijn besluit stond vast. “Ik wilde beroepsrenner worden.”

Een invloedrijke wielerjournalist uit die tijd, George Hogenkamp, onderkende de talenten van de nog geen 20-jarige Arie en vond dat die eerst aan de Olympische Spelen mee moest doen. Van Vliet, al eens derde op het wereldkampioenschap sprint, was een medaillekandidaat. Hogenkamp ging naar vader Van Vliet, die was het eens met de journalist en dus ging Arie naar Berlijn. “Toen luisterde je je nog naar je vader”, zegt hij, 60 jaar later.

De Spelen van 1936 waren één grote propaganda-manifestatie voor de nazi's. In Nederland klonken stemmen om de Spelen te boycotten maar in de omgeving van Van Vliet werd daar niet over gesproken. Hij ging gewoon, de begeleider van de wielrenners was zelfs joods. In Berlijn merkte Van Vliet aanvankelijk niet veel van de propaganda, ook al, omdat hij was vrijgesteld van het openingsdefilé met Hitler op de eretribune. “Als renner moet je geen uren staan, dan krijg je de volgende dag op de fiets je benen niet meer rond”.

Toch zouden de Nazi's hem nog een kunstje flikken. Op de sprint, in die tijd het hoofdnummer van het baanrennen, bereikte Van Vliet de finale. Tegenstander was de Duitser Tony Merkens. In die finale gebeurde iets onregelmatigs waarover Van Vliet vandaag nog zegt, dat Merkens had moeten worden gediskwalificeerd. Dat durfde de internationale jury niet, de druk van de nazi-omgeving en al die fanatieke Duitsers op de tribune was te groot.

Met Merkens is hij later goed bevriend geworden, een relatie die tientallen jaren duurde. Ook een andere Duitse tegenstander uit die tijd, Albert Richter, rekende hij tot zijn vrienden. Richter werd in de oorlog gepakt toen hij van Duitsland naar Zwitserland wilde vluchten en gefusilleerd. Dat doet Van Vliet nóg zeer.

Terug naar de Spelen van 1936. Zilver op de sprint. Maar de chef d'équipe zag meer kansen. “Waarom doe je niet mee aan de één kilometer tijdrit? Van Vliet was er niet voor ingeschreven, maar destijds waren er geen beletselen dat op het laatst alsnog te doen. “Ach, waarom niet”, zei Van Vliet. Om vervolgens goud te winnen. Met goud en zilver én een eerste plaats bij de amateurs op het wereldkampioenschap in dat jaar lag de weg naar een profcarriere vol lucratieve contracten open. En na een winter koersen in Australië (een reis van een half jaar, met de boot heen en terug) werd hij in het voorjaar van 1937 eindelijk prof.

Drie keer was Van Vliet sprintkampioen bij de beroeps, in 1938, 1948 en 1953. Titels die hem, nog afgezien van de verdiensten, meer voldoening gaven dan de Olympische ereplaatsen. “De mooiste overwinning is die waarbij je de allerbesten hebt geklopt. De wereldtitels, de grand prix-overwinningen, dat gaf voldoening. Daar was de concurrentie groter dan bij de Spelen van Berlijn.”

Dat verschil in waardering was zelfs tastbaar in de medailles. De Olympische zijn slechts verguld en verzilverd, maar de medailles van zijn wereldkampioenschappen zijn écht van goud. Ze liggen veilig in een kluis. In de oorlog heeft hij eens overwogen er een te verkopen in ruil voor voedingsmiddelen. “Nooit doen, daar krijg je spijt van”, zei de al wat oudere stayerkampioen Cor Blekemolen, die zijn eigen gouden medaille wél had verkocht om aan eten te komen. De Olympische medailles is Van Vliet overigens kwijt. Jaren geleden leende hij ze uit voor een tentoonstelling. Na een paar maanden werd hij gebeld: “We moeten u iets verschrikkelijks vertellen, de medailles zijn uit een vitrine gestolen.”

Van Vliet heeft goed verdiend in zijn 20-jarige wielercarriere. Het stelde hem in staat om in de jaren '50 een bungalow te laten bouwen, even buiten het centrum van Woerden, waar hij zijn leven lang is blijven wonen. Hij heeft het huis contant betaald, want Van Vliet verdiende niet alleen behoorlijk, in tegenstelling tot sommige collega's kon hij ook goed met geld omgaan. “Dat heb ik thuis geleerd, ik kom uit een zakenfamilie.” Vader Van Vliet had een bedrijf, dat onder meer transportfietsen maakte, merk Struisvogel.

Na het fietsen werkte Van Vliet korte in het familiebedrijf, maar begon al snel een zaak, kreeg een dealerschap voor Daf, later Volvo. Een van zijn zoons runt het bedrijf nu. Bij de wielrennerij was hij nog lang betrokken, als trainer, aankomstrechter en bestuurslid van de KNWU.

Dat is verleden tijd. Hij reist niet meer en is bijna altijd thuis, in dezelfde bungalow. 'Oerlikon' staat er op de gevel. Naar de wielerbaan in Zürich waar hij graag reed en vele successen boekte. Een cementen baan met hele steile bochten waar Van Vliet goed weg mee wist. Hij heeft er zelfs in de oorlogs gefietst. Een enkele keer gaven de Duitsers hem en Jan Derksen toestemming in het neutrale Zwitserland te rijden. In Nederland heerste schaarste, maar in Zwitserland was bijna alles te koop. Met een koffer vol kwamen Van Vliet en Derksen dan in bezet Nederland terug. Vooral kleren. In een warenhuis vroegen ze verkoopsters met ongeveer de maten van hun vrouwen de kleding te passen.

Het wielrennen volgt hij nog op de tv. Nauwelijks nog baanrennen, waar hij zelf min of meer bij toeval in terecht kwam: in Gouda was net een wielerbaantje geopend. Maar het baanrennen stelt weinig meer voor, stelt Van Vliet vast. “Wij reden voor 30 000 man in het Olympisch Stadion”, zegt hij. Wel volgde hij op tv de Tour de France, althans in etappes waar strijd was te verwachten.

Het wielrennen op de weg is hem niet vreemd, de groten uit zijn tijd heeft hij goed gekend, Fausto Coppi, de Zwitser Hugo Koblet, Gerrit Schulte. Daar reed hij 's winters tegen, in de zesdaagsen. Op Oerlikon heeft Van Vliet nog een keer in een koppel gereden met Koblet, tot na drie dagen de koppelgenoot van Kübler, een andere bekende Zwitser, uitviel en de organisatoren het commercieel beter vonden Koblet en Kübler aan elkaar te koppelen. Van Vliet kon vertrekkken, wel met de volledige gage voor zes dagen.

Fietsen doet Arie van Vliet al lang niet meer. Hij bezit niet eens een rijwiel. De laatste keer, dat hij ooit de pedalen beroerde - ook al weer vele jaren geleden - was op de fiets van zijn vrouw. Om in de buurt een boodschap te doen.

Deel dit artikel