Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Antwoord van een boerendochter

Home

MARTINE VONK

Aalt Dijkhuizen van Wageningen Universiteit zegt dat de landbouw intensiever moet om de wereld te voeden. Martine Vonk, expert in duurzaamheid, denkt daar anders over.

Ik ben opgegroeid op een melkveebedrijf. We hadden een 'Hollandse stal'. In de winter stonden de koeien binnen, 's zomers werden ze buiten in het weiland gemolken. Ik kon enorm genieten van de gekke bokkesprongen die ze maakten als ze in het voorjaar voor het eerst weer naar buiten mochten.

Pas later besefte ik dat de koeien de hele winter lang in een slecht geventileerde ruimte stonden waar ze geen stap konden verzetten. Toen duidelijk werd dat mijn broer Jan het bedrijf van mijn vader wilde overnemen, werd er een open ligboxenstal gebouwd. De koeien kunnen er vrij in rondlopen, er is veel frisse lucht. En overdag gaan ze sowieso naar buiten. De gemiddelde melkproductie per koe op het bedrijf is de laatste twintig jaar gestegen van 20 naar 27 liter per dag.

Bij 'Boer zoekt vrouw' lijkt het boerenleven een romantisch leven. In werkelijkheid runt de boer een bedrijf dat onderdeel is van een keten die opereert in een internationale markt: van de agrarische productie, via de verwerkende bedrijven en de detailhandel naar de consument.

De invloed van de individuele boer op deze keten is flink afgenomen. De markt is internationaler geworden en de afstand tussen boer en consument is aanzienlijk vergroot. Het voedsel in de supermarkt is anoniemer, inwisselbaar of zelfs onherkenbaar geworden. Door deze vervreemding weten mensen soms niet meer waar hun dagelijks voedsel vandaan komt. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid en dan wordt een tv-programma als 'Boer zoekt vrouw' al snel een succes.

Mijn broer is een trotse boer. De bed & breakfast die mijn moeder ooit begon - ze wilde het bedrijf graag aan anderen laten zien - is door mijn broer en schoonzus inmiddels uitgebreid naar een accommodatie met vijftien slaapplaatsen. Hij geeft rondleidingen over zijn bedrijf en beantwoordt vragen over hoe vaak de koeien gemolken moeten worden ('Ja, ook in het weekend'). Zijn bezoekers houden hem een spiegel voor en vragen hem naar de keuzes die hij maakt als boer. De bed & breakfast zorgt voor een goede tweede inkomstenbron, die hard nodig is om de primaire inkomsten aan te vullen.

Vorige week stelde Aalt Dijkhuizen, voorzitter van de raad van bestuur van Wageningen Universiteit, dat de landbouw intensiever moet. Alleen zo kunnen we de wereld blijven voeden.

Het is waar dat wereldwijd de voedselproductie omhoog zal moeten om voor iedereen voldoende eten te genereren. De belangrijke vraag is hoe dat op een duurzame manier kan. Intensieve landbouw is volgens Dijkhuizen het duurzaamst: het ruimtegebruik per kilogram product is laag, de input van voer is laag, net als de uitstoot van broeikasgassen.

Dat maakt deze vorm van landbouw technisch gezien misschien wel het efficiëntst. Maar intensieve landbouw gebruikt fossiele brandstoffen, antibiotica, water en schaarser wordend fosfaat. Om de landbouw intensiever te maken, wordt veel met dier- en plantenrassen doorgefokt. Dat maakt het systeem kwetsbaar en roept terecht ethische vragen op.

Ik vraag me af of intensieve landbouw op de langere termijn ook echt duurzaam is. Duurzame landbouw is nodig om het op de lange termijn vol te houden - voor mens, dier en bodem.

'Veerkracht' is het begrip dat in dit verband wordt gebruikt in de Visie van de Wetenschappelijke Raad voor Integrale Duurzame Landbouw en Voeding. Dat spreekt me aan, ook vanuit het oogpunt van de individuele boer. Hoeveel economische, ecologische en sociale veerkracht heb je nodig als bedrijf en als sector om ook op de lange termijn gezond voedsel te kunnen blijven produceren tegen een reële prijs?

Het bedrijf van mijn broer kent twee belangrijke bronnen: de koeien en zijn land. De koeien zijn z'n melkfabrieken. Maar dat niet alleen. Ze hebben een naam (Tida 21 en Bartje 217) en een voorgeschiedenis. Mijn broer fokt op goede melkkwaliteit en op gezonde en sterke dieren. Tida 21 en Bartje 217 werden allebei zeer oud en produceerden meer dan 100.000 kilogram melk. Dieren met veerkracht, die niet na drie jaar uitgemolken zijn.

De andere bron is de bodem, waar het gras op groeit. Door intensivering van de landbouw begint de bodemvruchtbaarheid in ons land af te nemen. Inmiddels groeit het besef dat bodemleven - denk aan wormen, sporen en bacteriën - een belangrijke rol speelt in het bestrijden van ziekten in gewassen. De natuur kan zelf heel wat reguleren, zonder dat er al te veel bestrijdingsmiddelen of kunstmest aan te pas hoeven te komen. De praktijkkennis hierover neemt toe en dat is een goede zaak voor een veerkrachtige en duurzame landbouw.

De ecologische veerkracht die nodig is voor een duurzame landbouw, slaat ook op de natuur rond het boerenbedrijf. De intensivering en de schaalvergroting van de landbouw hebben hun sporen nagelaten in die natuur - vooral in natuur die afhankelijk is van landbouw. De grutto bijvoorbeeld leeft van oudsher in het boerenland. Maar die heeft het niet makkelijk, laten cijfers van het Sovon Vogelonderzoek Nederland deze week zien. De populaties van boerenlandvogels als de grutto, de tureluur, de scholekster en de kievit zijn sinds 1960 met meer dan zestig procent teruggelopen. En van de veldleeuweriken is, vergeleken met 1970, nog maar vier procent over. Deze vogel - alauda arvensis, vrij vertaald: 'de prijzer van de akker' - is sterk afhankelijk van de diversiteit op de akkers en aan de akkerranden.

Boeren zitten nogal eens in een spagaat als het om natuurbeheer gaat. De kostprijs van hun product moet omlaag, en daarom moeten de velden vroeg, vaak en grondig worden geoogst. Maar natuurbeheer vraagt juist om een late maaidatum, zodat de nesten kunnen uitkomen. En bij het maaien is het nodig de laatste meter te laten staan, zodat de bloemen op akkerranden en slootkanten worden ontzien.

Zoals meer boeren vindt mijn broer natuurbeheer op zichzelf best een goed idee, maar het moet niet te veel concurreren met zijn bedrijfsvoering. Hij zit al helemaal niet te wachten op het papierwerk dat nodig is om vergoedingen te krijgen voor agrarisch natuurbeheer.

Toch raakt hij meer en meer gemotiveerd. Hij krijgt plezier in natuurbeheer, omdat hij resultaat ziet van zijn werk. Vijf jaar geleden gaf hij mijn man aarzelend de ruimte om een derde van een hectare om te vormen tot boomgaard, met een poel en natuurland. Dit voorjaar broedde daar een patrijs, voor het tweede jaar achtereen. Het gonst er van de bijen en de hommels. Drie paar kieviten en een paar grutto's vonden er een broedplaats. En op de aangelegde natuuroever groeien zeldzame soorten, als de koekoeksbloem, de ratelaar en de kale jonker. Mijn broer ervaart meer en meer dat deze diversiteit meerwaarde geeft aan zijn boer-zijn en zijn ontzag voor de Schepper en Zijn rijke schepping verdiept.

Niet alleen de bed & breakfast moet voor extra inkomen en minder afhankelijkheid van het boerenbedrijf zorgen. Mijn broer onderzoekt ook de mogelijkheden om het dak van zijn schuur vol te leggen met zonnepanelen, wat een derde inkomstenbron van zijn bedrijf zou kunnen zijn. Landelijk beleid maakt het hem niet makkelijk om energieleverancier te worden, maar de potentie is er.

De speelruimte van een boer is beperkt. Hij is slechts een van de schakels in de voedselketen tussen oogst en consument. Daartussen bevinden zich ook de voedselverwerkende bedrijven en de retail. Die twee partijen hebben een machtspositie verworven en zoeken leveranciers met de laagste kostprijs.

Dierwelzijn en biodiversiteit staan daarmee onder druk. Om daar toch rekening mee te kunnen houden zouden agrariërs een groter deel van de winst moeten zien te krijgen. Dat kunnen zij proberen te bereiken door samen te werken, maar daarbij lopen zij op tegen de mededingingswet, die het producenten verbiedt samen de prijs vast te stellen.

Wil de landbouw duurzaam zijn en aandacht schenken aan dierwelzijn en natuur, en ook nog economisch rendabel zijn op de lange termijn, dan moeten er manieren worden gevonden om de extra zorg ook een meerprijs te geven. Gelukkig zijn er goede voorbeelden te vinden , zoals het rondeelei en de weidemelk. Dat zijn initiatieven waarin de hele keten participeert, van boer tot supermarkt.

Liberalisering van de landbouw heeft geleid tot grote afstand tussen producenten en consumenten. Zo heeft een Nederlandse boer die veevoer inkoopt geen zicht op de omstandigheden waaronder zijn collega's in, bijvoorbeeld, Latijns-Amerika dat voer produceren.

Ook consumenten staan ver af van de manier waarop voedsel is geproduceerd en verwerkt. Daarom is samenwerking in de hele productieketen hard nodig. Want duurzame landbouw kan alleen slagen wanneer mensen zich verantwoordelijk voelen voor verduurzaming van de complete keten, van producent tot afvalverwerker, waarbij grondstoffen uiteindelijk weer terug kunnen keren in de voedselkringloop. Hoe korter de keten, hoe groter de kans dat dat zal lukken.

Internationale uitwisseling tussen agrariërs en studiegroepen in de regio werkt goed, omdat agrariërs herkenning vinden bij elkaar en samen oplossingen bedenken voor milieuproblemen op hun bedrijf. Maar zoals gezegd, de hele keten moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Wanneer agrariërs gedwongen worden tegen een almaar lagere prijs te produceren, kan het niet anders dan ten koste gaan van dat wat geen prijs heeft: de natuur, het klimaat.

Consumenten en agrariërs moeten met elkaar in contact komen, zodat mensen zich weer bewust worden van de herkomst van hun voedsel en van wat ervoor nodig is om het op hun bord te krijgen. Zelf hebben we drie kippen in onze achtertuin en af en toe laten we hen de eieren uitbroeden. Wanneer de haantjes te groot worden, pakt mijn man de bijl en worden ze geslacht.

Regelmatig vragen we mensen om mee te doen. Nadat ze hun schroom hebben overwonnen, beseffen ze: "Dit is de consequentie van vlees eten. En deze kip heeft een prima leven gehad." Dat zet aan tot nadenken over welke kip ze de volgende keer in de supermarkt kopen. Meer contact met agrariërs leidt vaak tot meer waardering voor het werk van de boer. Mensen zijn dan eerder bereid om extra te betalen voor duurzamer geproduceerde producten. Soms raken ze zelfs vergaand betrokken bij een bedrijf, zoals initiatieven van Community Supported Agriculture laten zien. Daarbij helpen consumenten mee op het bedrijf en dragen mede financieel risico.

Aalt Dijkhuizen stelde dat intensivering nodig is om de wereldbevolking te kunnen blijven voeden. Daar heeft hij gelijk in. Op veel plaatsen in de wereld zal de landbouw productiever moeten worden. De Nederlandse kennis over productiemethoden kan daarbij van groot belang zijn. Tegelijkertijd moeten we beseffen dat intensivering van landbouw in zijn huidige vorm niet duurzaam is, en niet vol te houden op de lange termijn.

Natuurlijke hulpbronnen zijn schaars. En doordat er wordt gefokt op maar een beperkt aantal gewassen en rassen (die liefst resistent zijn tegen ziekten en zoveel mogelijk opleveren) is de intensieve landbouw kwetsbaar. Dat leidt tot een concentratie van macht, agrariërs zijn behoorlijk afhankelijk geworden van hun leveranciers en niet te vergeten hun veeartsen.

Grotere soortendiversiteit daarentegen kan leiden tot veerkrachtiger bedrijven. We weten niet welke ziekten de dieren en gewassen in de toekomst kunnen treffen. Diversiteit in gewassen en rassen maakt het mogelijk om mee te bewegen met de gevolgen van de internationalisering van de handel en de veranderingen in het klimaat. Bovendien is diversiteit gewoon goed voor een gezond voedingspatroon.

Daar mag nog best iets veranderen. Het is toch raar dat je in de supermarkt twintig soorten chips kunt kopen en maar één soort verse sperziebonen? Terwijl er heel wat verschillende smaken sperzieboon te vinden zijn.

Alle partijen uit de agrarische keten, inclusief de consumenten, moeten de ongemakkelijke vragen onder ogen zien en samen zoeken naar duurzame oplossingen. Die zullen soms liggen in intensivering, soms ook juist in extensivering en meer diversiteit, met gebruik van de natuurlijke capaciteiten van bodem, insecten en planten. De randvoorwaarden voor duurzame landbouw worden gegeven door de ecologische draagkracht van de aarde en het welzijn van de dieren. Maar dat niet alleen. Duurzame landbouw is alleen vol te houden als hij rekening houdt met de menselijke maat en de sociale en economische veerkracht van gezinsbedrijven.

Om voldoende voedsel wereldwijd te kunnen blijven produceren, zullen we minder vlees en zuivel moeten consumeren. Want dat kost te veel grond, energie en water. Nieuwe vleesvervangers zijn daarom nodig. Maar ook de herontdekking van oude granen en 'vergeten groenten' draagt bij aan duurzaamheid.

Het bedrijf van mijn broer heet 'De Verwondering'. Hij wil daarmee zeggen dat, ondanks alle werk dat je als boer verzet, landbouw een samenspel blijft met natuurlijke processen waarover hij zich wil blijven verwonderen.

Deel dit artikel